d'r Koeënwòòf nummer 1 tot 4 - alleen de tekst

nr 1 (1990/1)
nr 2 (1990/2)
nr 3 (1990/3)
nr 4 (1991/1)

D'r Koeënwòòf nr 01 (1990/1)

INHOUD

Voorwoord - Jaak Nijssen

EIGEN WERKVERSLAGEN

GEWONE VLAAI EN LINZE-VLAAI, enkele gegevens en recepten

"OS PLAT, `N TAAL DIE ZIENGE BITSTE TIED HAAT GEHAT !!! ?"

DORSEN --- L. Schreurs

AGENDA

PUBLIKATIES

===

Daag allemaol,

Onze kring was er ineens, zonder dat we het zelf in de gaten hadden: in 1984 ontstond een gesprek "kal good plat" over onze dagelijkse omgangstaal, het Limburgs. Niet enkel de taal, maar de hele eigenheid van het eigen woongebied kwam daar ter sprake. Op 6.12.1988 bevorderden we onszelf tot HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN. "Heemkring", niet "heemkundige" kring: een kring is niet kundig, hoogstens zijn zijn leden dat. We zijn Limburgers met gevoel voor de nuances van onze standaardtaal, het Nederlands.

De kring ontstond in het raam van de Provinciale Avondschool in Voeren; onze stand "architektuur uit de 19e eeuw" op de Open-deur-dag van de Provinciale School was èn een welkome gelegenheid om met onze jonge kring naar buiten te treden, èn een gebaar van erkentelijkheid.

Van workshops (elke eerste donderdag van de maand) worden notulen opgesteld. En als we nu eens die notulen gingen bundelen. zo ontstond dit tijdschriftje. De KORENWOLF, hamster is dat driekleurig diertje (wit, ros en zwart) dat we zelden te zien krijgen, en dat de naam heeft veel te verzamelen, eten uiteraard. Wij verzamelen voorwerpen, dokumenten, kennis over het eigen woongebied

Het Limburgs is vele vormen rijk. Moelingen en `s Gravenvoeren: koeënwòòf; meer oostelijk en in Noorbeek: kaoënwòòf; Margraten: kòrewòòf. Telkens met twee sleeptonen. Een tijdschrift beginnen is gemakkelijk, het op zinvolle wijze voortzetten, dat is wat anders. (G. de Heus, Gulpen, 7.3.1990)

En de boer, hij ploegde voort (F. Timmermans)

J. Nijssen, voorzitter.

 

EIGEN WERKVERSLAGEN

De werkverslagen van 5.4,1988 t/m 5.10.1989 werden aan alle leden bezorgd. Hieronder volgt een samenvatting van de verslagen van november en december 1989 en januari en februari 1990.

VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 9.11.1989.

Oude foto's.
Het is van belang om aan de weet te komen welke personen er staan op oude foto's. Th. B. heeft een aantal oude foto's meegenomen waarvan we er misschien één in Voeren Aktueel kunnen laten plaatsen.

Wapen van Voeren.
Op de markt in Nürnberg staat hetzelfde wapen. Geen enkele Nederlands Limburgse gemeente heeft dit wapen. (JN)

Elektrische draad
HM en FM zijn op zoek gegaan naar de in scene gezette foto van "de draad" bij Vaals. We krijgen van Mevr. Schoonbrood - Hagelstein, Rue de la Gare 31, Gemmenich, een kopie van deze foto. Mevr. Schoonbrood heeft een postkaarten verzameling aangelegd voor de regio Gemmenich - Aubel. Mevr. Schoonbrood krijgt van ons een foto van nummer 301 uit ons patrimonium. Nummer 301 is een werktuig waarmee mensen door de elektrische draad heen geholpen werden. (JN)

Uithangborden
PdW toont een ijzeren uithangbord in de vorm van een koe. Dit bord is op hoeve de Peul (Noorbeek) gevonden.

- het bord is met de hand gemaakt (Th.B)
- het is een veredelde koe (JN)
- FdW zal nagaan of er verf opzit. 

Het uithangbord van de Swaen stamt uit de 18e eeuw en staat binnen op de schouw. Buiten hangt een replika.

Verdwenen veldkruis: vorderingen (met foto)
JN heeft dokumentatie over dit kruis op de Wijnantsgrebbe. Deze wordt doorgespeeld naar Dhr. N. Meens i.v.m. een publikatie over deze verdwijning in "Het Belang van Limburg "Dit kruis werd opgericht door de familie Jongen, ter herdenking van de tragische dood van Willem Jongen, geboren in 1786, jachtwachter van de baron van Mheer, die in deze wegel vermoord werd door stropers in april 1818." (UIT: Archief Mevr. M. Beaumont. Heem, 3e jrg., nr. 6, nov./dec. 1959. "`s Gravenvoeren: Kruisenbomen", C. Waelbers) 

Dit kruis draagt een tweede opschrift uit 1637 met de naam Hamekers. Er zijn lijsten van mensen die voor de komst van de Fransen gestorven zijn maar de naam Hamekers komt daar niet op voor. De kruisvorm is van deze streek. (JN) Misschien is het een tweede-hands-kruis. Het komt vaker voor dat dergelijke arduinen kruisen twee opschriften hebben. {Th. B) Het kruis weegt naar schatting 180 kg 

Gallinger-kruis. (Snauwenberg)
Blauwe steen. Weegt naar schatting 50 kg. Dit kruis is op 3.11.1989 op de oude plek teruggezet. Voor de veiligheid in beton. (RB) 

Kruis aan het spoor
"Op de grens van `s-Gravenvoeren en Weerst, bij een kruising van veldwegen (Schoppem - Weerst) staat een stenen kruis met het opschrift: 

1598 DE
24 IVNY
IS HENDICK
.... S BAEDEN SOEN.VAN.VOVREN
IAEMERLICK DOOTGESCHOETEN
WORDEN GODT BENAEDE DE ZIELE" 

(UIT: Archief Mevr. M. Beaumont. De Band, nr. 5, 1957. "Overmase Veldkruisen" , Jaak Nijssen) 

Dit kruis stond hier tot ongeveer 20 jaar geleden. Bij het aanleggen van de gaspijpleiding is dit kruis nog waargenomen. Toen is het met de leiding ingegraven
 

Inventarisatie kapellen.
FM, LR en BM zullen gaan werken aan een inventarisatie van de kapellen van Voeren. Veel werk is reeds verricht door Mevr. M. Beaumont. Haar materiaal zullen we eerst doorwerken.

(weergave zichtaart: "Fouron-le-Comte. Chapelle de Steenbosch")

 

VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 14.12.1989. 

Cramignons.
LS heeft 10 cramignons verzameld. RB, JG en LS gaan in een van de volgende uitgaven van dit blad de cramignons uit onze streek beschrijven. Voorlopig zullen ze muziek verzamelen en uitzoeken waar en wanneer deze muziek gespeeld wordt/werd. 

Tijdens deze bijeenkomst kwam het volgende naar voren:

- Een cramignon is steeds 6/8 maat, behalve de cramignon van Mheer die 2/4 maat heeft.
- Margraten: "Moder, de kets hat mich gekretst'1 (LS) Mheer: "e Sjtùkske sjpek (sjeenk) mit mostert op" (LS)
- In Ransdaal werden marsen gespeeld en daarop rijde" men dan.(LS)
- Tot aan Margraten/Grondsveld (LS+HM) ook echte cramignon-muziek.
- Twente - Ootmarsum. Gelderland, Achterhoek. Ook rijdansen. Daar noemt men deze dans "`t vluggelen".
- SMV en Eijsden spreekt men van de cramignon.
- In Eijsden ook van "rije" .
- SGV, NB, M'graten, Moelingen van rije .
- SMV rond 1960 gestopt. (JN)
- M'graten rond 1950 gestopt met rij dansen (LS)
- In Noorbeek is deze dans weer her-ingevoerd. (JN) Verdwenen Veldkruis. Het kruis op de Wijnantsgrebbe is terug op de oorspronkelijke plaats gezet. (RB)

 VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 11.1.1990. 

Cramignons.
Alle muziekstukken kunnen ingeleverd worden bij RB. 

De Elektrische draad
De ROL zal de uitzending over de draad kopiëren t.b.v. de Heemkring. (HM) 

Kinkers
RB toont een foto van kleine paardjes die aan weerszijden beladen zijn met een grote mand. Deze paardjes werden "kinkers" genoemd en waren het bezit van handelaren die met kolen en graan naar de markt in Aubel gingen. In onze omgeving kent men veel toponiemen waar het woord "keenke in voorkomt. "Keenkeberg" SGV, "Keenkewaeëg" Grondsveld, "Keenkevaeld" Montzen.

 VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 8.2.1990. 

Tijdens deze bijeenkomst zijn we voornamelijk bezig geweest met de organisatie van 13.3.1990 

Kapellen.
Wat moet er in een boekje over Voerense kapellen staan? -Wanneer gebouwd+waarom gebouwd+welk materiaal+eigendom van wie+hoelang hebben bepaalde mensen bij een bepaalde kapel welke gebeden gebeden+er moet een volledige inventaris gemaakt worden van de inhoud van elke kapel-lijst met verklaring van vaktermen . 

HOFFMANN-KRAYER.
Ordening van de besproken onderwerpen met behulp van de nummering van Hoffmann-Krayer. (Zie: "tradities", J. Nijssen, Gidsenkursus Voeren, 1987-1988. "Het Veldmanshuis", Kultureel Centrum van de Vlaamse Gemeenschap in Voeren.) 

Oude foto's: IV C4; Wapen van Voeren: V B1; Elektrische draad: 1 BI; Uithangborden: V; Veldkruis: III D3; Kapellen: III D2; Cramignons: XVII D; Kinkers (foto): IV C4 + VI D3a + VI F4 + XXII B. 

HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN - 5 JAAR. 

Ter gelegenheid van het 5-jarig bestaan van de Heemkring organiseren we op 13.3.1990 een lezing door Prof. A. Roeck met als thema: "Heksen, vroeger en nu". De voordracht begint om 20.00 uur in het Paviljoen van "Het Veldmanshuis" in Sint-Martensvoeren
 

GEWONE VLAAI EN LINZE-VLAAI, enkele gegevens en recepten 

Linze-vlaai of "toeërt" (Margraten, LS) is gemaakt van zandtaartdeeg en de "sjpies", zwarte pruimen of abrikozen, wordt belegd met "ludderkes". "Ludderkes" zijn reepjes deeg die links en rechts, om en om, op de vlaai aangebracht worden. Linze-vlaai is lang houdbaar en stamt uit de Oostenrijkse tijd. "Linzer Torte" (RB).
Gewone vlaai wordt soms "`ne toesjlaag" genoemd. Dit is het geval als een deegdeksel op de "sjpies" wordt gelegd. In dit deksel worden speciale openingen gesneden met een schilmes of een schaar. (FM) "`ne Toesjlaag" is vaak een appelvlaai. (BM)
Tot ongeveer 20 jaar geleden werden in Ingber (Gulpen), Margraten en Noorbeek dikkere vlaai-bodems gemaakt dan in Montzen, Kelmis of Voeren. Toen werden in al deze dorpen grotere vlaaien gebakken dan tegenwoordig. Nu zien we dat Belgische bakkers over het algemeen kleinere vlaaien bakken (doorsnede +- 25 cm) dan hun Nederlandse kollega's (doorsnede +- 30 cm). Een van onze zegslieden vertelde dat er enorme hoeveelheden en veel verschillende vlaaien gebakken werden als er kermis was. Vlaai werd toen echter alleen gegeten als er kermis was en wel bij het koffie-drinken om 4 uur. Vaak at men dan uitsluitend vlaai, in al zijn variëteiten. De eerste vlaai die gegeten werd was de rijstevlaai. Meestal sneed men een vlaai in acht stukken.
Rijstevlaai, maar ook "Plats", werd soms op een andere wijze gesneden. (zie: hiernaast: afbeelding)) (JN) Men at de vlaai uit de hand Het eten van vlaai met een vorkje is een nieuw verschijnsel in onze streek
"Bookeskook", een boekje van Netty Engels-Geurts, waarin vele traditionele vlaai-recepten beschreven zijn. 

RECEPTEN.

 Gewone vlaai Margraten LS (Warme deeg)
Ingrediënten voor 4 vlaaien. 1 kg bloem, 3 "haamfele" suiker, 1 ons "huffe" (gist), 150 gr. margarine, 1/2 l. melk, 1 ei.
Bloem in kom. In het midden de "huffe", rest langs de kant. Melk lauw maken en beetje melk op de "huffe". Wachten tot de "huffe opkomt" (rijzen) en daarna met de rest van de melk kneden. Dan deeg in 4 bollen verdelen. 5 minuten wachten en daarna uitrollen, en op de plaat. Spijs erop en de oven in. Na ongeveer 10 minuten is de vlaai klaar. 

"Toeërt" (Margraten LS) (Koude deeg)
Ingrediënten voor 4 vlaaien. 1 kg bloem, 1/2 kg margarine, 1/2 kg suiker, 2 pakjes backin, 3/4 "tas" koud water, 1 ei.
Bloem met backin vermengen. Alles in kom "pratsje" en kneden. Deeg verdelen in 4. Is genoeg voor 3 "toeërten" en 1 bodem. Uitrollen op plaat. Wat teveel is, bolletje van maken. Dit uitrollen voor "ludderkes". Spijs op de vlaai, bv abrikozenjam. "Ludderkes" erop en bestrijken met ei, koffie of water. Beetje suiker erover en de oven in. Ongeveer een kwartier bakken. Deze vlaai bewaart zich enkele maanden. Als deze deeg een nacht in de koelkast wordt gezet bewerkt hij zich beter. Deze deeg breekt vlug. 

Gewone vlaai (Borgharen, Schoppem (FM)
80 gr. boter, 1/4 l. melk, /2 kg meel, 1 1/2 schep suiker, 30 gr. gist.
Boter smelten met de melk. Lauw maken. Dan in de kom doen met de suiker, iets zout en wat meel. Gist aanmaken met wat lauwe melk, dat ook in de kom doen, en dan klaar maken met de rest van het meel. 1/2 uur laten rijzen. Fruit erop. Oven voorverwarmen. 20 minuten bakken op 250°C
 

"OS PLAT, `N TAAL DIE ZIENGE BITSTE TIED HAAT GEHAT !!! ?" 

Wij vinden het verheugend dat onze karnavalsverenigingen de Limburgse taal blij ven gebruiken om bijv. reklame te maken voor de aktiviteiten die zij organiseren. Dat deze mensen, ondanks alle druk van de standaardtaal toch blijven kiezen voor ons Limburgs, verdient grote bewondering en getuig al bijna van moed. Toch willen we hierbij aantekenen dat een kultuur patrimonium, zoals onze Limburgse taal niet mag verworden tot een taal die uitsluitend gebruikt wordt ter gelegenheid van "d'r" karnaval.

 Onze taal is veel meer dan een "narren-taal" en dat blijkt ook uit allerlei initiatieven in Voeren en haar omgeving. We kennen een "dialekt"-mis in `s-Gravenvoeren en men denkt aan een Limburgse bijbelvertaling. We vernamen van "Der Vereinigung für Kultur, Heimatkunde und Geschichte im Göhltal" dat er onlangs "dialekt"-toneelgroepen zijn opgericht im Homburg en Gemmenich. In Bleiberg en Kelmis bestaan deze reeds enige tijd. Ook in Noorbeek staat binnenkort weer een Limburgs stuk op "de buun" en de toneelgroep van Vilt is op dit terrein bij onze noo rderburen een begrip. 

(afb.:)

KURSAAL
KARNAVAL
VOERE
4 FIB UM 14,11 OOR
JEUGDZITTING
PREENSEPROKLAMASJE VAN DER JEUGDPREENS 1990
OETGEVEURD DOER OOS VOERENSE JEUGD
ALLES OONDER BEGELEIDING VAN OOES HOFKAPEL
DAANS - ZAANK - KOLDER - BUUTEREEDNERS
MET BEERKE OET MASTREEG. KAMPIDENBUUTEREEDNER 1989.
OPTREJE VAN OOES DAANSGROEPE. DE BEKSKES.
JUNIOREN EN SENIOREN
SOLODANS VAN DE PETRA EN DE ILONA,.
PREENS CHRISTOPHE I

CERA

Volksbühne Kelmis
Wat haste jesaat?
Samstesch, der 21. Oktober 1989
No 375
Aavank: 19 Uhre 30 Prijs: 130 Bfr
Mit der Unterstutzung des Kulturellen Komitees Kelmis, des Kulturellen Komitees der Deutschsprachigen Gemeinschaft und der Unterstützung des Kulturamtes der Provinz Lüttich 

In "Aanwijzingen voor de spelling van de Limburgse dialekten" is door Jan G.M. Notten een bruikbare spelling uitgewerkt. Er zijn dichters uit bijv. Gulpen, Eijsden en Valkenburg die van deze spelling gebruik maken om hun gedichten te schrijven. Piet Zimmer is een bekend dichter uit Kelmis. 

In Veldeke, Tijdschrift voor Limburgse Volkskultuur, wordt in jrg. 63 (!)-1988 nummer 3 melding gemaakt van een onderzoek naar dialektgebruik op (Nederlands) Limburgse basisscholen. Dianne Huijskens verrichtte dit onderzoek in het kader van haar studie Algemene Taalwetenschappen. Dit onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot het maken van een drietal lessen OVER dialekt, geschikt voor de hoogste klassen van de basisschool. Van de ge geven lessen bestaat een volledig verslag met inst rukt ies voor de docent en een bijbehorende geluidskassette. Belangstellenden kunnen dit materiaal bestellen door f25,- over te maken op giro 4096036 t.n.v. D. Huijskens, Breukelen, onder vermelding van "Spelen met dialekt".

 BEZOEK AAN RIJKSARCHIEF EN SOCIAAL HISTORISCH CENTRUM MAASTRICHT (met foto) 

Op 10 november 1989 bracht de Heemkring een bezoek aan het Rijksarchief en aan het archief van het Sociaal Historisch Centrum van Maastricht. Op beide plaatsen kregen we een degelijke rondleiding. In het Rijksarchief vindt men o.m. kerkelijke registers van voor de Franse Revolutie. In het Sociaal Historisch Centrum worden o .a. veel oude tijdschriften en foto's bewaard. Als men een persoonlijk archief kwijt wil, of een archief van een bedrijf of vereniging kan men hier terecht.

 DORSEN 

In mijn jonge jaren, voor, tijdens en na de oorlog, deed men dit met de vlegel of met de machine.. Dorste men met de vlegel dan werden de schoven met de aren naar binnen gelegd (in een kring?) en sloeg met de vlegel zolang tot de korrels uit de aren waren. Deze korrels werden dan met de "wan" of met de wanmolen gezui verd. Hoe het precies met de "wan" ging, dat weet ik niet. Ik meen door deze met korrels gevuld heen en weer te schudden zodat de onrechtigheden boven kwamen. Deze laatsten moest men er dan vanaf zien te krijgen. Ik meen wel eens gehoord te hebben met een kippeveer of door te blazen??
Had men een wanmolen ter beschikking dan werden de korrels in het "kaar" van de wanmolen geschept. Deze wanmolen bezat en be zit 4 grote schoepen welke men door draaien in beweging zet waardoor er een luchtstroom of wind ontstaat. In deze molen bevinden zich twee zeven welke door het draaien heen en weer slaan waardoor de korrels uit het "kaar" op deze zeven terecht komen.
Door de luchtstroom waaien de lichte gedeelten, `t kaf, door een opening achter aan de molen naar buiten en vormen een hoop op de grond Deze kaf gebruikt men voor het vee gemengd met bieten. Ook werd deze vroeger gebruikt om de strozak te vullen waarop men sliep. Voor dit laatste kwam het kaf van gerst of rogge niet in aanmerking vanwege de stekels die zich hieraan nog bevonden.
Van de twee zeven was er één voorzien van gaten die iets kleiner waren dan de "malen" korrel. Op dit zeef bleef dus bijv. de tarwe liggen en liep via een geleiding naar beneden waar ze al of niet in een "kaar" werd opgevangen.
Wat door deze zeef viel was kleiner dan tarwe welke op een tweede zeef terecht kwam en via een andere geleiding al dan niet werd opgevangen Wat door dit tweede zeef viel waren onkruidzaden en nog kleinere tarwe en deze heette men dan "d'r sjpik" Voor elke graansoort gebruikte men andere zeven. (Mogelijk bevond zich helemaal boven nog een zeef bespannen met kuikendraad met kleine openingen waar de zwaardere stukken op bleven liggen welke niet weggeblazen waren. Dit moest men van tijd tot tijd, meen ik zuiver maken.
Door dit "malen", zoals het genoemd werd, kreeg men dus le soort, 2e soort en afval of "d'r sjpik".
Met de machine dorste men met een zogenaamde "laankdèèrsjer" of met een zelf reiniger. De "laankdèèrsjer" was voorzien van een zeer vlug ronddraaiende wals met tanden en een `sjudder", een uit vierkante gaten bestaande houten geraamte. De schoven hield men met de aren in de wals enige tijd vast tot de korrels eruit waren om ze vervolgens los te laten waardoor ze door de wals naar binnen getrokken werden en op de "sjudder" terecht kwamen. Door het schudden van deze vielen de er nog tussen zittende korrels door de vierkante gaten op de grond. Het stro kwam door de naar beneden hellende "sjudder" op een soort plat liggende ladder waar het met strobanden met de handen tot "bussele" gebonden werd.
Het graan viel direkt onder de wals op de grond. Dit moest dan via de wanmolen gereinigd worden.
Dorste men met een zelfreiniger dan was deze wanmolen ingebouwd en werd het graan in zakken opgevangen. Het stro moest echter via de "sjudder" met de hand gebonden worden.
Dan had men nog een machine om te dorsen, n.l. "d'r daamper". Dit was een grote zelfreiniger waarachter een bindmachine, "d'r binder", werd geplaatst. Deze bond het stro automatisch met twee touwen tot "bussele". Deze "daamper" had een lange wals, ruim de lengte van het langste graan, waarin de "gerven" dwars werden ingevoerd. Dit werk noemde men "voren" 

5.12.1988 Opgetekend door L. Schreurs. Margraten
 

AGENDA

Elke eerste donderdag van de maand: workshop Heemkring Voeren en omstreken.
13.3.1190: Lezing Prof. A. Roeck "Heksen, vroeger en nu" om 20.00 uur in het Paviljoen van het Veldmanshuis te Sint-Martensvoeren.
16.3.1990 Voordracht van J. Gabriëls "Vogels in onze omgeving" om 20.00 uur in Herberg "De Swaen" te `s Gravenvoeren.
26.4.1990: Lezing J. Notten "De historie van de Limburgse dialekten" om 20.00 uur in Kasteel Vaalsbroek.
21.3.1990 Lezing H. Lemmerling "Volksgeloof en volksgebruiken" om 20.00 uur in paviljoen Berggalm te Noorbeek.
 

PUBLIKATIES 

Publikaties van de Heemkring Voeren en omstreken.
"Wie groet is e boender, wie groet is 'n rooj?" in: Voeren Aktueel; jrg. 6, nr.4, sept.1988
"Boter van de boer I" in: Voersprokkels nr. 39.
"Boter van de boer II" in: Voersprokkels nr. 40.
De samenwerking met de Provinciale School rondom "19e eeuwse architektuur" resulteerde in een routebeschrijving die ons voert langs 19e eeuwse gebouwen en woningen in de Voerstreek en onze Nederlandse buurdorpen Eijsden, Mheer en Noorbeek. Personlij!ke Publikaties.
"Croix, Potales,et Chapelles au pays de Visé" in: Notices Visetoises 1989 door: Jaak Nijssen.
"Sint Tunnis in Teuven in: Voeren Aktueel; jrg. 7, nr. 4, dec `89/ jan `90 door: Jaak Nijssen.
"Zomer 1914: De eerste Wereldoorlog breekt uit" in: Voeren Aktueel, jrg. 7, nr. 3, juli 1989 door: Rob Brouwers.

D'r Koeënwòòf nr 02 (1990/2)

Inhoud:
13 Verslag
14. Publikaties
15,16,17 Verslag
18 t/m 23" Zòw v' r 'ns 'ne rej spele?"
24, 25. Kleine landschapselementen, noodzakelijk in het landschap. 

13'
BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 8.3.1990.
Aanwezig: R. Brouwers, J. Nijssen, L. Schreurs, T. Broers, P. en F. de Warrimont. H. en F. Maurer, L. Reestman, B. Mergelsberg.

Organisatie 13.3.1990.
JN zal de inleiding en het welkomstwoord verzorgen.
Aan de orde moet komen:
- Inleiding van onze vereniging
- Afspraken omtrent roken
- Aan het einde van de lezing zullen we een mandje laten rondgaan
- We heffen geen entree.
- Inleiding spreker
- Thema benoemen
- Aankondiging van de receptie
- Aankondiging van de publikatie van de eerste lessenreeks "Kal good Plat".
Aankondiging van de eerste uitgave van ons krantje.
JN zal ook de afsluiting en een dankwoord aan de spreker verzorgen.
BM zal twee platten verzorgen.

Krantje.
We zullen de nummering van de blz per jaargang laten doorlopen.
Eerste uitgave: Jaargang 1990, nummer 1.
Onder elke bladzijde wordt de naam van het blad plus de jaargang en het nummer getypt.
De naam van het blaadje luidt: 'D'r Koeënwòòf". 

Trip-Sopfeesten.
Wat zouden wij tijdens deze feesten kunnen doen?
Tijdens de volgende bijeenkomst komen we hierop terug. 

Mededelingen.
De pastoor van SMV heeft een dokument gevonden dat dateert uit de WO 1 en waarin de burgemeester verplicht wordt om de inwoners van zijn gemeente om de veertien dagen in het openbaar te waarschuwen voor de gevaren van de elektrische draad.

BM heeft een brief ontvangen van het kadaster te Roermond waarin vermeld wordt dat het minuutplan van de kern van Noorbeek aanwezig moet zijn in het Rijksarchief te Maastricht. Eerder had een van onze leden gekonstateerd dat het minuutplan daar niet meer aanwezig was.

Het Davidsfonds van de Voerstreek organiseert in de week van 24.3. 1990 een rariteiten-kabinet.

RB werkt aan een artikel over de inval van de Duitsers in SGV. 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 5.4.1990.
Aanwezig: P de Warrimont , F. Maurer, R. Brouwers, L. Reestman L. Schreurs en B. Mergelsberg.

14'
Cramignons.
RB en LS zullen proberen om voor de volgende keer het een en ander op papier te zetten voor het volgende krantje.

D'r Koeënwòòf.
Als de kopie voor de volgende krant klaar is en er staat niet genoeg geld op de bank dan gaan we met de pet rond.
Bij volgende aktiviteiten bezorgen we geen huis aan huis folder meer.

Heemkring en Milieugroep.
In september zullen we een vergadering proberen te regelen met de milieugroep.
Misschien kunnen we samen de lezingen in het voorjaar organiseren.

Mededelingen.
Het rariteiten-kabinet was een groot sukses en is voor herhaling vatbaar.
De werkgroep Kapellen heeft twee bijeenkomsten gehad.
Tijdens een bijeenkomst is de OLV kapel aan de Kinkeberg bezocht. 

PUBLIKATIES.
"Fehlen Scheibenkreuze sowie Rad- und Ringkreuze zwischen Ems und Seine?" in: Signalisations de sépultures et stèles discoidales, V - XIX siècles. Actes des Journées de Carcassonne, sept. 1987- (1990); pag. 13 t/m pag. 30. Door: Jaak Nijssen. In dit artikel inventariseert en beschrijft Jaak Nijssen allereerst "Klein-denkmäler" in het gebied tussen de Ems en de Seine. Een tekening op pagina 15, van Jan Aussems, 's-Gravenvoeren, toont ons enige grondvormen van kleine gedenktekens met de daarbij behorende benamingen waardoor het vervolg van het artikel ook voor een volstrekte leek op dit gebied bevattelijk blijft.
Kaarten op pag. 15, 17 en 23 laten zien welke geografische posities de voor het onderzoek gebruikte gedenktekens in het bovengenoemde gebied innemen.
We vinden in het artikel vele afbeeldingen van gedenktekens uiteraard ook van gedenktekens uit onze omgeving: p. 19, afb. 11: "Eupen", afb. 12: "Val Dieu": p.21, afb. 19: "Welkenraedt", afb. 20: "'s Gravenvoeren"; p. 27, afb. 37: "Walhorn", afb. 38: "Aldenhoven", afb. 42: "Warsage"; p. 29, afb. 45: "Homburg". Na analyse van het onderzoeksmateriaal konkludeert Jaak Nijssen dat het Rijn- en Maasland, hoewel rijk aan kleine gedenktekens, geen "Ring - und Scheibenkreuze" kent. "Hoogstens komen in dit gebied nevenvormen voor en een reden voor deze leemte kennen we tot nu toe nog niet", al dus de schrijver. 

"1940 -1945 La Basse-Meuse dans la guerre" Publication de la Sociéte Archeo-Historique de Vise et du Musée Régional d'Archeologie et d'Histoire; Mei 1990. 

"Watermolens in Eijsden. Momentopnamen uit hun geschiedenis" M. Meerman.- Eijsden: Stichting Eijsdens verleden.

15' 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 3.5.1990
Aanwezig: J. Geelen, F. en H. Maurer, R. Brouwers, L. Schreurs, T. Broers, L. Reestman, J. Nijssen en B. Mergelsberg. 

LS leest zijn resultaten voor van zijn rondvraag rond cramignons.
Men kan lid worden van de Heemkring Voeren en omstreken voor een jaarlijkse bijdrage van 200 Bfr. Daarvoor in ruil ontvangt men 4 nummers van d'r Koeënwòòf.
Er wordt een bijdrage van 3000 Bfr. gevraagd aan de Kulturele Raad van Voeren.
Twee leden van de Heemkring (RB en LS) bezochten de lezing van J. Notyy ten over de geschiedenis van de Limburgse dialekten te Vaalsbroek.
Volgende bijeenkomst: bij L. Schreurs op 7.6.1990 om 8 uur. 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 7.6.1990
Aanwezig: P. en F. de Warrimont, J. Geelen, R. Brouwers, H. en F. Maurer, L. Schreurs, T. Broers, L. Reestman, J. Nijssen, B. Mergelsberg.

De jaarlijkse bijdrage. Deze bijdrage werd betaald door: Brouwers, Maurer, Mergelsberg, Nijssen, Geelen, de. Warrimont, Schreurs, Broers. In totaal is ontvangen: 33 gulden, 20 DM, 600 Bfr.

We proeven allen van de linze-vlaai die door de echtgenote van LS gebakken is. Het smaakt voortreffelijk.
In Aken kent men een speciaal soort gebak dat men Linzer Torte noemt (JN).
In Denemarken kent men eveneens een soort gebak dat men Linzer noemt en dat net als hier gemaakt wordt van zandtaartdeeg. (BM) 

AGENDA.

1. Bijeenkomst Heem en Groen Noorbeek en Heemkring Voeren.
2. Bijeenkomst Milieugroep Voeren en Heemkring Voeren e.o.
3. D' r Koeënwòòf.
4. Toelage Kulturele Raad.
5. Kapellen een monumenten.
6. Nederlands geld. Het nieuwe briefje van 25 gulden.
7. Tentoonstelling Vise en Bleiberg.
8. Voeren Aktueel.
9. Bronk SMV, SGV, Teuven en Moelingen.
10. "Mè-pennyy ing" "Godshalder".
11. Trip-sopfeesten.

1. BM regel 1 een bijeenkomst in september op een woensdag in Noorbeek.
2.De Milieugroep Voeren en de Heemkring Voeren en omstreken komen bijeen op 12 september in De Swaen. Tijdens deze bijeenkomst zullen ze bekijken op welke gebieden er samengewerkt kan worden. JN is bereid om een lezing te houden over de papierfabrikatie te Schophem.
3. Volgende zaken komen in "d'r Koeènwòòf" nr. 2.:
Nieuwe voorkant gemaakt de LS.
Verslagen.
Artikel LS over cramignons.
JN laat BM een aantal namen en schrijvers van publikaties toekomen die in deze krant opgenomen zullen worden.
Er worden dit keer 50 stuks gekopieerd.
Het Prov. Dokumentatiecentrum ontvangt een gratis exemplaar.
Heemkring Sint-Geertruid en de Heemkring Voeren en omstreken ruilen hun krantjes.
4. We krijgen een toelage van 3000 Bfr. van de Kulturele Raad maar dan moeten we wel op onze publikaties vermelden dat deze o.m. tot stand kwamen dankzij de steun van de Kulturele Raad.
5. BM zal kontakt opnemen met JW en indien deze geen bezwaren heeft zal BM een afspraak regelen met "Monumenten en Landschappen".
6. Er is een nieuw briefje van 25 gulden uitgegeven. 6 van de 11 aanwezigen vonden het oude briefje mooier dan het nieuwe. 1 van de aanwezigen vond het nieuwe mooier.
7. In Vise is een tentoonstelling georganiseerd over WO II door "la Sociéte Archéo-Historique de Visé" en "le Musée Régional d'Archéologie et l'Histoire". Ons lid TB was ook aanwezig met foto's. Er was veel materiaal over het begin van de oorlog en de bevrijding. Ook de naburige forten werden behandeld.
In Eupen was een tentoonstelling te zien over "de verdrongen jaren" 1919-1945. De opa's werden toen ineens "de vijand" genoemd. In Bleiberg werd een Open Dag georganiseerd die voornamelijk genealogisch van aard was. Soortgelijke verenigingen uit Visé, Maastricht en Hasselt (VVF) stelden hun materiaal ten toon.
8. RB heeft in Voeren Aktueel een artikel geplaatst over het begin vans van WO II. Het geeft alléén informatie over 's-Gravenvoeren. JN geeft in dit nummer van VA één eigen reportage weer over de inval van de Duitsers. Hij heeft ook Mevr. Schillings en Dhr. Heuschen geïnterviewd. JN heeft tevens een artikel geplaatst over "D' r Koeënwoof". 
9. We konstateren dat organisaties zich gaan bezighouden met het maken van vaantjes en het plaatsen daarvan. In SGV is dit al enkele jaren het geval, in SMV is de bronkversiering van de wegen dit jaar voor het eerst op deze manier geregeld. (JN, RB)
In Moelingen gaat het niet goed niet de bronk (TB)
Heiligenhuisjes worden nog steeds door partikulieren opgesteld. (JN)
In SMV wordt de schutterij tijdens de bronk getrakteerd. (JN)
In SMV zetten de inwoners in het verleden nog vaantjes, de Franstaligen echter niet.
De bedoelde organisatie zet nu bij deze laatsten ook vaantjes voor de deur.
In Nederland, vlak na de oorlog, werd de wet op de zondagsrust goedgekeurd.
Voor Nederlands Limburg hield dit in dat tijdens de bronk op zondagochtend de harmonie niet mocht spelen.
Onder druk van het Katholieke Zuiden is deze wet na een jaar weer ongeldig verklaard.(PdW, H. en F. M., LUS)
In onze tijd komt in Nederlands Zuid-Limburg regelmatig de klacht voor dat kerkklokken geluidsoverlast veroorzaken. (PdW en BM)
De bronk van SMV kent drie routes die per jaar achtereenvolgens gelopen worden.
De route naar De Plank (1990), naar Veurs, naar de Knap en Einde.(JN)
De bronk van SGV gaat dit jaar naar Schoppem.
Normaal is de bronk voor sakramentsdag.
In Moelingen en SMV gaat de processie voor sakramentsdag uit.
Normaal is eerst de mis en dan de bronk.
In SMV is eerst de bronk en dan de mis (JN)
10. Als een meid of knecht in dienst genomen werd betaalde de "heer" als bezegeling van de afspraak een "mè-penning". Dit was doorgaans een vijf-frank-stuk, ook in Nederland in de 20er jaren. Als de meid of knecht niet kwam opdagen dan moest dit geldstuk teruggegeven worden.

De "godshalder" was ook een klein munt stuk dat de afspraak over een koop bezegelde. Voor een paard was dat f2,50, voor een koe f1,-, voor een varken f0,25, voor een big f0,10 Met dit geld mocht niet gehandeld worden en het werd dan ook een busje voor de Afrikaanse Missies gestopt. (LUS)
11. Wat kunnen we doen tijdens de Trip-Sop-feesten?

o 10 oude foto's afdrukken en die verkopen met wat winst.
o Tentoonstelling maken over ons patrimonium en "d'r Koeënwòòf" verkopen.
o Een tentoonstelling maken over Stroperij, met materiaal van TB.

"'ne vur" (LUS) een bunzing
"'ne vuurder" (JN) een bunzing
"'ne fuing" (RB en JN) een steenmarter.
"'e wessel" (RP~) een wezel. 

ZOU V'R 'NS 'NE REJ SJPELE ?
Stelde men deze vraag rond de 5Oer jaren aan de muzikanten van de fanfare dan was het antwoord: "Ja, welke? Die van Mheer of d'r 6/8 of moder de kets?". Zou dit nu gevraagd worden dan keken 9 van de 10 muzikanten of ze water zagen branden. In het gunstigste geval fluisterde men. "Die heeft teveel bier gehad". 

WAT IS 'NE REJ?
Een rej of een cramignon is volgens het boekje van Roger Pinon een van oorsprong Waalse dans op een kenmerkende muziek in de 2/4 of 6/8 maat. Deze dans wordt reeds genoemd in 1575 in Luik. In het Land van Herve en Eupen-Malmedy bestonden er meer dan 100 verschillende nummers deels reeds stammend uit de 16e eeuw. Rond 1850 zijn er in Wallonië meerdere cramignon-gezelschappen opgericht. Tot zover Pinon. 

WAT IS HET KENMERKENDE VAN EEN CRAMIGNON?
Een van de kenmerken van een cramignon in de 6/8 maat is de verdeling van de noten. In hoofdzaak zijn het kwarten en achtsten met aan het slot van een reprise een zestal achtsten achter elkaar van hoog naar laag of omgekeerd, meestal voorafgegaan door 1/8 en eindigend met 1/8.

Toch worden genoemde kwart en en achtsten niet gespeeld zoals het hoort. Van de kwarten maakt men achtsten met punt en voor de achtsten speelt men zestienden. Een zestal achtsten achter elkaar worden dan triolen.

Van de ongeveer 20 in mijn bezit zijnde cramignons staat het overgrote deel in de 6/8 maat. Van de overblijvenden is er een overgezet van de 6/8 in de 2/4 maat (zie: afbeelding 1), een, waarschijnlijk een "inwijkeling" , een geschreven in de 4/4 maat (deze wordt gespeeld in Slenaken) en een in de 2/4 maat (zie: afbeelding 2). Deze laatste werd door de fanfare in Margraten gespeeld en werd "Die van Mheer" genoemd. In andere plaatsen werd deze cramignon "d' r do fafafafa" genoemd. In het boekje van Pinon staat deze rej afgedrukt maar met een andere verdeling van de noten en zonder 3e reprise. Eijsden speelt of speelde deze rej zoals hij in dit boekje staat maar daar noemde men hem "De Vink".

Waarschijnlijk is deze cramignon van horen spelen "gearrangeerd" en misschien omdat Mheer dit arrangement geregeld uitvoerde is men in Margraten deze rej "Die van Mheer" gaan noemen. Zo is het ook met de benaming van de andere cramignons. De rej die in Mheer e sjtukske sjeenk mit mosterd op"(afbeelding 3) heet wordt in Margratyy en "moder de kets hat mich gekretst" en in Sint, Geertruid "d'n os" genoemd.

SPEELDE MEN VEEL VERSCHILLENDE CRAMIGNONS?
Een groot repertoire hadden de muziekkorpsen niet. Met een stuk of 4 of 5 was het meestal wel bekeken. Soms nog minder. De cramignons die door Noorbeek gespeeld werden, werden ook, of tenminste gedeeltelijk door bijvoorbeeld Sint Geertruid of Mheer ten gehore gebracht. Evenals die van Mheer door bijvoorbeeld Banholt en Margraten en die van Margraten weer door Noorbeek. De meest bekende uit vroeger jaren, tenminste zoals ze in Margraten genoemd werden waren d' r 6/8 (zie: afbeelding 4), die van Mheer, "Modder de kets. ." en vooruit Mina. (zie: afbeelding 5) Is deze laatste wel een "echte" cramignon? Deze melodie komt n.l. ook voor in Potpourri Populaire no 1 van F. Renaud. In Mheer heette er nog een rej "d' r Sol". Ergens noemde men een cramignon "d'r re-sol". (zie: afbeelding 6) Mogelijk is deze dezelfde als de vorige.

Een z. g. dorps-cramignon had men in de meeste plaatsen niet. Groridsveld heeft wel een eigen cramignon die men niet of moeilijk in handen krijgt. Waarschijnlijk heeft Eijsden de meeste variatie. Ook heeft Eijsden cramignons welke buiten Eijsden nauwelijks bekend zijn. Dat wil zeggen: vroeger waren deze cramignons buiten Eijsden onbekend.

Toch had niet elke vereniging typische cramignon-muziek. Rejjen deed men overal in Limburg en ook elders in Nederland, zoals in Gelderland en Overijsel. Men rejde dan op gewone, meest licht loopmarchen, of andere populaire muziek zoals bijvoorbeeld "Holland jubelt" 

DE ECHTE CRAMIGNONS.
De echte cramignons werden en worden zover schrijver dezes bekend alleen gespeeld door Grondsveld, Eijsden, Sint Geertruid, Mheer, Banholt, Noorbeek, Slenaken, Epen en Margraten. Dus plaatsen langs de grens met als uitschieter Margraten. Ook Voeren en Sint Meerten speelden cramignons. In deze laatste plaats niet in verenigingsverband maar door enkele muzikanten van de harmonie. Op 2e kermisdag werd door deze muzikanten ook in Sint Pieter cramignon gespeeld.

Leden van de harmonie in Voeren spelen tot op heden deze muziek. Aubel en Teuven kennen deze muziek niet evenals aan onze kant Cadier en Keer en Bemelen en vreemd genoeg ook Eckelrade. Wel werd in Eckelrade, door meestal oudere muzikanten, die er een of meer kenden van horen spelen deze weleens ten gehore gebracht na afloop in de buurt van het buffet. Cadier en Keer, Bemelen en Eckelrade zijn wel tamelijk jonge verenigingen, opgericht respectievelijke in 1921,1914 en 1920. Ofschoon Noorbeek pas in 1927 werd opgericht was men daar wel met deze muziek vertrouwd wat verband zou kunnen houden met de ligging van deze plaats. Ook Epen is een uitzondering omreden deze Harmonie pas werd (her) opgericht in 1938. Volgens Et. Franssen,reeds 50 jaar lid, was er tot 1934 wel een Harmonie maar stelde met slechts enkele leden niet veel voor. Na de heroprichting in 1938 werd de cramignon muziek daar bekend door het meespelen van muzikanten uit Noorbeek en Slenaken. Het aangrenzende Mechelen opgericht in 1834, zou deze muziek niet, kennen.

De andere echte cramignons spelende verenigingen zijn opgericht, volgens drapeau: Mheer 1821; Grondsveld 1835; Margraten 1852: Eijsden 1974 (De Blaw) en 1880 (De Roej) Voeren 0890; Banholt en Slenaken 1895 en Sint Geertruid 1905. Het oprichtingsjaar van de Harmonie van "Sint Meerten" is niet bekend. De eerste oprichting van Sint Geertruid is echter 1843, van M'graten 1846.

WAAR KON MEN DEZE MUZIEK KOPEN?
Nergens! Partijen van cramignons bestonden zo goed als niet. De enige "echte", partij in mijn bezit is afbeelding 7. Hier staat zelfs een komponist op. Deze partij kan van mijn grootvader zijn geweest die omstreeks 1900 lid van de fanfare was. De andere cramignons werden op het gehoor nagespeeld. Ook vroeg men wel eens om enige maten met de namen der noten voor te zingen. Nadat er nodige mi-bemollen onder de pupiter en zelfs onder "d'r kios" waren terecht gekomen kon er op het einde van de avond al vrij aardig meegespeeld worden. Voor echte "laammekersj" heeft ondergetekende vaker wel eens een partij uitgeschreven. Verschil in partijen bestond niet. Zowel Piston als Bombardon speelden dezelfde noten zij het dat de blazer van dit laatste eksterment" de "leuperkes" verving door kwayy rten of halven of, een baspartij van eigen compositie speelde. Ook werden door leden met een goed muziekgehoor eigen arrangementen bijgemaakt, zoals bijvoorbeeld een 2e partij of een tegenzang en door iemand die handig was met de ventielen de nodige triolen ingepast. Als deze laatste ook al eens een maat doorschoot mocht dat de pret niet drukken.

HOE WERD CRAMIGNON GEDANST?
Vrij eenvoudig. Gewoon hand-in-hand springend op de maat van de muziek al of niet in een kring. In sommige plaatsen danste of rejde de kapitein van de Jonkheid voorop gevolgd door de rest.

Stond er ergens een deur open dan slingerde men hier naar binnen en door een andere deur, mits aanwezig weer naar buiten. Was die andere deur er niet, zo kon men van een probleem spreken. In Noorbeek is enkele jaren geleden aan een aldaar wachtende VSL-bus aan de voorkant ingerejd en aan de achterkant weer uit. Niet een keer maar continu gedurende een 5-tal minuten. Toen kreeg de chauffeur de kans om de deur te sluiten.

In Margraten werd gerejd in een of meer kleinere of grotere kringen. Vanzelfsprekend dansten geen 2 mannelijke personen hand in hand. Was dit wel het geval dan werd er al snel van "flabbesse" gesproken. Voor het schone geslacht gold dat niet. Integendeel. Als er meerdere dames naast elkaar rejden was dit meer een uitdaging aan de ferme stoere knapen langs de lijn. Zeker als er zich onder dezen mogelijke candidaten bevonden om later de echtelijke sponde mee te delen.

IN HET VOLGENDE NUMMER:
Het spelen van de cramignon o.a. met "de Broonk" en het onbruik geraken hiervan. 

D'r Lej va Merregraote. 

KLEINE LANDSCHAPSELEMENTEN, NOODZAKELIJK IN HET LANDSCHAP.
In de streken waar van oudsher veeteelt wordt beoefend, zoals de Voerstreek, het Land van Herve, Nederlands Zuid-Limburg en de Haspengouw komen sinds eeuwen in het landschap waterplassen/poelen voor. Deze zijn door de mensen gegraven voor verschillende doeleinden:
1. Het verzamelen en het opslaan van overtollig regenwater, dat anders snel van de hoger gelegen gebieden naar lagere terreinen zou stromen.
2. Het laten drinken door het vee. (koeien, paarden, schapen enz.
3. Het voorkomen van erosie, door het ontbreken van de waterstromen.

De voordelen voor de landbouwers, veetelers en andere grondgebruikers waren en zijn duidelijk:
a. Het gebruik van regenwater is goedkoper dan het aanwenden van grondwater en leidingwater.
b. Het grondgebruik werd ekonomisch en efficiënt benut. Een poel/ waterput neemt relatief weinig plaats in beslag
c. Door eeuwen ervaring/overlevering van geslacht op geslacht wist men dat veel goede grond wegspoelde -en nog wegspoelt naar lager terreinen, naar beken en riviertjes en tenslotte belandde/belandt in de rivieren en de zee.
d. Een bijkomend voordeel voor de gebruikers van gronden in de lager terreinen was en is, dat men beken en riviertjes minder vaak hoefde/hoeft schoon te maken en uit te diepen. 

In vroeger eeuwen en vanaf de 15e a 16e eeuw met zekerheid hadden de waterschappen/hoogheemraden de taak controle bij de grondgebruikers uit te oefenen op de reiniging van de waterlopen. Teneinde de erosie, het rigoureuze dichtslibben en waterverspilling tegen te gaan, werd in onze landen (Nederland, België en Duitsland) in de jaren 60 plannen ontwikkeld door allerlei instituten om het overheidbeleid om te buigen in een andere richting. De verschillende overheden vaardigden, de ene sneller dan de andere, maatregelen van bestuur en wetten uit om de teloorgang van de vele karakteristieke landschapselementen te bewaren c.q. te herstellen. We kunnen hierbij denken aan hoogstamfruitbomen, knotwilgen, poelen, graven of graften, holle wegen, landbouwwegen, windsingels, bosjes enz. Doordat de verschillende overheden hun beleid vaak minder goed op elkaar afstemmen; Denk aan:
1 Ruilverkaveling
II Premies voor kappen van hoogstamfruitbomen
III Het opruimen van hagen en poelen en bomen
ontstond onder de mens en een funeste mentaliteit t.o.v. het hem omringende landschap en de veranderende natuur. Daardoor verdwenen en verdwijnen nu nog bomen, graften, hagen, poelen en wordt het landschap nog steeds geëgaliseerd voor een z.g. effektiever landbouw- en veeteeltgebruik. En daarom proberen industrieën nog steeds met steun van de verschillende overheden en ministers delfstoffen uit onze landschappen te wroeten, liefst in onbeperkte hoeveelheden (bijv. mergel, zand, grind, steenkool, gesteenten). Deze ontwikkelingen zijn versneld door de mechanisatie in de landbouw en de technische ontwikkelingen in de industrie. Produkten van landbouw, veeteelt en tuinbouw en grondstoffen en eindprodukten zijn noodzakelijk voor de welvaart. Maar zijn alle bovengeschetste ontwikkelingen ook steeds welkom voor ons welzijn?
Teneinde beter vat te krijgen op de kringloop van landschapsontsierende en grondstoffenverslindende ontwikkelingen besloten de overheden in de verschillende regio's om ons heen (de z.g. Euregio) meer de wetgeving op elkaar af te stemmen, zodat grensoverschrijdend een heilzamer en gerichter beleid kan worden gevoerd. De Europese Commissie en het Europees Parlement krijgen hierin steeds meer bevoegdheden en kunnen sancties nemen. Er werden instellingen uit de grond gestampt. O.a. in Nederland het I.K.L.(=Instituut voor Kleine Landschapelementen). Milieugroepen in de diverse landen hielpen en helpen de eigenaren een handje door vrijwilligers onderhoud te laten verrichten aan landschapselementen. Resultaten van deze werkzaamheden zijn al te zien en menigeen heeft er al mee te maken gehad.:
1. boomsingels zijn aangeplant
2. poelen zijn hersteld
3. wandelpaden zijn heropend
4. ruilverkavelingsplannen zijn gewijzigd. Uitvoer of al uitgevoerde ruilverkavelingen zijn later bijgesteld.
5. vuilverbrandingsovens en stortplaatsen worden gepland en uitgebouwd. 

Het doel van een en ander is de grondgebruikers, wie dat ook mag zijn, bewuster te 'naken van de hen omringende natuur. 

Samenvattend kunnen we stellen dat:
1 door de mentaliteitsverandering en bewustwording van grotere bevolkingsgroepen en
II de wetgeving van de laatste 20 jaar en de hoewel nog vaak gebrekkige kontrole op deze maatregelen van de overheden er een kentering gaande is die hopelijk het tij zal doen keren. We zijn er nog niet. De tijd zal leren welk oordeel de volgende generaties over ons zullen uitspreken betreffende de houding van de hedendaagse generatie. Laat de zondvloed nog even wachten en de poolkappen hun sneeuwhoeveelheden behouden. 

Fred de Warrimont.

D'r Koeënwòòf nr 03 (1990/3)

Van de in "D'r Koeënwòòf" nr. 3 op blz. 30 afgedrukte Tirailleur march is de trio door ondergetekende foutief verbeterd. Hieronder de juiste maatverdeling. Met dank aan Jean Lorquet. (wg.) D'r Lèj va Merregraote.

INHOUD
Verslag.........................................................26
"zow v'r 'ns ne rej spèle (deel 2).......................27
Publikaties.....................................................31
Vlöggele, rijdansen in Ootmarsum? ..................33
Kontakten.......................................................33
De ondergrond van de kerkheuvel van Sint-Martensvoeren...........34
Bodemvondsten bij de kerk van Moelingen.........................40
Gedicht --- Charlotte Noteboom - .......... 42

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. 5.7.1990.
Deze bijeenkomst is helemaal gewijd aan de Trip-Sop-stand van onze Heemkring. De stand heeft als thema "Stroperij". We hebben allerlei stropersmaterieel bekeken en besproken, zodat we aan het eind van de bijeenkomst wisten waarvoor al die vreemde vallen en haken nu precies gebruikt werden. We zullen Sjef Wanders vragen of we van hem een das en een steenmarter kunnen lenen voor de stand.
We willen ook oude foto's en postkaarten afdrukken en verkopen. D'r Koeënwòòf nr. 2 wordt er ook verkocht. 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. 2.8.1990.
Tijdens deze bijeenkomst hebben we de inhoud van D'r Koeënwòòf' nr.3 besproken. We hebben besloten dat de volledige verslagen van de bijeenkomsten niet meer in ons blad worden opgenomen. De belangrijkste agendapunten en eventuele besluiten zullen wel steeds, in vorm van een kort verslag, opgenomen worden. Zodoende blijven de geïnteresseerden toch op de hoogte van ons werk. We zullen moeten vast leggen wat er met het archief van de Heemkring lgeebeurd als deze vereniging opgeheven wordt. We hebben gedachten uitgewisseld, voor's en tegen's van bepaalde voorstellen afgewogen, maar tot een besluit zijn we tot nu toe nog niet gekomen.

We zullen de hoofd-verantwoordelijken van de verschillende voerense afdelingen van de "Drie maal twintigers" aanschrijven met de vraag of enkele leden van de Heemkring, tijdens een bijeenkomst van de "Drie maal twintigers" een gesprek kunnen hebben met geïnteresseerde bejaarden rondom het brede thema: "Oet vreuger jaore "

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. EN MILIEUGROEP VOEREN 12.8.1990.
Deze beide verenigingen wilden gaan samenwerken op drie punten: De heemkring kan een bijdrage leveren aan de dia-lezingen die de milieugroep elk najaar organiseert.
We nodigen gezamenlijk en in samenwerking met Herberg "De Swaen" "Monumenten en Landschappen" uit om eens een kijkje te komen nemen in de Voerstreek. Leden van de heemkring zijn bereid om in het voorjaar te helpen met de paddenoverzetaktie.
Tijdens deze bijeenkomst is aan deze punten een konkretere inhoud gegeven.
 
"ZO VER `NS `NE RIJ SPèLE."(deel 2) 

Wanneer werd er cramignon gespeeld of werd er "gerejd"?
Bijna bij elke gelegenheid als de fanfare uittrok, uitgezonderd begrafenissen en rondgang voor donateurskaarten. Bij deze laatsten bleef men binnen. Zeker werd cramignon gespeeld met de "broonkkermis `t. Verder bij gelegenheid van de fancy-fairs, jubeleumfeesten van verenigingen of plaatselijke notabelen, oranjefeesten e.d. Kort gezegd als er iets te feesten viel in het dorp.

Op "Broonkzoondèg en Maondèg" was er, als het tenminste niet regende, een concert "en plein air". Begonnen werd om 5 uur (en een half) met een marche, daarna twee of drie muziekstukken en tenslotte weer een marche. Vervolgens speelden een of meer verenigingen uit de omgeving ook enkele marchen en stukken en daarna weer de eigen vereniging, wiens leden hun tijd zeker niet in ledigheid hadden doorgebracht. Nu echter alleen loopmarchen. Was het nog vroeg op de avond dan werd na een march of vijf nog gauw een kleine "ademhalingspauze" ingelast. Later op de avond was deze niet nodig want hierin voorzag het bestuur of andere sponsors. Op de genoemde loopmarchen werd door vroege vogels reeds "gerejd". Na enkele marchen werd dan de boven deze proza staande vraag gesteld: "Zow v' r ns ne rej sjpèle?" Begonnen werd meestal met "d'r 6/8" die `n keer of 5 a 6 herhaald werd. Bij de laatste herhaling speelden we dan de laatste 16 maten enigszins vlugger. Later op de avond werden deze 16 maten uitgebreid tot de gehele laatste herhaling met als slot enkele zeer langzaam gespeelde maten van eigen compositie. Dat er dan naast de eerder genoemde mi bemollen ook de nodige si bemollen verloren gingen behoeft geen verdere verklaring. Na de 6/8 werd dan bijvoorbeeld die van Mheer ten gehore gebracht, gevolgd door "Mòder de kets" , "Vooruit Mina" en ook wel "Sarie Marais". Tegen een uur of half 10 herinnerden de dan nog aanwezige muzikanten zich het gezegde van de Heer "Gij zult de dorstigen laven" en begaven zich "blaozentaere" naar een onder een boom aangebrachte grote tafel voorzien van de producten van nijvere ambachtslieden uit Valkenburg, Gulpen of Wylre. (U weet wel: het bier waar Limburg trots is op geweest.) Met de moed der wanhoop ging het hier verder tot de kwaliteit van de muziek als ook de kwantitiet van de blazers zodanig geslonken was dat voortzetting geen doel meer had. Immers een groot gedeelte van de muzikanten, vooral de jongere garde, was ook zoekende naar een sponde-genote en van de overgeblevenen had een gedeelte hun "ekstrement" uit voorzorg aan iemand in bewaring gegeven, meestal aan de niet zeer vriendelijk toekijkende andere helft van zijn trouwboekje. Ook de uitbater sloot zijn zaak waarmee een einde kwam aan liet feest, zeker toen het licht in de feestweide nog niet uitgevonden was. Het kwam ook voor dat men zich tegen het invallen van de duisternis "blaozentaere en rejjentaere" begaf naar de contreien van de kerk waarin de aldaar gelegen staminekes men wel beschikte over "den èllentriek" en men dus nog even verder kon. Hier werd de laatste "sjtub" weggespoeld, opgedaan tijdens de kilometers lange stoffige wegen van "d'r broonkwèèg". 

Als ook hier de laatste klanken verstorven waren zag men velen met z'n tweeën wegtrekken die het plan hadden opgevat de fanfare mettertijd van nieuwe leden te voorzien ofschoon de kinderbijslag weinig of niets voorstelde. Op "Broonkmaondèg" en vroeger ook op dinsdag werd bovenstaande nog eens overgedaan maar nu zonder gastverenigingen. Waren er geen andere festiviteiten tijdens de kermis? 

Voor de oorlog niet, uitgezonderd de gewone kermisattracties zoals de "mèùlekes" voor de kinderen en de "zjweefcarrousel" en de "sjòkkele" voor de groten. Na de oorlog was er kermismaandag en dinsdag dansen en raakte de cramignon spoedig in verval. Men kon nu tijdens de foxtrot of Engelse wals en naderhand gedurende de samba of de raspa zijn aanstaande beddergeno(o)t(e) uitzoeken. 

Het in onbruik raken.
Het spreekt vanzelf dat dit niet van de een op de andere dag gebeurd is. Op 22 juli 1945 was er een optocht naar het Amerikaans Kerkhof, georganiseerd door een bond van schutterijen. Ondergetekende maakte toen als 15 jarig broekemanneke (is niet waar, ik had toen nog een "poefbrook" aan) met nog vier andere zijn debuut bij de fanfare, na een opleiding van twee maanden. Ons hele repertoire bestond uit drie lichte loopmarchen welke wij trachtten tot een goed einde te brengen wat ook vrij aardig gelukt is. Er kwam tenminste niemand na met "unne tuut". Na afloop was er nog een concert op de "miewèj" (maaiweide). Bij het invallen van de duisternis trok onze fanfare over de drukke (!) Rijksweg Maastricht-Aken richting kerk, omringd door een "rejjende" menigte. Men speelde toen geen cramignon maar de Tirailleur marche (zie; afbeelding) een lichte loopmarche die iedereen van buiten kende behalve wij nieuwelingen. In ons dorp werden door de Jonkheden van Margraten, Termaar, Groot-Welsden en `t Rooth weidefeesten georganiseerd. Tijdens deze feesten werd nog vele jaren na de oorlog "gerejd". Termaar en Groot-Welsden kennen deze weidefeesten nog, maar er wordt geen cramignon meer gespeeld, laat staan "gerejd", uitgezonderd een jaar of acht geleden. Toen werd door een groep oud-muzikanten van Groot-Welsden de 6/8 gespeeld. Nadat er een 10-tal maten voorbij waren werd er, door deels ouderen, spontaan "gerejdfl Op eerder gespeelde marchen reageerde men niet. De weidefeesten trokken steeds minder publiek en degenen die kwamen, kwamen zeker niet om te "rejjen ". Op het laatste waren er bij wijze van spreken evenveel bezoekers als muzikanten. Toch zijn we nog geregeld cramignon blijven spelen ook nadat er niet of bijna niet meer "gerejd" werd. Tenslotte zijn we er toch maar mee opgehouden behalve af en toe tot eigen plezier. Om nu precies een jaar te noemen is onmogelijk. Na 1950 is het beduidend minder geworden en in 1960 was het voorbij, misschien eerder.

Dit strookt ook met inlichtingen uit de omliggende dorpen uitgezonderd St. Geertruid en Mheer waar dit elk jaar nog gebeurd. In Reijmerstock werd zeker nog nog tot begin jaren 60 "gerejd" (mogelijk ook later). Hier was ook geen dansen met kermissen en andere feesten. In Slenaken heeft men een aantal jaren geleden geprobeerd dit nieuw leven in te blazen maar is mislukt. Bij gelegenheid van "Boeren in het Geuldal rond 1900" te Epen werden een aantal bewerkte cramignons gespeeld en op commando " gerejd". In Banholt nog af en toe maar dan bij een speciaal feest. Ook Noorbeek is omstreeks 1950-1960 opgehouden maar sedert enkele jaren weer begonnen maar nu met bewerkte cramignons. Met bewerkte cramignons wordt bedoeld voor elke instrumentengroep een partij. Gronsveld speelt elk jaar nog cramignon maar alleen op "Broonkmaond'eg". Eijsden is bekend. Eckelrade sedert 1950, of vroeger niet meer. Evenzo Cadier en Keer en Bemelen. Betreffende Sibbe, Wylre en Gulpen is mij niet bekend maar waarschijnlijk op eerder genoemd tijdstip. Of Noorbeek volhoudt zal de tijd moeten leren. 

Met dank voor de inlichtingen aan: Lèj Simons en Francois Kool uit Slenaken, Sjir Beckers van Schilberg, Sjof Drummen en Sjof Custers uit St. Geertruid, Sjeng Munnix uit Banholt, Lambert Janssen uit Noorbeek, Giel Senden en Funs van Gerwen uit Mheer, Nic. Ubags uit Cadier en Keer, Etienne Franssen Epen, Martin Piters Eckelrade, Sjaak Heijnen uit Gronsveld en de leden van de Heemkring Voeren e. o.

PUBLIKATIES
"De eerste oorlogsdagen van mei 1940." in: Voeren Aktueel; jaargang 8; nummer 2; september 1990.
" 's-Gravenvoeren": door R. Brouwers.
"Sint-Martensvoeren, een interview met Maria Schillings-Lebeau. door J. Nijssen.
"De Plank en Teuven, een interview met Mw. Heusschen-Muytjens": door: J. Nijssen.
"Remersdaal: het verlies van een zoon": door J. Beckers.
"Op Schilberg, mijn herinneringen"; door J. Nijssen.
"'s-Gravenvoeren-Hergenrath, een plechtigheid": door J. Nijssen.
Abonneren op Voeren Aktueel kan gebeuren door storting van 330 Bfr. op rekening 735-3540261-40 van VOEREN AKTUEEL, p.a. Maria Brouwers-Demollin, Mennekesput 226, 3798, `S Gravenvoeren, tel. 041-810612. 

Getuigenissen van mensen die het begin van de Tweede Wereldoorlog in de Voerstreek meemaakten en waarin een helder beeld geschetst wordt van de hachelijke positie waarin de "gewone" Voerense dorpsmens toendertijd verkeerde. Onmacht en desinformatie, verwarring en leed.. . En angst voor een mogelijke herhaling van de inval in 1914 en de oorlog die erna volgde. Het onvervreemde besef van die eigen positie, dat een "gewone" Voerense dorpsjongen in oorlogstijd niet meer is dan een "gewoon " soldaat die de gevaarlijke klussen moet opknappen, lijdt vanzelfsprekend tot het verkiezen van een bezetting boven een oorlog. Natuurlijk was men Leopold 111 dankbaar toen hij, om welke reden dan ook, kapituleerde. De verzamelaars van deze getuigenissen, de benaming "anekdotes" die in de inleiding gebezigd wordt heeft m.i. toch een ietwat te neerbuigende gevoelswaarde, leverden met dit artikel een bijdrage aan de Voerense geschiedenis en daarbij, en dat is zeker niet minder van belang, wordt geschiedenis geschreven van mensen die zich in andere maatschappelijke posities bevinden dan diegenen die onze geschiedenisboekjes gewoonlijk vullen. 

"Prat op plat. Een themaboekje over dialekt." Samenstelling: Heili Bassa. Een uitgave van: Het Algemeen Plattelands Jongeren Werk; 1989. Besteladres: Postbus 816, 3500 AV Utrecht, 030- 730830. Het APJW is een samenwerkingsverband van drie landelijke organisaties, Plattelands Jongeren Gemeenschap Nederland, Nederlandse Christelijke Plattelands Jongeren, Katholieke Plattelands Jongeren Nederland. Een themaboekje dat jongeren wegwijs wil maken in hun eigen tweetaligheid. Door de landelijke aanpak van het thema leren jongeren dat zich in hun streek vaak dezelfde verschijnselen voordoen als elders in Nederland. Een indruk:
"Import kent geen dialekt". Import mensen zeggen wel eens: "Ik vind het zo vervelend, als ze onder elkaar dialekt gaan praten, want dan versta ik het niet meer" .Voor mensen die pas in een streek komen wonen kan dat opgaan. Maar als mensen al meer dan 10 jaar in een streek wonen hoeft dat geen barriere meer te zijn. Er zijn mensen die naar de volksuniversiteit gaan voor een kursus Spaans. "Ja, enig, want we gaan elk jaar naar Spanje op vakantie en dan kunnen we tenminste met de mensen praten." Waarom wel een taal leren voor je vakantie en niet de taal van de streek waar je woont of komt te wonen? Heeft dat niet te maken met een vooroordeel, dat je wel wilt genieten van een streek, maar er niet volledig mee verbonden wil worden? Zo gauw import mensen dialekt gaan spreken krijgen ze nogal eens de reaktie van dialekt-sprekenden: "Doen niet zo raar, dat klinkt jaa ner' ns naar. Ik vertstao oe wel, praat maar gewoon Nederlands". Je leert echter pas een taal, dus ook het dialekt door het te spreken en fouten te maken. Niet iedereen hoeft het dialekt te leren spreken. Als mensen het kunnen verstaan, is er al veel gewonnen. En dat verstaan gaat vrij gemakkelijk als je je er ook echt voor openstelt." 

Plaat dialektmis "Zonder omwaeg". De plaat is opgenomen in de basiliek van Sint-Odiliënberg en is uitgekomen bij Eurosound Studio's, Dijkstraat 5, 6674 AG Herveld, tel. 08880-1048 onder nummer ES 46.974.
"Limburgse vrouwen in de 19e en de 20e eeuw"
Op 14 september1990 is een boek verschenen waarin speciale aandacht geschonken wordt aan de rol van vrouwen in de 19e en de 20e eeuw. De titels van de bijdragen zijn onder meer:
- Limburgse dienstmeisjes in België;
- Plattelandsvrouwen in Limburg;
- Hulpverlening aan ongehuwde moeders in het centraal R.K. Moederhuis;
- Naar het voorbeeld van de Maastrichtse Mater Amabilisschool. Het boek kost fl9,90 en is te bestellen door storting van dit bedrag op rekening nummer 1055806 t.n.v. Limburgse Vrouwenraad, Roermond 

"Das adlige Damenstift von Sinnich" door: Viktor Geelen. In: "Im Göhltal" nr. 46, februari 1990. Blz. 48 t/m 51. Informatie bij de "Vereinigung für Kultur, Heimatkunde und Geschichte im Göhltal", sekretariaat: Maxstrasse 9, 4721 Neu-Moresnet, tel. 087-657504. Een kort artikel over het ontstaan van de abdij van Sinnich, het reilen en zeilen binnen het klooster en het einde ervan.

"Das Franziskanerkloster in Volkerich (Gemmenich) " door: Alfred Jansen. In: `tim Gohltal" nr. 46, februari 1990. Blz. 81 t/m 97. Een artikel over het ontstaan van dit klooster en de verschillende funkties die het in de loop van de tijd heeft gehad.

"Kelders i genne Pley." door: Jean-Marie Ernon. Meer informatie: Pley 220, 3798 `5 Gravenvoeren. En boekje over appelwijn of cider geschreven door een Voerense appelwijnmaker.

Te verwachten publikatie.
"Monumenten van geschiedenis en kunst. Margraten, Mheer en Noorbeek" door De Heer Schulte. Te verwachten rond 20.12.1990. Verzameld door B. Mergelsberg. 

VLÖGGGELEN, RIJDANSEN IN OOTMARSUM (OVERIJSSEL)?
De onderstaande tekst is overgenomen uit: "Paasagenda 1990" van Ootmarsum. "Hoe oud het gebruik is weet niemand. In de Overijsselse Almanak van 1840 wordt het genoemd. Dat het, zoals de volksmond wilde, herinnert aan het processiegewijs ter kerke gaan van de kloosterlingen uit Weerselo, is niet erg waarschijnlijk. Mogelijk hebben de middeleeuwse paasprocessies invloed gehad op de vorm van het gebruik, maar naar de inhoud is het zonder twijfel ouder en herinnert het aan de lentereidansen, die o.a. in Limburg en Cornwall voortleven.

In het jaar 1215 trof pater Olivarius uit Paderborn, toen hij de inwoners van Enschede tot een kruistocht wilde opwekken, de mensen daar bezig met het uitvoeren van een rijendans, waardoor zij niet naar zijn prediking wilden luisteren.

Meester W.J.C. van Wijngaarden (1818-1882) te Rijssen schrijft: "In Ootmarsum danst de jeugd hand in hand door de huizen, waarvan de bewoners die dag de voor- en achterdeuren voor de joelende menigte moeten open laten staan

Een uitgelaten dans is het nu in elk geval niet meer. En heel het Ootmarsums paasgebeuren heeft toch wel sterk het stempel van een christelijke viering gekregen."

Louise Reestman.

KONTAKTEN (J.N)
5 sept. 1990: met C. De Decker uit Erembodegem (prov. Oost- Vlaanderen), over vliegtuigen die in W02 zijn afgevallen (kontakt gelegd door Jeugherberg).
8 sept. 1990: deelname te Gerlingen (Guerlange) bij Aarlen (prov. Luxemburg) aan een colloquium over de herwardering van het oude kerkhof aldaar. Dit kerkhof heeft belang voor de algemene teorie over grafkruisen. Biezonder aan deze aktie van Gerlingen Is, dat ze ingezet is door een klas (16 tot 18--jarigen) van een school: jongeren die aktief aan de herwardering van hun dorp werken.
10 sept. 1990: met J.C.A. De Clerck uit Opwijk, over een grafsteen van de familie "van Zinnich" te Baardegem (Aalst, prov.Oost-Vlaanderen), die beweerde af te stammen van Hendrik van Zinnich, gestorven in 1309 en begraven in het klooster van Zinnich (kontakt gelegd door Guido Sweron).
 

DE ONDERGROND VAN DE KERKHEUVEL VAN SINT-MARTENSVOEREN
We zijn maar met weinigen die het gezien hebben: de man op de graafmachine (fa. G. Dupont, St. Lambrechtsherk), de man van de verwarming, (fa. Gomala, Alken), Jaak Lemmens en Hubert Franssen, resp. voorzitter en penningmeester van de kerkfabriek, Jef Colemont, pastoor, Theo Hick, gebuur, en - gewoon uit archeologische belangstelling: Bep Mergelsberg, Henri Straet, Elza Vandenabeele en ondergetekende. 

Er werd op 28 augustus 1990 een kuil gegraven voor de nieuwe verwarmingstank van de kerk. Het gat werd tenslotte 2 m diep. Naast de ketel konden nog met een grondboor de diepere lagen onderzocht worden (boring 121); we maakten van de gelegenheid gebruik om twee verdere boringen uit te voeren op het kerkhof: een ten W van de kerktoren, vlak bij de kerkhofmuur (boring 124), een ten N van het kerkschip (boring 125). Ook hebben we in de omgeving wat gewaterpast. De opgedane ervaringen werden besproken met Guido Kremers van het Gallo-Romeins Museum van Tongeren, dat bevoegd is voor alle -ook niet-Gallo-Romeinse opgravingen in de provincie.

Wat werd er gevonden (schets afb. 1)?
a) In de kuil zat bovenaan een laag "gewone' aarde, ca. 1 m dik, met daarin wat botten en een Duitse militaire helm; het moet hier wel om aangevulde grond gaan, want
b) de laag daaronder, ook ca. 1 m dik, bestond uit puin van een gebouw, met stenen tot ca. 10 dm3 inhoud, meestal silex, met eraanklevende kalkmortel; - In het puin werden wat botten en een glasscherf gevonden (tenzij deze bij het graven uit een hogere laag hier terecht is gekomen! Bij de boring 124 kwamen we na 1 m 70 m op een harde laag, die kalkmortel scheen te bevatten. Ook is bekend dat men, bij het werken aan het graf Ernens-Deleval, vijf m ten ZW van de toren, met zware steenbrokken had af te rekenen.
c) Heel onderaan in de kuil, in de NO-hoek, een laagje van ca. 10 cm dik, korrelige roodverbrande leem met stukjes verbrand hout; in deze laag zijn er geen sporen van plantengroei.
d) Daaronder kwamen we op een laag donkerbruine vrij homogene aarde, die bij het dieper boren 80 cm dik bleek te zijn.
e) Dieper ligt op die plaats gewone gele leem, ter dikte van 85 cm,
f) en tenslotte moest het boren opgegeven worden omdat we op "van die groene" zaten, met stukjes steen erin, waar niet doorheen te geraken is. Tussen de "groene" en de löss zat er geen mergel. Een vergelijking met het profiel van de omgeving leert dat deze "groene" een meter hoger ligt dan de bodem van de waterloopjes, de Veurs en de Voer, die in de nabijheid van de kerk, namelijk in "De Mot" samenvloeien. En daar geeft de topografische kaart van het NGI de hoogte 125 m boven de zeespiegel aan.

Wat betekent dit alles nu?
(f) De "groene" is de Vaalser Laag (Assise de Herve), die uit ondoorlaatbare klei bestaat met daarop een waterlaag. Inderdaad, in de buurt, bij de Veurs, ligt drassige grond.
(e) Onmiddellijk daarop volgt een relatief dunne laag löss (=leem). - Tussen de "groene" en de löss ligt zoals al gezegd geen mergel: op deze plaats was derhalve de secundaire kalklaag al weggespoeld, toen in de ijstijden de löss door de wind werd aangevoerd.
(d) De donkerbruine laag daarboven is dan de oude "natuurlijke" bodem (plus oud kerkhof?)

Tot hier dus het oorspronkelijk, natuurlijk profiel, dat op 126.8 m ligt; ter vergelijking: het hoogste punt in de Kerkstraat, meteen de waterscheiding daar ter plaatse, ligt op 127.3 m.
(c) Dan komt de rode laag met verbrand hout, die we aanzien als de resten van een afgebrand gebouw uit vakwerk,
(b) en daarop het puin van een ingestort bouwsel, dat niet het eerste het beste moet geweest zijn, maar een stevig gebouw uit vrij dikke "klauwe". 

- Tussen de rode laag en het puin is er geen zwarte laag die op tussentijdse bewoning zou duiden, en er zijn geen sporen van plantengroei in de rode laag zelf; daarom nemen we aan dat er tussen de beide gebeurtenissen: de brand van het vakwerkgebouw en de instorting van het belangrijke stenen gebouw, weinig tijd is verlopen. Men zou zelfs denken aan eenzelfde aktie, waarbij het vakwerkhuis werd afgebrand, en het stenen gebouw neergehaald; dit laatste zou wat meer tijd in beslag genomen hebben; een overval dus, een oorlog.
De grote massa van de huidige toren verschilt in zijn konstruktie van de delen die tegen het kerkschip aanliggen: deze bestaan uit kleinere steen en dit metselwerk komt zowat overeen met die van het puin uit de kuil. Daarom stellen we ons het volgende voor: een oude vakwerk-gebouw werd ooit afgebrand, en de ernaast staande toren moedwillig vernield. Dit puin hoogde het terrein ter plekke met ca. 1 m op.

Die eerste toren moet ongeveer zo groot geweest zijn als de huidige: de twee "oude" delen liggen in de vlakken van de huidige. Even omrekenen nu: de huidige toren (7 x 7 m, bij 1.25 m gemiddelde muurdikte en 15 m hoogte) omvat ca 320 m3 steenmassa; van de veronderstelde oude toren is de oostmuur blijven staan, rest 3/4 of 240 m3; uitgespreid tot een laag van ca. 1 m dik geeft dat een schijf van ca 17 m doorsnede. Niet te vergeten: van die hoop stenen zal in de loop der tijden wel wat zijn weggehaald voor gebouwen in de omgeving, waarschijnlijk voor de westelijke kerkhofmuur (30 m lang x 2 m hoog x 50 cm dik = 30 m3), die uit zeer gelijkende steen is. Of de rode laag op een oude kerk wijst, is niet zeker. 

(a) Na herbouw van kerk en toren werd het omgevende kerkhof beetje bij beetje opgehoogd; daar kwam de grond van de fundamenten van de opeenvolgende kerkgebouwen bij (in de oostwand van de noordelijke zijbeuk zit nog oud metselwerk; het huidige kerkschip en koor zijn van resp. 1728 en 1730). In elk geval ligt de vloer van de huidige kerk 2 m hoger dan het oorspronkelijke natuurlijke oppervlak, -meer dan manshoog- dit aan de westkant van het schip. Vermelden we nog dat in 1254, de kanunniken van Sint-Martensvoeren een zaak van tienden van Sint- Pietersvoeren (oudste vermelding 1242) regelden met de kommanderie van Aldenbiesen - meteen de oudste bekende vermelding van Sint-Martensvoeren.

En verder kijkend...
- Een oude vraag. Vanuit de Mot gezien valt het op dat de kerkheuvel, die zich voortzet in de aanpalende wei en tuin over een oppervlakte van n paar honderd m2, een uitgesproken knobbel vormt (tekening afb. 3); is dat een natuurlijke dan wel een kunstmatige hoogte? We nemen aan dat de puinmassa, die we enkel op het kerkhof konden registreren, zich daar voortzet, en de kern vormt van die knobbel. De bovenste 2 m a 2 m 50 zijn daar dan kunstmatig: puin en daaropliggende bouwlaag (vroeger deel van kerkhof?) Tussen de Mot zelf en de top van de heuvel is er een verschil van 5 m. 

Bij studie van de topografische kaart en van het terrein ziet men dat de waterscheiding Voer-Veurs loopt van De Stroevenbos ( op 4.8 km van de kerk) en het Vrouwebos, over De Domen, over de weg Krutsberg-Sint-Pieter, over De Knap (bij huis Kerff), over de weide tussen de wegen naar Het Veurzerveld en De Knap, over het pleintje aan De Vogelstang, over de Hofferstraat, (bij huis Droeven), over de Kerkstraat (bij winkel Colin-Damseaux), en dan vlak ten ZW van de toren van de kerk (kaart afb. 2). De kerk staat ongeveer haaks op deze lijn; het koor ligt dicht bij de Veurs; in de buurt van de toren en dus van de waterscheiding ligt de kerkvloer op 2 m boven de natuurlijke bodem, maar de vloer van het koor ligt op 4 m boven de natuurlijke bodem. Als men in De Mot staat valt het ook op, dat de Veurs niet op het laagste van het terrein ligt. Die laagste lijn gaat zowat van het brugje bij het koor van de kerk naar het punt van de samenvloeiing; het beekje wijkt tot 25 m daarvan af; het zou "normaal" gelopen hebben daar waar nu het koor van de kerk is. Het werd blijkbaar omgeleid omwille van de kerk. De naam "Mot" betekent "drassige grond" (Boileau 1971 en Middelnederlands Woordenboek), vergelijk "De Motten" in Tongeren, de Mot in Borg]l; een verband met het Franse "motte = hoop aarde" zou echter ook mogelijk zijn, en doelen op de kerkheuvel; oude kastelen worden wel eens "mottorens" genoemd; vergelijk met "Die Motte", net buiten de gracht van kasteel Krickelhausen te Lontzen.

Stippen we nog aan dat de kerk van Sint-Marten 30 graden afwijkt van de "oriëntatie" (koor te noordelijk); ook de kerk van Margraten heeft een afwijking van 30 graden (Maasgouw 1990, kolom 17); de voormalige Gertrudiskerk van Landen en de Martinuskerk van Gerlingen (Aarlen) bv. wijken nog iets meer af, en ook in de noordelijke richting; al deze kerken zijn niet gericht op het echte" oosten, maar op zonsopgang bij midzomer (langste dag - ca. 24 juni = Sint-Jan). Het koor van Sint-Martensvoeren staat een beetje schuin op het schip: het wijkt maar 29.50 graad af van de oost ing. Kristenen bidden in de kerk naar de zonsopgang toe (Kristus, de opgaande zon aan de hemel, Luk. 1:78; Kristus' wederkomst uit het oosten, Mat. 24:27); joden en islamieten naar een centrale gebedsplaats toe: Jeruzalem resp. Mekka.

Besluit.
Als we in Sint-Martensvoeren van alle kanten bergop moeten om de kerk te bereiken - "Jeruzalem, waarheen de stammen opgaan. (Psalm 122) - dan komt dat onder andere omdat er op deze plaats ooit een zwaar gebouw is ingestort, waarvan het puin een merkelijke ophoging van het terrein heeft teweeg gebracht, op deze plaats bij de waterscheiding tussen Voer en Veurs. Zo vertelt ons de ondergrond datgene waar geen archieven over bestaan. In dit geval, hoe een hoek van ons dorp er uitzag, voor zijn oudste gebouw er stond. Men plaatst het ontstaan van de grote massa van onze toren in de 13e eeuw (Geukens, Fotografisch Repertorium van het kerkelijk Kunstpatrimonium) ... In elk geval hebben wij, bovengenoemden, even oog in oog gestaan met de belangrijkste plaats van het dorp, op een ogenblik, dat het nog niet bebouwd was. Door bovenstaande gegevens hier te publiceren hopen we de generaties na ons een tip te hebben gegeven, voor het geval de omstandigheden gunstig ooit eens zijn voor een uitgebreider en grondiger onderzoek. 

Enkele technische gegevens: De kuil werd 2 m 40 bij 2 m 40, zijn rand lag op 1 m 60 ten N van de toren, op 85 cm van het oude dodenhuisje. Het uitgegraven materiaal mocht in de aanpalende wei gekieperd worden (meteen een -gedeeltelijke- verklaring voor de andere ophogingen langsheen de buitenkant van de kerkhofmuur). De aanwezige ondernemers hadden begrip voor de noden van het archeologisch onderzoek. De beste resultaten kregen we als ten minste een van de onderzoekers bij de kuil stond, en ten minste een bij de plaats waar het uitgegraven materiaal werd gedeponeerd. - We namen stalen bij de uitgraving; veel tijd bleef daarvoor niet, want de ketel moest onmiddellijk op zijn plaats: instortingsgevaar. Ook van de boringen 121, 124 en 125 zijn stalen bewaard. - Het waterpassen gebeurde met de NECLI hellingmeter van de Fa. Hauptmann, Kassel; een kontrolemeting (toren-kerkhofmuur-elektriciteitspaal Mot-elektriciteitspaal bij huis Vaessen-kerkhofmuur gaf een fout van 15 cm).

J. Nijssen

 Afb. 1. Sint-Martensvoeren - Bodemonderzoek ten NW van de toren, 28.8.1990. Kuil en boring 121.

 BODEMVONDSTEN BIJ DE KERK VAN MOELINGEN.

Onderstaande regels zijn opgesteld aan de hand van gesprekken met Guillaume Duysens, die bij de opgravingen aanwezig was, en Guido Kremers, Gallo-Romeins Museum Tongeren, die de plaats op 13 augustus bezocht

Vlak ten Z van het koor van de kerk op ca. 5 m van de kerkhofmuur werden namelijk, bij het graven van de zandbak voor de nieuwe kleuterschool, geraamten (graempsje) blootgelegd. Op die plaats ligt het maaiveld bijna 2 m lager dan het kerkhof. 

Wat was er te zien?
Op ca. 60 cm onder het maaiveld lagen een zes-zevental geraamten; het was opvallend hoe ze in een vlak lagen: de schraper ging er net overheen. De geraamten lagen niet volgens enige herkenbare ordening; een lag zelfs haaks op andere, en ze gaven de indruk, "door elkaar" te liggen. Wat lager waren nog verkleuringen te zien in de aarde, die op andere skeletten wezen. Er werd niet gegraven tot op de natuurlijke lagen; alles samen werd een begravingslaag van zo `n 20 cm vastgesteld.
Sporen van lijkkisten waren er niet te zien. Er konden geen voorwerpen gevonden worden, die voor de datering van de graven dienstig zouden zijn. De geraamten leken opvallend lang: een was 2 m 15 lang, en dan waren de voeten nog verloren gegaan.

Wat is uit deze gegevens af te leiden?
De gevonden begraafplaats ligt duidelijk buiten het huidige kerkhof, en dat was ook al zo ca. 1830 ("primitief kadaster"). Ca. 1864 was het bezit van G. Lechanteur-Henrard (Popp).

De gevonden graven schijnen zich over een langere periode te spreiden: veel verschil in bewaringstoestand van de skeletten. Dit is een argument ertegen, dat het om een toevallige begraving gaat, bij een ramp bij voorbeeld. Anderzijds spreekt de wilde schikking van de geraamten toch weer voor een noodbegraving; ook de geringe diepte van de begraving wijst in deze richting. tenzij er bovenlagen in de wei in de loop der eeuwen sterk weggespoeld zou zijn. In dat geval zou het hoogteverschil met het huidige kerkhof niet enkel aan ophoging van dit laatste te wijten zijn. Het kan gaan om' personen die niet op het gewijde kerkhof mochten begraven worden: niet-katolieken; maar dan gaat het hier om een langdurige vastliggende plaats voor niet-katolieken.

Nu blijft nog de mogelijkheid, dat de gevonden graven vroeger werkelijk deel uitgemaakt hebben van het kerkhof, met andere woorden dat het kerkhof vroeger groter was, en dat o- een zeker ogenblik een deel ervan in prive-handen kwam en wei werd; tot nu toe werd niets in deze zin in de archieven gevonden - maar aan dit aspekt werd misschien ook te weinig aandacht geschonken. in dat geval moeten de graven destijds toch wel 1 m 50 onder het maaiveld gelegen hebben: in dat geval zou visie van de weggespoelde grond weer meer gewicht krijgen. De ongeordende positie van de geraamten doet dan weer denken aan een massagraf; voor meerdere kerkhoven wordt dergelijke begraafwijze ook buiten tijden van epidemieën vermeld. Enig idee over de ouderdom van deze begravingen heeft men niet toch moeten ze niet zeer recent zijn (WO 1 bv.): dan moest nog hout of tekstiel terug te vinden zijn. Blijft nog het probleem, dat de geraamten de indruk gaven speciaal lang te zijn. Of het om speciaal lange mensen ging is evenwel niet zeker: geraamten vallen wel wat uit elkaar bij het vergaan van het graf.

Besluit.
Voor de toekomst: we zouden graag weten
a> hoever deze begravingsplaats zich uitstrekt, en inzonderheid,
b) of ze kontinu doorloopt tot de Z-kant van de kerk: in dit laatste geval zou het een oud deel van het kerkhof zijn... en of het kerkhof opgehoogd, dan wel de aanpalende wei verlaagd is in de loop der tijden. 

J. Nijssen 

Data lezingen georganiseerd door de Heemkring en de Milieugroep.
De data waarop deze lezingen plaats vinden zijn vastgesteld. Het onderwerp en de plek waar de lezingen gehouden zullen worden is nog niet voor alle lezingen definitief afgesproken.

16.11.1990 (Onderwerp staat nog niet vast)
14.12.1990 Lezing door J. Nijssen over "Limburgse kaas".
11.1.1991 (Onderwerp staat nog niet vast)
1.3.1991 Lezing door J. Nijssen over "De Papiermolen van Schophem"
12.4.1991 Dia-varia.

Schrijft u ook wel eens gedichten, stuur ze ons toe. Wij publiceren ze graag. 

De waeg va Voere.

De sjtraote zunt verlaote,
duuster, nat en kaod,
es ich `s aoves gaans alling
an `ne klinge toer begin. 

Neon-laampe, vreg en gries
sjienge va hoeëg, vaal en vies.
Ze deunt es of ze nog vergaeëte zowwe
oee ze zoonder òs gezaeète howwe.

Ze zeuke. Ze zeuke en zeuke zich weeld
en sjtare zich `èèges sjtaeëke bleend.
In dae sjwarte pool oonder zich
gleenstert alling hun eege lich.

`ne Hòòp ramaent keumt langs gevare.
Is bliej, ze zeunt de waeg `nt tare.
En al die groeëte laampe, wat e gemaak,
me hoef mer gaas te gaeve, d'r waeg is al oetgedaat. 

Ich sjloon aaf, nao de sjtikke duuster wejje.
Um dao èèges te zieë, hoef ich mer te bejje.
Gaar ging waeg en laampe nuuedig, mit hun bòchte en hun lich.
Ich hub gòddaank nog ummer twiee òwwe in `t èege gezich.

Charlotte Noteboom. 

In "Herberg De Swaen" worden de volgende thema-week-ends gehouden:
5-6-7 oktober : Brouwersambacht.
9-10-11 november: Volksverhalen.
december : Streekgerechten (Hierin kadert de lezing van J. Nijssen over "Limburgse kaas" op 14.12.1990.)
18-19-20 januari: Fotowedstrijd.
22 februari : Het mergellandschaap.
22-23-24 maart : Grenzenloos voorjaar.
mei 1991 : De echte moestuin.

D'r Koeënwòòf nr 04 (1991/1)

INHOUD

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN - .......... 01 - 03

SJPE'LDER EN SJPAELE - Louise Reestman - Jaak Nijssen - .......... 04 - 11

LIMBURSE. HERFSE KAAS - Jaak Nijssen - .......... 11 - 14

VOERENS PAPIER - Jaak Nijssen - .......... 15 - 17

OVER MOTTES. een bijzonder type van versterkte bewoning - Bep Mergelsberg - .......... 17 - 18

" 'T HUUSKE" IN EEN MUUR VAN DE BOERDERIJ VAN DE KOMMANDERIE TE S INT-PIETERSVOEREN - Bep Mergelsberg - .......... 18 - 20

STAND OVER STROPERIJ - Bep Mergelsberg - .......... 20 - 21

AKTIVITEITEN EN KONTAKTEN- .......... 21 - 22

PUBLIKATIES- .......... 22

ZOEËRMOOS KINT ME EEGES MAKE ! - Bep Mergelsberg - .......... 23

WAALS BIJ DEKREET ERKEND ALS BINNENLANDSE REGIONALE TAAL - .......... 24

AGENDA - .......... 25

======

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN 

Tijdens een genealogisch onderzoek van de familie Dobbelstein kwam ik ook in Sint Pietersvoeren terecht. Hieronder een samenvatting van de door mij verzamelde gegevens over de periode dat de familie Dobbelstein in Sint Pietersvoeren heeft gewoond. 

Volgens het kerkregister trouwde in 1748 (datum niet vermeld) in Sint Pietersvoeren Johannes (Jan) DOBBELSTEIJN en Maria HEUSSCHEN. 

Jan was op 14 maart 1723 in Teuven geboren, hij was een zoon van Laurentius Dobbelsteijn en Elisabeth Vanderlip(pe). 

De geboortedatum van Maria heb ik niet kunnen achterhalen, wèl vond ik in het schepenbankarchief Sint Pietersvoeren (register 33, Rijksarchief Hasselt) volgende kant-en-klare stamreeks van haar voorouders:

* ouders: Peter Heusschen en Maria Heijmans (zij woonden aen `t Velt" Sint Pietersvoeren)
* grootouders: Matthijs Heusschen en Maria Coumont;
* over-grootouders Jan Heussohen en Maria Bergenhousen (laatstgenoemde is na het overlijden van Jan getrouwd met Frans Franssen). 

Jan en Maria hebben de eerste jaren van hun huwelijk in Eijsden gewoond. Zij hadden daar een grote boerderij (de pagthoff Caustert") gepacht van de Heer Majoor Henry Reinich. (vgl. Reinekenshof, zie Eijsdens Verleden nr. 48, 1989). Uit het schepenbankarchief van Eijsden blijkt dat zij in de nacht van 5 november 1753 tussen 4 en 5 uur net hun hele hebben en houden zijn gevlucht naar Sint Pietersvoeren. 

Mevrouw de Douarière van wijlen de Heer Majoor Reinich beweerde op 14 mei 1756 dat Jan een aanmerkelijke pachtschuld had en dat zij beslag had laten leggen op zijn goederen, doch dat hij, zoals gemeld, "alle desselfs gearresteerde Effecten en Bestialia ex loca arresti" heeft vervoe~d en t, nae elders buijten dese jurisdictie" heeft getransporteerd. 

In het schepenbankarchief van Sint Pietersvoeren liggen heel wat stukken over dit proces. De uitspraak luidde als volgt: "Gelet op den inhoud deser reguessen verclaeren dijen tot St. Peters vouren met sijne effecten en bestialen gerefugeerden Jan Dobbelsteyn geen asylium te consedeeren". 

Het gezin Dobbelstein-Heusschen heeft vanaf 1753 steeds in Sint Pietersvoeren gewoond. Zij hadden daar een boerderij met stallen, schuur, bakhuis, moestuin en wei, gelegen "in de koobach", gekocht. 

Jan moet een voortvarend landbouwer zijn geweest, in het archief van de schepenbank bevinden zich wel dertig akten waarbij Jan partij was. Deze akten hadden ondermeer betrekking op koop of verkoop van landerijen of weiden en geldlenigen, ontvangen van ondermeer de molenaar van Sint Pietersvoeren, de kapelaan van Mheer en de rentmeester van de Commanderij. 

Uit metingen van 1787 bleek dat Jan toen 158 groot roeden grond bezat, hij behoorde hiermee tot een van de grootste grondgezitters van Sint Pietersvoeren. 

Op bijna veertigjarige leeftijd, op 13 januari 1763, werd Jan door "Wirich Leopold, vrijheer van Steinen en Scharven en Kepenich, ridder van het hoogh Duijts orden, lant Commandeur der Balleye Aldenbiessen, Commandeur tot Aldenbiessen ende tot Maestricht, vrijheer der vije rijckx neutrale grond heerlijkheijt Gemert, St. Peters vouren en Gruijterode" enz. het ambt van schepen "gegund". Genoemden "beveelen daerom aen onsen officier, Schepenen, ende onderdhaenen van St. Peters Voeren voorschreven Johan Dobbelsteijn voor schepen aenteneemen, te kennen en te eeren, hem oock alle rechten ende emolumenten van outs daertoe staende te laeten genieten". 

De schepenen stonden bij de bevolking in hoog aanzien en hun macht was groot, zij werden voor het leven benoemd. 

Dat Jan dit ambt ook serieus uitoefende blijkt uit de vele stukken in het schepenbankarchief. Zo werd ondermeer alles opnieuw opgemeten in Sint Pietersvoeren, nadat uit een onderzoek van hemzelf was gebleken dat er vaak niet goed werd opgemeten. 

Maria Heusschen is op 9 februari 1790 in Sint Pietersvoeren overleden. Jan Dobbelstein is vermoedelijk op 12 april 1799 in Sint Pietersvoeren overleden.

Uit dit huwlijk werden vijf kinderen geboren:
1. Maria Elisabeth, gedoopt op 5 februari 1750 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Math Heusschen en Maria Dobbelstein.
Zij is reeds op 9 maart 1760 in Sint Pietersvoeren overleden;
2. Maria Catharine, gedoopt op 22 december 1752 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Henricus Dobbelstein en Maria Catharina Neven. Zij was getrouxd met Renier Spronck. Op 8 oktober 1781 is zij in Si~t Pietersvoeren overleden;
3. Petrus, gedoopt op 2 november 1756 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Laurentius Dobbelstein en Maria Heghmans (zie vervolg);
4 Maria Elisabeth, gedoopt op 21 september 1760 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Jacques Nederlandts en Maria Margaretha Halleux.
5. Josephus Laurentius, gedoopt op 12 maart 1766 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Nicolaus Wernerus Heusschen en Maria Joeepha Halleux. 

(slot volgt)
(qadobbel) Léon Olislagers oét Groéselt
 

SJPELDER EN SJPAELE. 

LOOIEDETTEN:
Elke speler is in het bezit van een looiedet. Dit is een ijzeren kogel of een stenen bal. Een van de spelers werpt vanaf de streep als eerste zijn looiedet weg. De anderen proberen er hun looiedet er het dichts bij te gooien. Wie dit het beste uitvoert, wie er het dichtst bij komt, is winnaar. De winnaar werpt als eerste zijn looiedet vanaf de andere werplijn. Truukjes, zoals het wegkaatsen van looiedetten, zijn toegestaan. (In plaats van ijzeren kogels kunnen ook plastic ballen gebruikt worden, bijvoorbeeld van het jeu-de boule spel). 

THIJS DE TORENWACHTER.
Als toren gebruik je twee bakstenen die op elkaar worden gezet. In het speelveld wordt een cirkel getrokken waarin de toren staat. De toren wordt bewaakt door "Thijs de torenwachter Vanaf de basis- of werpl ijn mogen alle spelers met hun steen de t o r e n proberen om te gooien. Lukt dat, dan mogen de spelers zo snel mogelijk hun stenen weer oprapen en zich weer opstellen achter de werplijn. Thijs mag elke speler die in het speelveld staat, of loopt, aftikken. Als de toren is omgegooid moet hij deze eerst herstellen en mag dan pas aftikken. Wie in het speelveld wordt afgetikt is de nieuwe torenwachter. Voor de werplijn is vrij. 

KNIKKEREN.
Het speelveld moet begrensd worden door een muur of een schutting. Tussen werplijn en muur worden op ongeveer vijftig centimeter van de muur een kuiltje gemaakt. De spelers staan achter de streep en moeten proberen een knikker via de muur in het kuiltje te schieten. Iedere speler schiet een gelijk aantal knikkers één voor één via de muur naar het kuiltje. Wie de meeste knikkers direkt in het kuiltje heeft geschoten mag beginnen alle omringende knikkers erin te schieten. Deze kunnen rechtstreeks geschoten worden, dus niet via de muur. Mist hij, dan is de volgende speler aan de beurt. Degene die de laatste knikker erin schiet is de winnaar. 

BEUGELEN.
Hiervoor is nodig
- Eén beugel, hiervoor kan dik, gebogen betonijzer gebruikt worden.
- Eén slager, kan van hout gemaakt worden (zie tekening).
De beugel wordt in het spelveld in de grond geslagen. De spelers prober~n vanaf de basislijn zware ballen (eventueel Jeu de Boulles-ballen) om beurten met behulp van de slager door de beugel te slaan. Het slaan is meer een wip-duw beweging. Wie lukt dit in één keer? Lukt dit niet , dan bij de volgende beurt, maar vanaf de plaats waar de bal is blijven liggen. Het wegkaatsen van een bal door een medespeler is toegestaan. De bal moet aan de voorkant door de beugel. Voor elke bal die door de beugel gaat worden een aantal punten gegeven.

HOEFIJZER WERPEN.
Hiervoor heb je nodig, een werppaal en tien hoefijzers. (Hiervoor kunnen indien men geen hoefijzers ter beschikking heeft, U-vormen gebogen uit betonijzer worden gebruikt.) De afstand van de werplijn tot de paal is ca. 3,5 meter Probeer vanaf de werplijn de hoefijzers om de paal te werpen. Voor elk hoefijzer o m d e paalwordt een aantal punten gegeven. De spelers werpen om beurten. 

DIABOLO.
Leg bij de start de diabolo over het touwtje op de grond. Pak de stokjes aan de uiteinden vast, probeer nu door met de handen in tegengestelde richting te bewegen, de diabolo draaiende te krijgen. Het gaat erom in bijvoorbeeld 1 minuut een bepaalde afstand af te leggen. Bij het eindpunt de draaiende diabolo omhoog werpen en dan weer met het touwtje opvangen. 

VOGELSLINGEREN
Materialen hiervoor zijn
- drie sjorpalen.
- één schietroos van stro met een ballon in het midden.
- éé standaard
- bal lonen en touw
- houten vogelpik ( voor het zelf maken van een vogelpik, zie tekening):
- Kontoeren uitzagen, - bij de snavel een spijker bevestigen,
- op de rug een oogschroef aanbrengen voor bevestiging touwtje. 

Er wordt om beurten met de vogel geslingerd, probeer zo de ballon te raken en door te prikken. Iedereen krijgt b.v. drie beurtèn. Winnaar is degene die het meeste ballonen heeft doorgeprikt.
 
KEGELEN :
Materiaal voor de baan
- Twee lange planken, - een houten vlonder, -drie korte balken, - twee lange planken. Mont eer het geheel zoals op de onderstaande tekening. Nota bene de afmetingen kunnen naar eigen inzicht w o r den bepaald. Er kunnen ook originele houten kegels worden gebruikt. Men kan echter ook kegels maken van plastic flessen, welke met zand gevuld worden en vervolgens dichtgeplakt. (Daarna naar believe beschilderen).

PRIKTOLLEN
Bij het priktol len gaat het erom om de tol met behulp van een zweepje (een touwtje aan een stokje) draaiende te houden. Probeer je priktol in een afgezet "vierkant" op een verharde ondergrond zoals asfalt of beton tollende te houden. De andere spelers proberen dat ook. Gaat de tol om, of komt hij buiten het vierkant, dan is men af. De winnaar is degene wiens tol het langst draait.

STELTLOPEN
Op de stelten dient een bepaald parcours voorzien van een of meer hindernissen worden afgelegd. (Voorbeeld parcours, zie tekening).

Louise Reestman

SJTOEKKE
Met "lème huve", die kleiner en goedkoper waren dan de gewone; ca 7 8 mm doorsnede, uit leem, met een beschermend kleurig buitenlaagje.

Er wordt een putje in de grond gemaakt, van ca. 8 cm. doorsnede (getallen uit mijn herinnering).

De beide spelers zetten elk een aantal knikkers in. De eerste speler houdt de knikkers in de hand, en werpt ze met een stoot (sjtoekke) in het kuiltje. Een aantal blijft in de kuil, een deel springt eruit. Het deel dat in de kuil blijft is voor de speler-aan-de-beurt, de rest voor de tegenspeler. Nu is de andere speler aan de beurt. Bij het einde van de dag of bij het einde van de speeltijd weet men hoeveel men gewonnen of verloren heeft. Wie alle knikkers (of heel veel) verloren heeft kan niet meer aan het spel deelnemen; hij moet zien dat hij er koopt (in Aubel; aan handel-voor-geld tussen de kinderen heb ik geen herinnering).

Ik ben niet zeker van het aantal in te zetten knikkers: een door de traditie bepaald aantal?, een aantal naar afspraak, gelijk voor beide spelers?, een aantal naar keus van elke speler?

(Bron: mijn schooltijd in Teuven, ca. 1939)

 

KREEG
Twee spelers, een niet te harde oppervlakte grond, een zakmes (kniep). Op de grond wordt met het mes een vierkant getekend, wel minder dan 1m2 groot, het veld wordt in twee gedeeld (in een bepaalde richting?). De spelers kiezen elk een veldhelft (zie verder: keuzen). De eerste speler gaat in zijn veldhelft staan en smijt (briijt) het mes in de andere veldhelft; blijft het mes niet in de aarde staan, dan is de beurt van deze speler om; blijft het staan, dan trekt de speler in het veld van de tegenspeler een lijn in het verlengde van het lemmer van het mes, zo dat veld in twee, meestal ongelijke delen verdelend. De tegenspeler mag zeggen welk deel hij `houdt'; het andere deel wordt door de speler-aan-de-beurt bij zijn eigen veld aangehecht. Nu is de ander speler aan de beurt (of mag de speler-aan-de-beurt blijven spelen zolang zijn mes niet omvalt? weet ik niet meer). Diegene verliest, die niet meer in zijn eigen veld kan staan om het mes te werpen. Het grensgeval van in zijn veld kunnen staan is: op de punt van de voet staan, en zijn evenwicht nog net kunnen houden (Bron: mijn schooltijd in Teuven) 

SJPlET DOEË (PESTEN)
In mijn kollegejaar in Herve (1938) was er daar een leerling die Derkenne heette; hij was van de kanten van Cheratte, meen ik. Het was al een grotere jongen; hij speelde nooit. Af en toe kreeg iemand het in zijn hoofd "allons faire enrager Derkenne" (D. pesten); dan ging een hele groep de man "pesten"; waarin dat bestond weet ik niet meer, maar ik meen dat er geen fisiek geweld bij te pas kwam; ik meen ook dat de "surveillants" daar niets tegen deden. Het moet op mij veel indruik gemaakt hebben: ik ken vandaag de naam nog, en ik zie nog de plaats op de speelplaats waar het gebeurde. En altijd was ik bang dat ze dat ook met mij zouden beginnen doen. 

KEUZEN MAKEN
Voor het maken van keuzen, bij voorbeeld om te zien wie eerst speelt, wie de speelhelft mag kiezen (bij "kreeg") of hoe de speelgroepen worden samengesteld (de winnaar mag als eerste een medespeler uitkiezen). 

- voor meerdere spelers: aaftèlle

De spelers staan in een kring. De initiatiefnemer zegt een versje op;bij elke klemtoon wordt een speler aangeduid, door er met de hand naar te wijzen; de teller begint met de man naast zich, (ik meen, links van hem) en gaat zo de kring na, (met de zon mee), met insluiting van zichzelf; de speler op wie de laatste `klenmtoon' valt is aangeduid (in positeve of in negatieve zin: deze speler is aangeduid, of valt uit bij de aanduiding; ik meen dat beide alternatieven in gebruik waren; 

in dat geval moest op voorhand uitgemaakt zijn welke variante gold).

De versjes:

1. - ienne-mienne-mietske, die bès Frietske, ienne-mienne-maus, en doe bès d'raus.

2. - eech en deech en Jiipke Sjteer zunt- `r veer (is dit wel een aftelrijpje of is het zomaar een versje?)

3. - op de hoek van de straat stond een soldaat met de pijp in de mond en de broek vol strond (kan van hier zijn of uit mijn Tongerse schooltijd -tot 1934; eigenaardige, zo een versje niet in het Limburgs maar in het standaardtaal)

ook andere versjes?

 

Mogelijkheden tot manipulatie, en zelfs tot foetele:

a) op voorhand uitzien hoe het aantal klemtonen van het versje overeenkomt met het aantal spelers. Men kan dan een aangepast versje kiezen

b) klemtonen al dan niet leggen: ien(ne)-mien(ne) ...: twee klemtonen of ien-ne-mien-ne: vier klemtonen, ien(ne)- mie-ne: drie klemtonen

c) uitzien hoe het aantal spelers met het gekozen versje overeenkomt, en op grond hiervan de in- of de uitsluitings-alternatieve kiezen; de initiatiefnemer kan daartoe zijn overredingskracht gebruiken.

(Bron: mijn schooltijd in Teuven)

 

- voor twee spelers: aaftraeje

De twee spelers gaan op een zekere afstand van elkaar staan (zover ze kunnen bij vasthouden van elkaars hand?). Een der spelers begint (degene die het meest onder zich uit is?), en zet een voet voor'de andere, naar de andere speler toe, dan de andere speler, enzovoort, maar steeds de `nieuwe' voet aansluitend aan de vorige. Men mag zetten: een hele voet, een halve voet (dwars) of een voetpunt. Wie "geen voet meer aan de grond krijgt" verliest (ès verlaoëre, niet: haat verlaoëre). De handigheid bestaat dààrin, op tijd te voorzien hoe het zal uitkomen: m. a. w., inzicht in kombinaties is van groot belang; het is een edukatief spel.

aaftraeje
Mogelijkheden tot manipulatie: men kan een voet losjes of stevig tegen de vorige zetten; foetele: de voet die reeds staat onzichtbaar verplaatsen (wringen).
(Bron: mijn schooltijd in Teuven) 

Jaak Nijssen

 LIMBURSE. HERFSE KAAS 

Onze Heemkring opende op 14 december 1990 in het natuuredukatief centrum/herberg De Swaen, `s-Gravenvoeren, een geslaagde tentoonstelling over de Limburgse kaas. 

Limburgse kaas is over grote delen van de wereld bekend: hier, in Finland, Oostenrijk, Zwitserland, de USA, Kanada ... maar vooral in Duitsland. In België heet hij meestal Herfse kaas; Remoudou, Rommedoe, Romadur zijn er - in teorie - vettere en fijnere varianten van. Limburgse kaas heeft enkele neefjes: de Maroilles uit de Thiérache (bij Henegouwen), de Munster uit de Elzas ... Het zijn allemaal `rode' kaassoorten, ze krijgen hun typische geur en smaak door mikroben die de oppervlakte oranje-rood kleuren, en vandaaruit naar het binnenste toe uitzwermen: de `rijping' (1). Verdere verwanten zijn de `witte' kaassoorten (Camembert, Brie), waar de rijping door schimmels gebeurt, en de `blauwe' (Roquefort, schapekaas), waar de blauwe schimmel met naalden tot binnen in de kaas wordt gebracht. Voor de plaats van de Limburgse kaas in het totale kaas landschap, zie bijgevoegde tabel. (Vergelijk ook met kaas-atlassen en kaas-encyklopedieën die in elke grotere biblioteek staan).

===========

Limburgse kaas heeft zijn naam van het oude hertogdom Limburg (in 1795 door de Franse bezetter opgeheven en nooit in eer hersteld), de streek van Eupen/Montzen/Herve, met als uitbreiding de landjes van Dalhem, Valkenburg en Herzogenrade. De kaas gold als een gewaardeerde lekkernij: in 1783 bestelde prins Albert van Saksen-Teschen er bij een apoteker van Spa (2), en soms werden de kommandanten van bezettingstroepen goed gestemd door middel van deze lekkernij (3); er waren er zelfs met op elke hoek een verschillende kleur, die teweeggebracht was door toevoeging van kruidensap (4).

Limburgse kaas was zo bekend, dat hij ongeveer 160 jaar geleden ingevoerd werd in de Allgäu, in de Zuid-Beierse Alpen.

Die streek was toen in volle rekonversie: ze schakelden er over van vlasteelt op weiden, met ruilverkaveling en ontwikkeling van de bevloeiing en de bemesting. Karl Hirnbein (5) speelde hierbij een merkwaardige rol, die hem ook geen windeieren opleverde: hij vergaarde een belangijk grondbezit (dat nu weer opgesplitst is). Hij richtte het eerste toerisme in de streek op, op een berg die hij in zijn geheel gekocht had; op zijn veertigse ging hij in de politiek, was sympatisant van de demokratische beweging van 1848, die in Midden-Europa de vorsten tot het aannemen van een grondwet verplichtte; daarna was hij vier jaar lang volksvertegenwoordiger. Hij zette een uitgebreide handel in kaas op, en daaruit is de huidige verspreing van Limburgse kaas ontstaan. Tot op heden is hij in zijn streek een legendarische figuur. Rond 1935 wijdde Peter Dörfler een trilogie aan hem (6). In 1980 werd in zijn geboortedorp Wilhams de 150e verjaardag gevierd van de Limburgse kaas aldaar (7): `~In diesem Hause machte Karl Hirnbein (1807-1871), der Begrunder der Allgäer Weichkäserei, anno 1830 den ersten Limburgser".Het materiaal van de tentoonstelling blijft bij onze Heemkring bewaard; wie er belangstelling voor heeft kan zich tot de kring wenden (8).

J. Nijssen

 (1) El-Erian, A.F.M. 1969: bacteriological studies on Limburger cheese, Proefschrift, Wageningen, alwaar verdere literatuur [aanwezig in Stadsbibl. Maastricht].

(2) Herz, Frans Josef: Zur Geschichte der Limburger- und Romadurkäse. in: Milchwirtschaftlicher Kalender fu~r das Jahr 1910. Kempten. [aanw. in Universitätsbibl. Köln]

(3) Pauchenne, Histoire ... Henri-Chapelle, p. 16

(4) Grand calendrier de Herve 1792.

(5) Over Hirnbein, zie: -- Aufsberg, Th. 1913: Bausteine zur Geschichte der Milchwirtschaft im Allgäu; -- Volkheimer, Woifgang (ed.), Lingg, Amalia 1927. Karl Hirnbein, ein Mann aus dem allgäuer Volke. Kempten. -- Roth, Karl Friedrich 1971 : Zum 100. Todestag von Karl Hirmbein. [De Otto-Merkt-Stiftung (. . Versuchsanstalt Milchwirtschaft...) in Kempten bezit een uitgebreide literatuur ter zake. Kopieën ter inzage bij onze Heemkring].

(6) Peter Dörfier, Allgau-trilogie: 1, 1934: Der Notwender; II, 1935: Der Zwingherr; III, 1936: Der Alpkönig [originele uitgave aanwezig in Stadbibi. Maastricht, o.a. OB 342 c 3, CB 343 C 26; de jongste (6e) uitgave (1979) ter inzage bij onze Heemkring]. (7) 150 jaar-viering: dokumentatiemap bij Prov. Dokumentatiecentrum, Begijnhof, Hasselt.

(8) Enige literatuur betreffende Limburgse kaas bij ons: -- Lauwers, Le fromage de Herve. In: Lait, dérivés et graisses alimentaires. -- Veldeke, J. v. - (Franssens, Jozef) 1964: Hoe men op Te Veld in Montzen sedert onheuglijke tijden Herfse kaasjes maakte. In: Heem, weemaandelijks tijdschrift voor Overmaas, Halle (Brabant) Jg. 8, Nr 5-6. -- Hees, F. van - 1965. Limburgse kaas, een verkwikkend produkt uit ons eigen heem. In: Ons Heem, tijdschrift ter bevordering van heemkundig gericht onderwijs. 14e. jg. p. 8-11 [Stadbibl. Maastricht]. -- Roemers, J.E. en Morrhaye, M. 1974: Wist U dat echte Herfse kaas in de Voerstreek nog gemaakt wordt? In: Voersprokkels, contactbald van de provinciale middelbare school `s Gravenvoeren, Jg. 5/1; -- Collard, José 1980: Le fromage de Herve menacé. In: Journal d' Aubel 29.2.1980.

========

VOERENS PAPIER

VOERENS PAPIER 

Vanaf 1573 bestond er in Schoppem, `S Gravenvoeren, een papiermolen. Daarop trok Th.G.A. Bos voor het eerst publiek de aandacht in De Maasgouw 1955/1957.

Onafhankelijk daarvan kwamen enkele Belgische papierhistorici deze papiermolens op het spoor: Walter Kaefer uit Malmedy, Alphonse Radermecker uit Eupen, die in zijn vije tijd zélf op de oude manier papier schept, en Jos de Gelas uit Sint Genesius Rode bij Brussel, eigenaar van een voormalig papierfabriek, de Herissemmolen. (In 1984 kwamen ze de zaak ter plekke bekijken).

Uit deze belangstelling voor de papierhistorie ontstond in 1986 het tijdschrift "BPH Belgian Paper Historians Association - INFO". En uit deze aktie volgde dan weer, dat de IPH (international association of paper historians) haar 20e kongres in "Belgie" hield, en wel in augustus 1990. Aan ondergetekende werd daarbij de kans geboden om de Schoppemer papiermakerij aan het internationale bevoegde forum voor te stellen. Op zo'n kar moet je springen!

Hoe verkoop je nu Schoppem aan een internationaal gezelschap van gespecialiseerde papierhistorici? Europeanen, maar ook Chinezen en Verenigde-Statenaren? Zeker niet met "en toen verkocht A de molen aan B, en in het jaar x werd het molenrad vervangen ..." Van die verhaaltjes zijn er tienduizenden doorheen de wereld.

Een eerste zaak was het, deze molen in zijn algemeen Europees verband te situeren: het bleek namelijk dat in 1550 er wel papier gemaakt werd in Brussel/Leuven, in Hoei, in Solingen en in Siegburg bij Keulen, maar niet ten noord-westen van die lijn, o.a. niet in het gebied dat nu Nederland heet. Vijftig jaar later gonst de papiemakerij aan de Noordzee (Dordrecht 1586, Schiedam 1595 ...) Welnu, nét daartussenin valt de oprichting van een reeks nieuwe papiermolens in het gebied van Midden-Maas en Midden-Rijn: Aken (1571), Schoppem (1573), Diiren (1579), Bergisch-Gladbach (1582).

Watermerk-onderzoek vindt op heel-Europees niveau interesse; daarom werd een onderzoek naar mogelijke watermerken van de Schoppemer molen ondernomen; gelukkig leidde dit tot een positief resultaat: het staat nu voldoende vast dat watermerken van de types zoals hierbij afgebeeld, van Schoppem afkomstig zijn. Een watermerk is de afdruk van een draadfiguur in de schepzeef.

Ten derde dan het taalprobleem in dergelijk meertalig gezelschap: een maximaal gebruik van beelden was hier aangewezen; de watermerken lenen zich daar prima toe, samen met kaartjes van de gebieden waar die merken in de archiefstukken voorkomen.

Als de Schoppemer papiermolens nu zover buiten onze streek bekend zijn, moeten we ze dan niet ook ter plaatse eens bekijken? De Heemkring bespreekt ze op 1 maart 1991, en d t in de gebouwen van een voormalige papiermolen zelf, ten huize namelijk van beeldhouwer Sj. Eymael, Vitschen 309 `s Gravenvoeren. Welkom.

Jaak Nijssen

===== 

OVER MOTTES. een bijzonder type van versterkte bewoning

Wat het woord "mot" betekent, lazen we in het artikel van Jaak Nijssen over de ondergrond van de kerkheuvel van Sint- Martensvoeren in "D'r Koeenwoof" jaargang 1, nummer 3, n.l.: "hoop aarde" of "drassige grond". Verder blijkt in zijn artikel dat het begrip "mottorens" een aanduiding is voor oude kastelen.

Het artikel "Verborgen archeologische geheimen in Voerense Mottt in "Het Belang van Limburg" 22/23 september 1990 vermeldt dat naast de Voerense Mot waar de kerk van Sint-Martensvoeren op gebouwd is, ook nog een andere mot in dit dorp te vinden is, n.1. de verhoogde plek waar de vroegere versterking "Op d'r Hof" heeft gestaan. Deze tweede mot ligt in een weiland tegenover de kerk en is vanuit de lucht goed waarneembaar. Dit artikel wordt bes loten met de overpeinzing dat het vreemd zou zijn indien er twee versterkingen zo dicht naast elkaar gestaan zouden hebben. In de katalogus van de tentoonstelling "Vlaamse archeologie" te Oudenburg geeft Frans Verhaeghe in zijn bijdrage "Archeologische sleutels op "Middeleeuws" Vlaanderen" op pag. 36 de volgende omschrijving van het begrip "motte": "De motte omvat in essentie twee delen: een zgn. opperhof en een neerhof. Het eerste is een kunstmatig opgeworpen, 3 tot 20 meter hoge, aarden heuvel in de vorm van een afgeknotte kegel met een gracht rond de voet; het plateau (met pallisade of muur) droeg' een torengebouw en soms ook bijgebouwtjes. Een opperhof had vooral militaire (en pas daarna residentie le) funkties. Het aansluitende, veelal niervormig neerhof kon ook wat opgehoogd zijn en versterkt met pallisade en gracht; het droeg bedrijfs- en hoevegebouwen, verblijven van ondergeschikten, en soms ook een kasteelkapel (die soms parochiekerk werd)." "Opgravingen op mottes zoals o.m. te Brustem (Limburg) leverden heel wat gegevens op over de ligging (vooral op waterrijke gronden of bij een rivierloop.)" "Er blijven echter nog vele vragen zoals de karakteristieken en de indeling van de neerhof (veelal minder makkelijk toegankelijk omdat er nog een kerk of hoeve op staat)."

Misschien sluiten mij niet bekende gegevens omtrent de mot "Op d'r Hof" en de Mot waar de kerk van Sint-Martensvoeren op staat mijn voorzichtige veronderstelling uit, maar hebben wij hier misschien niet ook te doen met EEN motte in bovenstaande zin?

Bep Mergelsberg

====== 

" 'T HUUSKE" IN EEN MUUR VAN DE BOERDERIJ VAN DE KOMMANDERIE TE S INT-PIETERSVOEREN

Op 20.9.1990 brachten Fridy Maurer, Jean-Marie Beckers en ondergetekende een bezoek aan Lieve en Eugène Wiertz. In de gang van hun woning, die deel uitmaakt van de Kommanderie van Sint-Pietersvoeren, waren zij tijdens een verbouwing een "huuske" in een muur tegengekomen. Guido Sweron, die de dag voordien stroop was wezen kopen, stelde de heemkring van deze vondst op de hoogte.

"`t Huuske" is eigenlijk een nis in de brede muur van de West- zijde van de boerderij. De nis bevindt zich 110/120 cm boven de vloer van de gang, heeft een diepte van 48 cm, een hoogte van 120 cm en een breedte van 73 cm. De onderkant van de nis bestaat uit een 5 cm. dikke plank met in het midden een gat met een doorsnede van 25 cm. (zie: afb. ) Onder dit gat bevindt zich een gemetselde afvoerbuis, die nu opgevuld is met dennenaalden, kolen, stof en leem tot ongeveer 30 cm. onder de plank. Bovenop dit opvulsel trof men twee kleine hoefijzertjes aan. Op de plank zelf lag een plastic hemd-kraag.

Lieve en Eugène Wiertz hebben een koevoet van ongeveer 60 cm lang in deze afvoerbuis gestoken, met gestrekte arm, en stootten toen niet op een eventuele harde afsluiting van de "buis" Het gat in de plank heeft aan de voorzijde een kleine inham.

De muur waarin zich de nis bevindt is gemaakt van baksteen. De wanden van de nis zijn eerst met leem bedekt en daarna gekalkt. De nis werd afgesloten met twee deuren. Over de deuren heen was een lattenwerk geplaatst en daarover heen was leem gesmeerd. Deze nis is minstens 50 jaar afgesloten geweest want de vorige bewoners, de vader van Eugène Wiertz, had wel een vermoeden dat er een open ruimte achter de wand was maar heeft het "huuske" zelf nooit gezien. Hij heeft hier 50 jaar gewoond.

Zoals gezegd, bevindt "`t huuske" zich op een hoogte van 110/120 cm. boven de vloer van de gang en we vroegen ons dus ook af hoe het mogelijk was geweest om daarop plaats te gaan nemen. Een klein trapje dat eronder geplaatst was ? Maar misschien is ook het volgende mogelijk. Rechts van de nis bevindt zich een raampje dat half schuilgaat achter de trap die naar boven leidt. (zie: afb.2).

Gewoonlijk plaatst men geen raampje achter een trap en misschien is de trap dus van links naar rechts verlegd. Als dit het geval was dan kon men na een trede of twee, drie van de vroegere trap de deuren van "`t huuske" openen en met gemak op "`t gemak" plaatsenemen.

De volgende vraag die we ons stelden: "Waar gaat die afvoer"buis" precies naar toe?" De gracht ligt ongeveer 4 meter lager dan de nis. Aan de buitenkant is geen afvoerbuis te zien volgens Euge'ne en Lieve. Zij veronderstellen dat deze buis onder water in de gracht zou uitkomen. We zijn daarom ook de buitenmuur even gaan bekijken. Het valt eigenlijk meteen op dat op de plaats waar zich "`t huuske" bevindt de buitenmuur een andere, veel lichtere kleur voegwerk heeft dan de rest van de muur. Misschien duidt dit voegwerk op een afgebroken uitbouw maar er kan natuurlijk ook sprake zijn geweest van een restauratie van het voegwerk op deze plek.

Bep Mergelsberg.

========== 

STAND OVER STROPERIJ

Onze bijdrage aan de Trip-Sop-feesten.

Op 12 augustus 1990 vonden te `s Gravenvoeren de jaarlijkse Trip-Sop-feesten plaats en ook onze kring was present met een stand rond het thema "Stroperij". Geen stand over het vervaardigen van stroop, want alleen afgaand op de naam "Stroperij" had dat natuurlijk ook gekund, maar een goed geslaagde tentoonstelli n g van allerlei werkt ui gen die gebruikt werden om te stropen. Ook lieten we, opgezette, dieren zien waarop met behulp van een speciaal werktuig illegaal jacht werd gemaakt. Zoals bijvoorbeeld: een das met de daarbij behorende dassetang of een haas met een speciale riek waarmee men azen stroopte.

Een zalm kom je nu in onze wateren niet meer tegen maar op onze tentoonstelling kon men nog een zalm-haak zien waarmee men -in vroeger tijden zalmen ving, alhoewel dit verboden was. Volgens Th. Broers is in 1924 de laatste zalm in de Berwijn gestroopt

De levende fret in zijn fret-kist had veel bekijks. Fretten werden gebruikt bij het freteren, een bepaalde manier om konijnen uit hun hol te krijgen. Men zette een fret in een konijnehol en sloot de uitgangen af met "buugele", speciale netten om de door de fret opgejaagde konijnen in op te vangen. Ook deze "buugele" waren in onze stand te zien. Ander stropersmaterieel dat we tentoonstelden en dat allemaal afkomstig is uit de verzameling van ons lid Th. Broers, was: een val voor bunzings en hermelijnen; een marter-val; een vis- "haam"; een net voor vogelvangst; een val voor kraaien; een ratten-val; een val voor wezels; een haze- en konijne-strop en "e reekske vaor truute", een riek om forellen te vangen. We zouden de heemkring niet zijn als we ons op een bepaald moment niet zouden afvragen hoe men nu bijvoorbeeld een steenmarter in het Limburgs noemt. Wel, het Limburgse woord voor het Nederlandse "steenmarter" of het Vlaamse (volgens de Van Dale is het echter een gewoon Nederlands woord, zonder de toevoeging: "Zuid-Nederlands") "fluwijn" is "foeing". Ook een boommarter noemt men zo. Een wezel is t,, ne wezzel" en een bunzing, t,, ne veurder" of "`ne fies".(Th. B, JN, LS) Op de leestafel van onze stand was natuurlijk ook informatie te vinden van groepen die tegen de stroperij in verzet komen. Verder vond men daar oude foto's uit de Voerstreek die voor 40 bfr. te koop werden aangeboden en men kon er kennis maken met ons tijdschriftje "D'r koeënwòòf". De medewerking aan het Trip-Sop-feest in deze vorm vinden wij zeer geslaagd, veel belangstellenden hebben onze stand bezocht en wij vinden alvast dat dit zeker voor herhaling vatbaar is.

Bep Mergelsberg

===== 

AKTIVITEITEN EN KONTAKTEN 

Het kontakt met de ijveraars voor het behoud van het kerkhof van GERLINGEN (Luxemburg) gaat voort. Aanvraag vanuit Gemert, Noord-Brabant, om inlichtingen over het geslacht BOUR (o.a. Veurs, Sint Martensvoeren).

Aanvraag vanuit Vucht (Maasmechelen, Belg. Limburg), om inlichtingen over een Missiekruis met GIETIJZEREN korpus (spanwijdte 940 mm, hoek tussen de armen 140 graden), vergelijk Lenssen 1989, type Cdcg 5 en 6.

Het artikel van Roger Delmeire (Landen, Vlaams Brabant) over antropomorfe SARKOFAGEN aldaar (stenen grafzerken die de vorm van het menslijk lichaam volgen), is verschenen (Ons Landesn Erfdeel Jg. 13, Nr. 38, 1 december 1990); hierbij werd door ons geadviseerd (zie Koeënwòòf 1990 nr. 3 p, 3).

Bij de kursus Toeristisch Medewerker van de Provinciale AVONDLEERGANGEN Sociale Promotie gaven onze medeleden J. Nijssen rn Rob Brouwers lessen "Heemkunde", "Struktuur van de Limburgse Taal" resp. "Geschiedenis" en "Geschiedenis van de Limburgse Taal".

Op 29 december 1990 zijn we in de kerk van Sint Martensvoeren de KERSTSTAL gaan bekijken, die door ons medelid Jaak Lemmens en zijn gezin jaarlijks (al sedert 41 jaar) aldaar wordt opgesteld; tevens hebben we een bezoek gebracht aan de Columbiaanse familie Gamez in Sint Pietersvoeren en hun kerststal (el Belèn); de Columbiaanse traditie verschilt in veel opzichten van de onze: ondergrond van schaafspanen, niet van mos lijk bij ons, kerststal vergezeld van talrijke huizen: het hele dorp Betlehem; boekje met kerstnoveen; hun kerstliederen zijn uiteraard ook heel anders.

==== 

PUBLIKATIES 

"Rekonstruktie van de Wijngaardshof (1)" door: Piet van Caldenborgh in "Grueles" december 1990, 10e jaargang, nr 4.

Op zoek naar de waarheid aangaande de oorsprong en de inhoud van de naam "de Wijngaardshof" in Gronsveld of hoe deze naam door o.a. een verband met Sinnich naar zijn oorsprong en betekenis verklaard kan worden. Een schoolvoorbeeld van hoe men te werk kan gaan om een oude plaatsnaam van een te verantwoorden betekenis te voorzien.

"Het kruis "Aon `t Beelsje"" door: (ons lid) Leon Olislagers in "Grueles" december 1990, 10e jaargang, nr. 4.

Een beschrijving van de plaats en het kruis "Aon `t Beelsje". Vanuit de wetenschap dat wegkruizen vaak verdwijnen als er niemand een oog op houdt en het verzorgt, richt de schrijver zich speciaal tot diegenen die de zorg voor een wegkruis op zich zouden willen nemen. Een initiatief dat onze heemkring voor de Voerstreek zou kunnen herhalen.

"3 Eeuwen Jonkheid St. Aloysius Mheer 1690-1990" door: R. Dautzenberg, P. Dobbelstein, F. van Gerven, R. Lemlijn en W. Senden. Verkrijgbaar bij W. Senden, Op `t hovelke 6, Mheer. Kostprijs fl0,-.

Een 66 pagina's tellend boekje waarin omschreven wordt welke invloeden een rol hebben gespeeld bij het in het leven roepen van een jonkheid en hoe we ons zo' n jonkheid in vroeger tijden eigenlijk het best kunnen voorstellen. Daarnaast treffen we er beschrijvingen aan van de aktiviteiten die de jonkheid van Mheer door de eeuwen heen en nu nog voor haar rekening neemt.
 

ZOEëRM0OS KINT ME EEGES MAKE ! 

Voor een "baar" van 10 liter heb je ongeveer 10 kg kool nodig. 5 kg witte kool en 5 kg savoye kool. Neem vaste kolen, deze zijn gemakkelijker te schaven. Was de "baar" in heet soda-water en spoel ze met warm water na. Weeg de hele kool en noteer het gewicht. Verwijder de slechte of donkergroene buitenste bladeren en leg deze op een weegschaal. Snijd de kool doormidden. Schaaf de kool en leg de kern eveneens op de weegschaal. Het aantal gram afval wordt afgetrokken van het gewicht van de hele kool. Noteer het netto gewicht van de kool op een apart papier. Leg de geschaafde kool op een tafel. Schaaf de witte en de savoye kool om beurten en volg steeds de bovenstaande werkwijze.Als alle kool geschaafd is tel je de netto-gewichten samen. Neem per kg geschaafde kool 12,5 gram zout. Doe het zout op een bordje en strooi dit voor ongever 1/3 over de hoop kool. Haal dan met beide handen de onderste kool boven en strooi er weer zout op. Zorg dat het zout gelijkmatig verdeeld is over alle kool. Neem de "baar" en doe er twee keer met twee handen kool in. De kool moet heel vast aangestampt worden met de vuisten. Doe om de 5 cm aangestampte kool 2 à 3 jeneverbessen. Hoe breder de "baar", hoe meer bessen. Als de "baar" voor 1/4 vol is moet het sap tussen de vingers te voelen zijn als je de kool vastduwt. Als de "baar" helemaal vol is en je duwt met twee vuisten op de kool, dan moeten de beide vuisten nagenoeg onder het sap staan. Leg een doek (een zakdoek bijv.) over de kool. Duw de randen van het doek tussen de "baar" en de kool naar beneden. Leg hierop een omgedraaid bord en daarop een steen van 2 à 3 kg. Maak die steen eerst goed schoon. Hierover leg je een theedoek. Zet de "baar" buiten onder een afdak. Er moet namelijk frisse lucht aan de kool kunnen komen maar geen regenwater. Als de "baar" helemaal vol is gemaakt met kool, stroomt er na een paar dagen sap over de randen. Ook komt er schuim op te staan. Laat dit allemaal gewoon zijn gang gaan. Na een week kontroleer je of de kool nog onder het sap staat. Is dit niet het geval dan doe je op 1 liter koud water een koffielepel zout. Dit breng je aan de kook, even laten doorkoken en af laten koelen. Als dit zout-water koud is, giet je het over de kool.

Na de tweede week voer je diezelfde kontrole nog eens uit. Staat er nog sap op de kool dan laat je het zo. Is dit niet het geval dan handel je als hierboven. Zie je bij de eerste of tweede kontrole dat er erg veel vaste schuim (kim) is ontstaan op het doek, dan verwijder je die. Het doek pak je daarna weg en spoelt die uit onder een hete kraan. Daarna leg je het doek terug op zijn plaats. Als het flinker begint de vriezen zet je de "baar" binnen op een koele, donkere plek, bijv. in de kelder. Zes weken na het schaven van de kool is de zuurkool klaar. Eet smakelijk

 
Bep Mergelsberg

=========== 

WAALS BIJ DEKREET ERKEND ALS BINNENLANDSE REGIONALE TAAL

Uittreksel van "Walen op zoek naar standaardtaal" van Guido Fonteyn in "De Standaard" 12/13 januari 1991. (BM) 

De Union Culturelle Wallonne vierde op 12 januari 1991 de erkenning bij dekreet van het Waals als taal. De erkenning geldt ook voor dialekten van Germaanse oorsprong, zoals het Luxemburgs. (En de taal van Montzen en omgeving ? ) De stuwende kracht achter dit dekreet is de Union Culturelle Wallonne, met als voorzitter Paul Lefin die als kollegestudent vroeger nog meemaakte dat wie betrapt werd op het spreken van de Waalse taal het verderfelijk merkteken kreeg waar Ernest Claes zo roerend over schreef, in een andere periode en een andere taal.

"Mij gaat het er daarbij niet zozeer om of het Waals na het jaar 2000 nog zal bestaan", merkt Lefin op, "maar dat degenen die het Waals gebruiken gerespekteerd worden, of dat nu jongere scheppende kunstenaars zijn, die het Waals opnieuw ontdekt hebben, of ouderen, die altijd het Waals hebben gesproken.

Ik doe dus niet aan archeologie, maar aan humanisme." Paul Lefin merkt overigens op dat hij het Waals als zijn moedertaal ervaart en niet het Frans.

De Union Culturelle Wallonne telt 227 aangesloten verenigingen, die vorig jaar 1248 vertoningen of ontmoetingen in het Waals organiseerden voor 264379 betalende toeschouwers. Onder deze 227 verenigingen zijn er l57~teatergezelschappen, die over 5072 leden beschikten. Zij voerden 1103 toneelopvoeringen op. 52 verenigingen zijn literaire kringen of verenigingen die ijveren voor het gebruik van het Waals op school.

In 1983 keurde de Franse Gemeenschap een dekreet-Urbain goed waarbij het gebruik van het Waals op school werd toegelaten. Aangezien hiervoor geen cent op de begroting werd uitgetrokken, bleef dit dekreet een dode letter. Lefin is van oordeel dat op basis van het nieuwe dekreet gemeenten en provincies aktiviteiten in het Waals kunnen organiseren in het raam van hun gewone betoelaging. Hij heeft het dan ook over een historisch moment. Op de vraag of Lefin over tien jaar misschien mee zal ijveren voor het verkrijgen van het statuut officie~le taal" voor het Waals antwoordt hij ; "We zullen zien

(kaart: De Waalse taalkaart (bron: Atals Linguistique de la Wallonie)

========== 

AGENDA 

Lezing.
"Voerens papier" door Jaak Nijssen in de gebouwen van een voormalige papiermolen, ten huize van beeldhouwer Sj. Eymael, Vitschen 309 te `s Gravenvoeren. 1 maart 1991. Aanvang 20.00 uur.

Tentoonstellingen.
"Retrospectieve tentoonstelling Rob Brouwers" ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag in Het Kultureel centrum van Sint Truiden (centrum) van 14.3.1991 tot 2.4.1991. Alle dagen geopend van 14.00 uur tot 18.00 uur. Er is ook een katalogus verkrijgbaar. 

"Die Postgeschichte im Göh1talraum, in het "Göhltalmuseum", Maxstrasse 9, Kelmis. Van 22.2.1991 tot 17.3.1991.
 

Nederlandse dialektendag.
Een aantal Nederlandse en Belgische instituten hebben samen het initiatief genomen tot het houden van deze Nederlandse dialektendag. Deze studiedag vindt plaats in de Brabanthallen in Den Bosch op zaterdag 16 maart van 10.00 uur tot 16.30 uur. U kunt zich aanmelden voor deze dialektendag door uw inschrijfgeld over te maken op CERA-banknummer 730-1402526-96 t.n.v. A. Dams onder vermelding van "Dialektendag 1991". De inschrijfkosten bedragen 800 Bfr. voor deelname en boek of 500 Bfr. voor alleen deelname. De lunch is inbegrepen. Inschrijvingsformulieren voor de workshops in de namiddag kunnen verkregen worden op het kontaktadres: NCDN/KUN, Erasmusplein 1, 6525 HT Nijmegen. tel: 080-512056. 

Congres rendierjagers.
Het Gallo-Romeins museum van Tongeren houdt op zaterdag 26 januari een congres over "Rendierjagers. Jong-paleolitische tentenkampen bij de Maas". Aanvang om 10.00 uur. Voor aanmelding en meer informatie kan men terecht bij provinciaal archeoloog G. Creemers, Prov. Gallo-Romeins Museum, Kielenstraat 15, 3700 Tongeren. Tel.: 012-233914. Een van de voordrachten handelt over "De opgravingen te Mesch en Eyserheide en het gebruik van grondstoffen bij de noordelijke rendierjagers". 

Wim Anderson
Ons medelid Theo Broers (Moelingen) nam op maandag 14 januari 1991 met vier andere Voerenaars deel aan het programma "Wim Anderson" van VTM, en dat als supporter van Jan van Loon, die speelde voor het Kanunikenhuis van Borgloon, het toekomstig fruitmuseum; dit leverde voor het museun meer dan 300.000 frank op. Uitzending op vrijdag 31 mei 1991. Door tussenkomst van Theo kon ook een oude stroopketel uit `s-Gravenvoeren voor bedoeld museum verworven worden.