d'r Koeënwòòf nummers 1 tot 8 - alleen de tekst

nr 1 (1990/1)
nr 2 (1990/2)
nr 3 (1990/3)
nr 4 (1991/1)
nr 5 (1991/2)
nr 6 (1992/1)
nr 7 (1992/2)
nr 8 (1993/1)

D'r Koeënwòòf nr 01 (1990/1)

INHOUD

Voorwoord - Jaak Nijssen

EIGEN WERKVERSLAGEN

GEWONE VLAAI EN LINZE-VLAAI, enkele gegevens en recepten

"OS PLAT, `N TAAL DIE ZIENGE BITSTE TIED HAAT GEHAT !!! ?"

DORSEN --- L. Schreurs

AGENDA

PUBLIKATIES

===

Daag allemaol,

Onze kring was er ineens, zonder dat we het zelf in de gaten hadden: in 1984 ontstond een gesprek kal good plat over onze dagelijkse omgangstaal, het Limburgs. Niet enkel de taal, maar de hele eigenheid van het eigen woongebied kwam daar ter sprake. Op 6.12.1988 bevorderden we onszelf tot HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN. "Heemkring", niet "heemkundige" kring: een kring is niet kundig, hoogstens zijn zijn leden dat. We zijn Limburgers met gevoel voor de nuances van onze standaardtaal, het Nederlands.

De kring ontstond in het raam van de Provinciale Avondschool in Voeren; onze stand "architektuur uit de 19e eeuw" op de Open-deur-dag van de Provinciale School was èn een welkome gelegenheid om met onze jonge kring naar buiten te treden, èn een gebaar van erkentelijkheid.

Van workshops (elke eerste donderdag van de maand) worden notulen opgesteld. En als we nu eens die notulen gingen bundelen. zo ontstond dit tijdschriftje. De KORENWOLF, hamster is dat driekleurig diertje (wit, ros en zwart) dat we zelden te zien krijgen, en dat de naam heeft veel te verzamelen, eten uiteraard. Wij verzamelen voorwerpen, dokumenten, kennis over het eigen woongebied

Het Limburgs is vele vormen rijk. Moelingen en `s Gravenvoeren: koeënwòòf; meer oostelijk en in Noorbeek: kaoënwòòf; Margraten: kòrewòòf. Telkens met twee sleeptonen. Een tijdschrift beginnen is gemakkelijk, het op zinvolle wijze voortzetten, dat is wat anders. (G. de Heus, Gulpen, 7.3.1990)

En de boer, hij ploegde voort (F. Timmermans)

J. Nijssen, voorzitter.

 

EIGEN WERKVERSLAGEN

De werkverslagen van 5.4,1988 t/m 5.10.1989 werden aan alle leden bezorgd. Hieronder volgt een samenvatting van de verslagen van november en december 1989 en januari en februari 1990.

VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 9.11.1989.

Oude foto's.
Het is van belang om aan de weet te komen welke personen er staan op oude foto's. Th. B. heeft een aantal oude foto's meegenomen waarvan we er misschien één in Voeren Aktueel kunnen laten plaatsen.

Wapen van Voeren.
Op de markt in Nürnberg staat hetzelfde wapen. Geen enkele Nederlands Limburgse gemeente heeft dit wapen. (JN)

Elektrische draad
HM en FM zijn op zoek gegaan naar de in scene gezette foto van "de draad" bij Vaals. We krijgen van Mevr. Schoonbrood - Hagelstein, Rue de la Gare 31, Gemmenich, een kopie van deze foto. Mevr. Schoonbrood heeft een postkaarten verzameling aangelegd voor de regio Gemmenich - Aubel. Mevr. Schoonbrood krijgt van ons een foto van nummer 301 uit ons patrimonium. Nummer 301 is een werktuig waarmee mensen door de elektrische draad heen geholpen werden. (JN)

Uithangborden
PdW toont een ijzeren uithangbord in de vorm van een koe. Dit bord is op hoeve de Peul (Noorbeek) gevonden.

- het bord is met de hand gemaakt (Th.B)
- het is een veredelde koe (JN)
- FdW zal nagaan of er verf opzit. 

Het uithangbord van de Swaen stamt uit de 18e eeuw en staat binnen op de schouw. Buiten hangt een replika.

Verdwenen veldkruis: vorderingen (met foto)
JN heeft dokumentatie over dit kruis op de Wijnantsgrebbe. Deze wordt doorgespeeld naar Dhr. N. Meens i.v.m. een publikatie over deze verdwijning in "Het Belang van Limburg "Dit kruis werd opgericht door de familie Jongen, ter herdenking van de tragische dood van Willem Jongen, geboren in 1786, jachtwachter van de baron van Mheer, die in deze wegel vermoord werd door stropers in april 1818." (UIT: Archief Mevr. M. Beaumont. Heem, 3e jrg., nr. 6, nov./dec. 1959. "`s Gravenvoeren: Kruisenbomen", C. Waelbers) 

Dit kruis draagt een tweede opschrift uit 1637 met de naam Hamekers. Er zijn lijsten van mensen die voor de komst van de Fransen gestorven zijn maar de naam Hamekers komt daar niet op voor. De kruisvorm is van deze streek. (JN) Misschien is het een tweede-hands-kruis. Het komt vaker voor dat dergelijke arduinen kruisen twee opschriften hebben. {Th. B) Het kruis weegt naar schatting 180 kg 

Gallinger-kruis. (Snauwenberg)
Blauwe steen. Weegt naar schatting 50 kg. Dit kruis is op 3.11.1989 op de oude plek teruggezet. Voor de veiligheid in beton. (RB) 

Kruis aan het spoor
"Op de grens van `s-Gravenvoeren en Weerst, bij een kruising van veldwegen (Schoppem - Weerst) staat een stenen kruis met het opschrift: 

1598 DE
24 IVNY
IS HENDICK
.... S BAEDEN SOEN.VAN.VOVREN
IAEMERLICK DOOTGESCHOETEN
WORDEN GODT BENAEDE DE ZIELE" 

(UIT: Archief Mevr. M. Beaumont. De Band, nr. 5, 1957. "Overmase Veldkruisen" , Jaak Nijssen) 

Dit kruis stond hier tot ongeveer 20 jaar geleden. Bij het aanleggen van de gaspijpleiding is dit kruis nog waargenomen. Toen is het met de leiding ingegraven
 

Inventarisatie kapellen.
FM, LR en BM zullen gaan werken aan een inventarisatie van de kapellen van Voeren. Veel werk is reeds verricht door Mevr. M. Beaumont. Haar materiaal zullen we eerst doorwerken.

(weergave zichtaart: "Fouron-le-Comte. Chapelle de Steenbosch")

 

VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 14.12.1989. 

Cramignons.
LS heeft 10 cramignons verzameld. RB, JG en LS gaan in een van de volgende uitgaven van dit blad de cramignons uit onze streek beschrijven. Voorlopig zullen ze muziek verzamelen en uitzoeken waar en wanneer deze muziek gespeeld wordt/werd. 

Tijdens deze bijeenkomst kwam het volgende naar voren:

- Een cramignon is steeds 6/8 maat, behalve de cramignon van Mheer die 2/4 maat heeft.
- Margraten: "Moder, de kets hat mich gekretst'1 (LS) Mheer: "e Sjtùkske sjpek (sjeenk) mit mostert op" (LS)
- In Ransdaal werden marsen gespeeld en daarop rijde" men dan.(LS)
- Tot aan Margraten/Grondsveld (LS+HM) ook echte cramignon-muziek.
- Twente - Ootmarsum. Gelderland, Achterhoek. Ook rijdansen. Daar noemt men deze dans "`t vluggelen".
- SMV en Eijsden spreekt men van de cramignon.
- In Eijsden ook van "rije" .
- SGV, NB, Margraten, Moelingen van rije .
- SMV rond 1960 gestopt. (JN)
- M'graten rond 1950 gestopt met rij dansen (LS)
- In Noorbeek is deze dans weer her-ingevoerd. (JN) Verdwenen Veldkruis. Het kruis op de Wijnantsgrebbe is terug op de oorspronkelijke plaats gezet. (RB)

 VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 11.1.1990. 

Cramignons.
Alle muziekstukken kunnen ingeleverd worden bij RB. 

De Elektrische draad
De ROL zal de uitzending over de draad kopiëren t.b.v. de Heemkring. (HM) 

Kinkers
RB toont een foto van kleine paardjes die aan weerszijden beladen zijn met een grote mand. Deze paardjes werden "kinkers" genoemd en waren het bezit van handelaren die met kolen en graan naar de markt in Aubel gingen. In onze omgeving kent men veel toponiemen waar het woord "keenke in voorkomt. "Keenkeberg" SGV, "Keenkewaeëg" Grondsveld, "Keenkevaeld" Montzen.

 VERSLAG BIJEENKOMST HEEMKRING 8.2.1990. 

Tijdens deze bijeenkomst zijn we voornamelijk bezig geweest met de organisatie van 13.3.1990 

Kapellen.
Wat moet er in een boekje over Voerense kapellen staan? -Wanneer gebouwd+waarom gebouwd+welk materiaal+eigendom van wie+hoelang hebben bepaalde mensen bij een bepaalde kapel welke gebeden gebeden+er moet een volledige inventaris gemaakt worden van de inhoud van elke kapel-lijst met verklaring van vaktermen . 

HOFFMANN-KRAYER.
Ordening van de besproken onderwerpen met behulp van de nummering van Hoffmann-Krayer. (Zie: "tradities", J. Nijssen, Gidsenkursus Voeren, 1987-1988. "Het Veldmanshuis", Kultureel Centrum van de Vlaamse Gemeenschap in Voeren.) 

Oude foto's: IV C4; Wapen van Voeren: V B1; Elektrische draad: 1 BI; Uithangborden: V; Veldkruis: III D3; Kapellen: III D2; Cramignons: XVII D; Kinkers (foto): IV C4 + VI D3a + VI F4 + XXII B. 

HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN - 5 JAAR. 

Ter gelegenheid van het 5-jarig bestaan van de Heemkring organiseren we op 13.3.1990 een lezing door Prof. A. Roeck met als thema: "Heksen, vroeger en nu". De voordracht begint om 20.00 uur in het Paviljoen van "Het Veldmanshuis" in Sint-Martensvoeren
 

GEWONE VLAAI EN LINZE-VLAAI, enkele gegevens en recepten 

Linzevlaai of toeërt (Margraten, LS) is gemaakt van zandtaartdeeg en de "sjpies", zwarte pruimen of abrikozen, wordt belegd met "ludderkes". "Ludderkes" zijn reepjes deeg die links en rechts, om en om, op de vlaai aangebracht worden. Linze-vlaai is lang houdbaar en stamt uit de Oostenrijkse tijd. "Linzer Torte" (RB).
Gewone vlaai wordt soms `ne toesjlaag genoemd. Dit is het geval als een deegdeksel op de sjpies wordt gelegd. In dit deksel worden speciale openingen gesneden met een schilmes of een schaar. (FM) "`ne Toesjlaag" is vaak een appelvlaai. (BM)
Tot ongeveer 20 jaar geleden werden in Ingber (Gulpen), Margraten en Noorbeek dikkere vlaai-bodems gemaakt dan in Montzen, Kelmis of Voeren. Toen werden in al deze dorpen grotere vlaaien gebakken dan tegenwoordig. Nu zien we dat Belgische bakkers over het algemeen kleinere vlaaien bakken (doorsnede +- 25 cm) dan hun Nederlandse kollega's (doorsnede +- 30 cm). Een van onze zegslieden vertelde dat er enorme hoeveelheden en veel verschillende vlaaien gebakken werden als er kermis was. Vlaai werd toen echter alleen gegeten als er kermis was en wel bij het koffie-drinken om 4 uur. Vaak at men dan uitsluitend vlaai, in al zijn variëteiten. De eerste vlaai die gegeten werd was de rijstevlaai. Meestal sneed men een vlaai in acht stukken.
Rijstevlaai, maar ook Plats, werd soms op een andere wijze gesneden. (zie: hiernaast: afbeelding)) (JN) Men at de vlaai uit de hand Het eten van vlaai met een vorkje is een nieuw verschijnsel in onze streek
Bookeskook, een boekje van Netty Engels-Geurts, waarin vele traditionele vlaai-recepten beschreven zijn. 

RECEPTEN.

 Gewone vlaai Margraten LS (Warme deeg)
Ingrediënten voor 4 vlaaien. 1 kg bloem, 3 haamfele suiker, 1 ons huffe (gist), 150 gr. margarine, 1/2 l. melk, 1 ei.
Bloem in kom. In het midden de huffe, rest langs de kant. Melk lauw maken en beetje melk op de huffe. Wachten tot de huffe opkomt (rijzen) en daarna met de rest van de melk kneden. Dan deeg in 4 bollen verdelen. 5 minuten wachten en daarna uitrollen, en op de plaat. Spijs erop en de oven in. Na ongeveer 10 minuten is de vlaai klaar. 

Toeërt (Margraten LS) (Koude deeg)
Ingrediënten voor 4 vlaaien. 1 kg bloem, 1/2 kg margarine, 1/2 kg suiker, 2 pakjes backin, 3/4 tas koud water, 1 ei.
Bloem met backin vermengen. Alles in kom pratsje en kneden. Deeg verdelen in 4. Is genoeg voor 3 toeërten en 1 bodem. Uitrollen op plaat. Wat teveel is, bolletje van maken. Dit uitrollen voor ludderkes. Spijs op de vlaai, bv abrikozenjam. Ludderkes erop en bestrijken met ei, koffie of water. Beetje suiker erover en de oven in. Ongeveer een kwartier bakken. Deze vlaai bewaart zich enkele maanden. Als deze deeg een nacht in de koelkast wordt gezet bewerkt hij zich beter. Deze deeg breekt vlug. 

Gewone vlaai (Borgharen, Schoppem (FM)
80 gr. boter, 1/4 l. melk, /2 kg meel, 1 1/2 schep suiker, 30 gr. gist.
Boter smelten met de melk. Lauw maken. Dan in de kom doen met de suiker, iets zout en wat meel. Gist aanmaken met wat lauwe melk, dat ook in de kom doen, en dan klaar maken met de rest van het meel. 1/2 uur laten rijzen. Fruit erop. Oven voorverwarmen. 20 minuten bakken op 250°C
 

"OS PLAT, `N TAAL DIE ZIENGE BITSTE TIED HAAT GEHAT !!! ?" 

Wij vinden het verheugend dat onze karnavalsverenigingen de Limburgse taal blij ven gebruiken om bijv. reklame te maken voor de aktiviteiten die zij organiseren. Dat deze mensen, ondanks alle druk van de standaardtaal toch blijven kiezen voor ons Limburgs, verdient grote bewondering en getuig al bijna van moed. Toch willen we hierbij aantekenen dat een kultuur patrimonium, zoals onze Limburgse taal niet mag verworden tot een taal die uitsluitend gebruikt wordt ter gelegenheid van "d'r" karnaval.

 Onze taal is veel meer dan een "narren-taal" en dat blijkt ook uit allerlei initiatieven in Voeren en haar omgeving. We kennen een "dialekt"-mis in `s-Gravenvoeren en men denkt aan een Limburgse bijbelvertaling. We vernamen van "Der Vereinigung für Kultur, Heimatkunde und Geschichte im Göhltal" dat er onlangs "dialekt"-toneelgroepen zijn opgericht im Homburg en Gemmenich. In Bleiberg en Kelmis bestaan deze reeds enige tijd. Ook in Noorbeek staat binnenkort weer een Limburgs stuk op de buun en de toneelgroep van Vilt is op dit terrein bij onze noorderburen een begrip. 

(afb.:)

KURSAAL
KARNAVAL
VOERE
4 FIB UM 14,11 OOR
JEUGDZITTING
PREENSEPROKLAMASJE VAN DER JEUGDPREENS 1990
OETGEVEURD DOER OOS VOERENSE JEUGD
ALLES OONDER BEGELEIDING VAN OOES HOFKAPEL
DAANS - ZAANK - KOLDER - BUUTEREEDNERS
MET BEERKE OET MASTREEG. KAMPIDENBUUTEREEDNER 1989.
OPTREJE VAN OOES DAANSGROEPE. DE BEKSKES.
JUNIOREN EN SENIOREN
SOLODANS VAN DE PETRA EN DE ILONA,.
PREENS CHRISTOPHE I

CERA

Volksbühne Kelmis
Wat haste jesaat?
Samstesch, der 21. Oktober 1989
No 375
Aavank: 19 Uhre 30 Prijs: 130 Bfr
Mit der Unterstutzung des Kulturellen Komitees Kelmis, des Kulturellen Komitees der Deutschsprachigen Gemeinschaft und der Unterstützung des Kulturamtes der Provinz Lüttich 

In "Aanwijzingen voor de spelling van de Limburgse dialekten" is door Jan G.M. Notten een bruikbare spelling uitgewerkt. Er zijn dichters uit bijv. Gulpen, Eijsden en Valkenburg die van deze spelling gebruik maken om hun gedichten te schrijven. Piet Zimmer is een bekend dichter uit Kelmis. 

In Veldeke, Tijdschrift voor Limburgse Volkskultuur, wordt in jrg. 63 (!)-1988 nummer 3 melding gemaakt van een onderzoek naar dialektgebruik op (Nederlands) Limburgse basisscholen. Dianne Huijskens verrichtte dit onderzoek in het kader van haar studie Algemene Taalwetenschappen. Dit onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot het maken van een drietal lessen OVER dialekt, geschikt voor de hoogste klassen van de basisschool. Van de ge geven lessen bestaat een volledig verslag met inst rukt ies voor de docent en een bijbehorende geluidskassette. Belangstellenden kunnen dit materiaal bestellen door f25,- over te maken op giro 4096036 t.n.v. D. Huijskens, Breukelen, onder vermelding van "Spelen met dialekt".

 BEZOEK AAN RIJKSARCHIEF EN SOCIAAL HISTORISCH CENTRUM MAASTRICHT (met foto) 

Op 10 november 1989 bracht de Heemkring een bezoek aan het Rijksarchief en aan het archief van het Sociaal Historisch Centrum van Maastricht. Op beide plaatsen kregen we een degelijke rondleiding. In het Rijksarchief vindt men o.m. kerkelijke registers van voor de Franse Revolutie. In het Sociaal Historisch Centrum worden o .a. veel oude tijdschriften en foto's bewaard. Als men een persoonlijk archief kwijt wil, of een archief van een bedrijf of vereniging kan men hier terecht.

 DORSEN 

In mijn jonge jaren, voor, tijdens en na de oorlog, deed men dit met de vlegel of met de machine.. Dorste men met de vlegel dan werden de schoven met de aren naar binnen gelegd (in een kring?) en sloeg met de vlegel zolang tot de korrels uit de aren waren. Deze korrels werden dan met de "wan" of met de wanmolen gezui verd. Hoe het precies met de "wan" ging, dat weet ik niet. Ik meen door deze met korrels gevuld heen en weer te schudden zodat de onrechtigheden boven kwamen. Deze laatsten moest men er dan vanaf zien te krijgen. Ik meen wel eens gehoord te hebben met een kippeveer of door te blazen??
Had men een wanmolen ter beschikking dan werden de korrels in het "kaar" van de wanmolen geschept. Deze wanmolen bezat en be zit 4 grote schoepen welke men door draaien in beweging zet waardoor er een luchtstroom of wind ontstaat. In deze molen bevinden zich twee zeven welke door het draaien heen en weer slaan waardoor de korrels uit het "kaar" op deze zeven terecht komen.
Door de luchtstroom waaien de lichte gedeelten, `t kaf, door een opening achter aan de molen naar buiten en vormen een hoop op de grond Deze kaf gebruikt men voor het vee gemengd met bieten. Ook werd deze vroeger gebruikt om de strozak te vullen waarop men sliep. Voor dit laatste kwam het kaf van gerst of rogge niet in aanmerking vanwege de stekels die zich hieraan nog bevonden.
Van de twee zeven was er één voorzien van gaten die iets kleiner waren dan de "malen" korrel. Op dit zeef bleef dus bijv. de tarwe liggen en liep via een geleiding naar beneden waar ze al of niet in een "kaar" werd opgevangen.
Wat door deze zeef viel was kleiner dan tarwe welke op een tweede zeef terecht kwam en via een andere geleiding al dan niet werd opgevangen Wat door dit tweede zeef viel waren onkruidzaden en nog kleinere tarwe en deze heette men dan "d'r sjpik" Voor elke graansoort gebruikte men andere zeven. (Mogelijk bevond zich helemaal boven nog een zeef bespannen met kuikendraad met kleine openingen waar de zwaardere stukken op bleven liggen welke niet weggeblazen waren. Dit moest men van tijd tot tijd, meen ik zuiver maken.
Door dit "malen", zoals het genoemd werd, kreeg men dus le soort, 2e soort en afval of "d'r sjpik".
Met de machine dorste men met een zogenaamde "laankdèèrsjer" of met een zelf reiniger. De "laankdèèrsjer" was voorzien van een zeer vlug ronddraaiende wals met tanden en een `sjudder", een uit vierkante gaten bestaande houten geraamte. De schoven hield men met de aren in de wals enige tijd vast tot de korrels eruit waren om ze vervolgens los te laten waardoor ze door de wals naar binnen getrokken werden en op de "sjudder" terecht kwamen. Door het schudden van deze vielen de er nog tussen zittende korrels door de vierkante gaten op de grond. Het stro kwam door de naar beneden hellende "sjudder" op een soort plat liggende ladder waar het met strobanden met de handen tot "bussele" gebonden werd.
Het graan viel direkt onder de wals op de grond. Dit moest dan via de wanmolen gereinigd worden.
Dorste men met een zelfreiniger dan was deze wanmolen ingebouwd en werd het graan in zakken opgevangen. Het stro moest echter via de "sjudder" met de hand gebonden worden.
Dan had men nog een machine om te dorsen, n.l. "d'r daamper". Dit was een grote zelfreiniger waarachter een bindmachine, "d'r binder", werd geplaatst. Deze bond het stro automatisch met twee touwen tot "bussele". Deze "daamper" had een lange wals, ruim de lengte van het langste graan, waarin de "gerven" dwars werden ingevoerd. Dit werk noemde men "voren" 

5.12.1988 Opgetekend door L. Schreurs. Margraten
 

AGENDA

Elke eerste donderdag van de maand: workshop Heemkring Voeren en omstreken.
13.3.1190: Lezing Prof. A. Roeck "Heksen, vroeger en nu" om 20.00 uur in het Paviljoen van het Veldmanshuis te Sint-Martensvoeren.
16.3.1990 Voordracht van J. Gabriëls "Vogels in onze omgeving" om 20.00 uur in Herberg "De Swaen" te `s Gravenvoeren.
26.4.1990: Lezing J. Notten "De historie van de Limburgse dialekten" om 20.00 uur in Kasteel Vaalsbroek.
21.3.1990 Lezing H. Lemmerling "Volksgeloof en volksgebruiken" om 20.00 uur in paviljoen Berggalm te Noorbeek.
 

PUBLIKATIES 

Publikaties van de Heemkring Voeren en omstreken.
"Wie groet is e boender, wie groet is 'n rooj?" in: Voeren Aktueel; jrg. 6, nr.4, sept.1988
"Boter van de boer I" in: Voersprokkels nr. 39.
"Boter van de boer II" in: Voersprokkels nr. 40.
De samenwerking met de Provinciale School rondom "19e eeuwse architektuur" resulteerde in een routebeschrijving die ons voert langs 19e eeuwse gebouwen en woningen in de Voerstreek en onze Nederlandse buurdorpen Eijsden, Mheer en Noorbeek. Personlij!ke Publikaties.
"Croix, Potales,et Chapelles au pays de Visé" in: Notices Visetoises 1989 door: Jaak Nijssen.
"Sint Tunnis in Teuven in: Voeren Aktueel; jrg. 7, nr. 4, dec `89/ jan `90 door: Jaak Nijssen.
"Zomer 1914: De eerste Wereldoorlog breekt uit" in: Voeren Aktueel, jrg. 7, nr. 3, juli 1989 door: Rob Brouwers.

D'r Koeënwòòf nr 02 (1990/2)

Inhoud:
13 Verslag
14. Publikaties
15,16,17 Verslag
18 t/m 23" Zòw v' r 'ns 'ne rej spele?"
24, 25. Kleine landschapselementen, noodzakelijk in het landschap. 

13'
BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 8.3.1990.
Aanwezig: R. Brouwers, J. Nijssen, L. Schreurs, T. Broers, P. en F. de Warrimont. H. en F. Maurer, L. Reestman, B. Mergelsberg.

Organisatie 13.3.1990.
JN zal de inleiding en het welkomstwoord verzorgen.
Aan de orde moet komen:
- Inleiding van onze vereniging
- Afspraken omtrent roken
- Aan het einde van de lezing zullen we een mandje laten rondgaan
- We heffen geen entree.
- Inleiding spreker
- Thema benoemen
- Aankondiging van de receptie
- Aankondiging van de publikatie van de eerste lessenreeks "Kal good Plat".
Aankondiging van de eerste uitgave van ons krantje.
JN zal ook de afsluiting en een dankwoord aan de spreker verzorgen.
BM zal twee platten verzorgen.

Krantje.
We zullen de nummering van de blz per jaargang laten doorlopen.
Eerste uitgave: Jaargang 1990, nummer 1.
Onder elke bladzijde wordt de naam van het blad plus de jaargang en het nummer getypt.
De naam van het blaadje luidt: 'D'r Koeënwòòf". 

Trip-Sopfeesten.
Wat zouden wij tijdens deze feesten kunnen doen?
Tijdens de volgende bijeenkomst komen we hierop terug. 

Mededelingen.
De pastoor van SMV heeft een dokument gevonden dat dateert uit de WO 1 en waarin de burgemeester verplicht wordt om de inwoners van zijn gemeente om de veertien dagen in het openbaar te waarschuwen voor de gevaren van de elektrische draad.

BM heeft een brief ontvangen van het kadaster te Roermond waarin vermeld wordt dat het minuutplan van de kern van Noorbeek aanwezig moet zijn in het Rijksarchief te Maastricht. Eerder had een van onze leden gekonstateerd dat het minuutplan daar niet meer aanwezig was.

Het Davidsfonds van de Voerstreek organiseert in de week van 24.3. 1990 een rariteiten-kabinet.

RB werkt aan een artikel over de inval van de Duitsers in SGV. 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 5.4.1990.
Aanwezig: P de Warrimont , F. Maurer, R. Brouwers, L. Reestman L. Schreurs en B. Mergelsberg.

14'
Cramignons.
RB en LS zullen proberen om voor de volgende keer het een en ander op papier te zetten voor het volgende krantje.

D'r Koeënwòòf.
Als de kopie voor de volgende krant klaar is en er staat niet genoeg geld op de bank dan gaan we met de pet rond.
Bij volgende aktiviteiten bezorgen we geen huis aan huis folder meer.

Heemkring en Milieugroep.
In september zullen we een vergadering proberen te regelen met de milieugroep.
Misschien kunnen we samen de lezingen in het voorjaar organiseren.

Mededelingen.
Het rariteiten-kabinet was een groot sukses en is voor herhaling vatbaar.
De werkgroep Kapellen heeft twee bijeenkomsten gehad.
Tijdens een bijeenkomst is de OLV kapel aan de Kinkeberg bezocht. 

PUBLIKATIES.
"Fehlen Scheibenkreuze sowie Rad- und Ringkreuze zwischen Ems und Seine?" in: Signalisations de sépultures et stèles discoidales, V - XIX siècles. Actes des Journées de Carcassonne, sept. 1987- (1990); pag. 13 t/m pag. 30. Door: Jaak Nijssen. In dit artikel inventariseert en beschrijft Jaak Nijssen allereerst "Klein-denkmäler" in het gebied tussen de Ems en de Seine. Een tekening op pagina 15, van Jan Aussems, 's-Gravenvoeren, toont ons enige grondvormen van kleine gedenktekens met de daarbij behorende benamingen waardoor het vervolg van het artikel ook voor een volstrekte leek op dit gebied bevattelijk blijft.
Kaarten op pag. 15, 17 en 23 laten zien welke geografische posities de voor het onderzoek gebruikte gedenktekens in het bovengenoemde gebied innemen.
We vinden in het artikel vele afbeeldingen van gedenktekens uiteraard ook van gedenktekens uit onze omgeving: p. 19, afb. 11: "Eupen", afb. 12: "Val Dieu": p.21, afb. 19: "Welkenraedt", afb. 20: "'s Gravenvoeren"; p. 27, afb. 37: "Walhorn", afb. 38: "Aldenhoven", afb. 42: "Warsage"; p. 29, afb. 45: "Homburg". Na analyse van het onderzoeksmateriaal konkludeert Jaak Nijssen dat het Rijn- en Maasland, hoewel rijk aan kleine gedenktekens, geen "Ring - und Scheibenkreuze" kent. "Hoogstens komen in dit gebied nevenvormen voor en een reden voor deze leemte kennen we tot nu toe nog niet", al dus de schrijver. 

"1940 -1945 La Basse-Meuse dans la guerre" Publication de la Sociéte Archeo-Historique de Vise et du Musée Régional d'Archeologie et d'Histoire; Mei 1990. 

"Watermolens in Eijsden. Momentopnamen uit hun geschiedenis" M. Meerman.- Eijsden: Stichting Eijsdens verleden.

15' 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 3.5.1990
Aanwezig: J. Geelen, F. en H. Maurer, R. Brouwers, L. Schreurs, T. Broers, L. Reestman, J. Nijssen en B. Mergelsberg. 

LS leest zijn resultaten voor van zijn rondvraag rond cramignons.
Men kan lid worden van de Heemkring Voeren en omstreken voor een jaarlijkse bijdrage van 200 Bfr. Daarvoor in ruil ontvangt men 4 nummers van d'r Koeënwòòf.
Er wordt een bijdrage van 3000 Bfr. gevraagd aan de Kulturele Raad van Voeren.
Twee leden van de Heemkring (RB en LS) bezochten de lezing van J. Notyy ten over de geschiedenis van de Limburgse dialekten te Vaalsbroek.
Volgende bijeenkomst: bij L. Schreurs op 7.6.1990 om 8 uur. 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN EN OMSTREKEN 7.6.1990
Aanwezig: P. en F. de Warrimont, J. Geelen, R. Brouwers, H. en F. Maurer, L. Schreurs, T. Broers, L. Reestman, J. Nijssen, B. Mergelsberg.

De jaarlijkse bijdrage. Deze bijdrage werd betaald door: Brouwers, Maurer, Mergelsberg, Nijssen, Geelen, de. Warrimont, Schreurs, Broers. In totaal is ontvangen: 33 gulden, 20 DM, 600 Bfr.

We proeven allen van de linze-vlaai die door de echtgenote van LS gebakken is. Het smaakt voortreffelijk.
In Aken kent men een speciaal soort gebak dat men Linzer Torte noemt (JN).
In Denemarken kent men eveneens een soort gebak dat men Linzer noemt en dat net als hier gemaakt wordt van zandtaartdeeg. (BM) 

AGENDA.

1. Bijeenkomst Heem en Groen Noorbeek en Heemkring Voeren.
2. Bijeenkomst Milieugroep Voeren en Heemkring Voeren e.o.
3. D' r Koeënwòòf.
4. Toelage Kulturele Raad.
5. Kapellen een monumenten.
6. Nederlands geld. Het nieuwe briefje van 25 gulden.
7. Tentoonstelling Vise en Bleiberg.
8. Voeren Aktueel.
9. Bronk SMV, SGV, Teuven en Moelingen.
10. "Mè-pennyy ing" "Godshalder".
11. Trip-sopfeesten.

1. BM regel 1 een bijeenkomst in september op een woensdag in Noorbeek.
2.De Milieugroep Voeren en de Heemkring Voeren en omstreken komen bijeen op 12 september in De Swaen. Tijdens deze bijeenkomst zullen ze bekijken op welke gebieden er samengewerkt kan worden. JN is bereid om een lezing te houden over de papierfabrikatie te Schophem.
3. Volgende zaken komen in "d'r Koeènwòòf" nr. 2.:
Nieuwe voorkant gemaakt de LS.
Verslagen.
Artikel LS over cramignons.
JN laat BM een aantal namen en schrijvers van publikaties toekomen die in deze krant opgenomen zullen worden.
Er worden dit keer 50 stuks gekopieerd.
Het Prov. Dokumentatiecentrum ontvangt een gratis exemplaar.
Heemkring Sint-Geertruid en de Heemkring Voeren en omstreken ruilen hun krantjes.
4. We krijgen een toelage van 3000 Bfr. van de Kulturele Raad maar dan moeten we wel op onze publikaties vermelden dat deze o.m. tot stand kwamen dankzij de steun van de Kulturele Raad.
5. BM zal kontakt opnemen met JW en indien deze geen bezwaren heeft zal BM een afspraak regelen met "Monumenten en Landschappen".
6. Er is een nieuw briefje van 25 gulden uitgegeven. 6 van de 11 aanwezigen vonden het oude briefje mooier dan het nieuwe. 1 van de aanwezigen vond het nieuwe mooier.
7. In Vise is een tentoonstelling georganiseerd over WO II door "la Sociéte Archéo-Historique de Visé" en "le Musée Régional d'Archéologie et l'Histoire". Ons lid TB was ook aanwezig met foto's. Er was veel materiaal over het begin van de oorlog en de bevrijding. Ook de naburige forten werden behandeld.
In Eupen was een tentoonstelling te zien over "de verdrongen jaren" 1919-1945. De opa's werden toen ineens "de vijand" genoemd. In Bleiberg werd een Open Dag georganiseerd die voornamelijk genealogisch van aard was. Soortgelijke verenigingen uit Visé, Maastricht en Hasselt (VVF) stelden hun materiaal ten toon.
8. RB heeft in Voeren Aktueel een artikel geplaatst over het begin vans van WO II. Het geeft alléén informatie over 's-Gravenvoeren. JN geeft in dit nummer van VA één eigen reportage weer over de inval van de Duitsers. Hij heeft ook Mevr. Schillings en Dhr. Heuschen geïnterviewd. JN heeft tevens een artikel geplaatst over "D' r Koeënwoof". 
9. We konstateren dat organisaties zich gaan bezighouden met het maken van vaantjes en het plaatsen daarvan. In SGV is dit al enkele jaren het geval, in SMV is de bronkversiering van de wegen dit jaar voor het eerst op deze manier geregeld. (JN, RB)
In Moelingen gaat het niet goed niet de bronk (TB)
Heiligenhuisjes worden nog steeds door partikulieren opgesteld. (JN)
In SMV wordt de schutterij tijdens de bronk getrakteerd. (JN)
In SMV zetten de inwoners in het verleden nog vaantjes, de Franstaligen echter niet.
De bedoelde organisatie zet nu bij deze laatsten ook vaantjes voor de deur.
In Nederland, vlak na de oorlog, werd de wet op de zondagsrust goedgekeurd.
Voor Nederlands Limburg hield dit in dat tijdens de bronk op zondagochtend de harmonie niet mocht spelen.
Onder druk van het Katholieke Zuiden is deze wet na een jaar weer ongeldig verklaard.(PdW, H. en F. M., LUS)
In onze tijd komt in Nederlands Zuid-Limburg regelmatig de klacht voor dat kerkklokken geluidsoverlast veroorzaken. (PdW en BM)
De bronk van SMV kent drie routes die per jaar achtereenvolgens gelopen worden.
De route naar De Plank (1990), naar Veurs, naar de Knap en Einde.(JN)
De bronk van SGV gaat dit jaar naar Schoppem.
Normaal is de bronk voor sakramentsdag.
In Moelingen en SMV gaat de processie voor sakramentsdag uit.
Normaal is eerst de mis en dan de bronk.
In SMV is eerst de bronk en dan de mis (JN)
10. Als een meid of knecht in dienst genomen werd betaalde de "heer" als bezegeling van de afspraak een "mè-penning". Dit was doorgaans een vijf-frank-stuk, ook in Nederland in de 20er jaren. Als de meid of knecht niet kwam opdagen dan moest dit geldstuk teruggegeven worden.

De "godshalder" was ook een klein munt stuk dat de afspraak over een koop bezegelde. Voor een paard was dat f2,50, voor een koe f1,-, voor een varken f0,25, voor een big f0,10 Met dit geld mocht niet gehandeld worden en het werd dan ook een busje voor de Afrikaanse Missies gestopt. (LUS)
11. Wat kunnen we doen tijdens de Trip-Sop-feesten?

o 10 oude foto's afdrukken en die verkopen met wat winst.
o Tentoonstelling maken over ons patrimonium en "d'r Koeënwòòf" verkopen.
o Een tentoonstelling maken over Stroperij, met materiaal van TB.

"'ne vur" (LUS) een bunzing
"'ne vuurder" (JN) een bunzing
"'ne fuing" (RB en JN) een steenmarter.
"'e wessel" (RP~) een wezel. 

ZOU V'R 'NS 'NE REJ SJPELE ?
Stelde men deze vraag rond de 5Oer jaren aan de muzikanten van de fanfare dan was het antwoord: "Ja, welke? Die van Mheer of d'r 6/8 of moder de kets?". Zou dit nu gevraagd worden dan keken 9 van de 10 muzikanten of ze water zagen branden. In het gunstigste geval fluisterde men. "Die heeft teveel bier gehad". 

WAT IS 'NE REJ?
Een rej of een cramignon is volgens het boekje van Roger Pinon een van oorsprong Waalse dans op een kenmerkende muziek in de 2/4 of 6/8 maat. Deze dans wordt reeds genoemd in 1575 in Luik. In het Land van Herve en Eupen-Malmedy bestonden er meer dan 100 verschillende nummers deels reeds stammend uit de 16e eeuw. Rond 1850 zijn er in Wallonië meerdere cramignon-gezelschappen opgericht. Tot zover Pinon. 

WAT IS HET KENMERKENDE VAN EEN CRAMIGNON?
Een van de kenmerken van een cramignon in de 6/8 maat is de verdeling van de noten. In hoofdzaak zijn het kwarten en achtsten met aan het slot van een reprise een zestal achtsten achter elkaar van hoog naar laag of omgekeerd, meestal voorafgegaan door 1/8 en eindigend met 1/8.

Toch worden genoemde kwart en en achtsten niet gespeeld zoals het hoort. Van de kwarten maakt men achtsten met punt en voor de achtsten speelt men zestienden. Een zestal achtsten achter elkaar worden dan triolen.

Van de ongeveer 20 in mijn bezit zijnde cramignons staat het overgrote deel in de 6/8 maat. Van de overblijvenden is er een overgezet van de 6/8 in de 2/4 maat (zie: afbeelding 1), een, waarschijnlijk een "inwijkeling" , een geschreven in de 4/4 maat (deze wordt gespeeld in Slenaken) en een in de 2/4 maat (zie: afbeelding 2). Deze laatste werd door de fanfare in Margraten gespeeld en werd "Die van Mheer" genoemd. In andere plaatsen werd deze cramignon "d' r do fafafafa" genoemd. In het boekje van Pinon staat deze rej afgedrukt maar met een andere verdeling van de noten en zonder 3e reprise. Eijsden speelt of speelde deze rej zoals hij in dit boekje staat maar daar noemde men hem "De Vink".

Waarschijnlijk is deze cramignon van horen spelen "gearrangeerd" en misschien omdat Mheer dit arrangement geregeld uitvoerde is men in Margraten deze rej "Die van Mheer" gaan noemen. Zo is het ook met de benaming van de andere cramignons. De rej die in Mheer e sjtukske sjeenk mit mosterd op"(afbeelding 3) heet wordt in Margratyy en "moder de kets hat mich gekretst" en in Sint, Geertruid "d'n os" genoemd.

SPEELDE MEN VEEL VERSCHILLENDE CRAMIGNONS?
Een groot repertoire hadden de muziekkorpsen niet. Met een stuk of 4 of 5 was het meestal wel bekeken. Soms nog minder. De cramignons die door Noorbeek gespeeld werden, werden ook, of tenminste gedeeltelijk door bijvoorbeeld Sint Geertruid of Mheer ten gehore gebracht. Evenals die van Mheer door bijvoorbeeld Banholt en Margraten en die van Margraten weer door Noorbeek. De meest bekende uit vroeger jaren, tenminste zoals ze in Margraten genoemd werden waren d' r 6/8 (zie: afbeelding 4), die van Mheer, "Modder de kets. ." en vooruit Mina. (zie: afbeelding 5) Is deze laatste wel een "echte" cramignon? Deze melodie komt n.l. ook voor in Potpourri Populaire no 1 van F. Renaud. In Mheer heette er nog een rej "d' r Sol". Ergens noemde men een cramignon "d'r re-sol". (zie: afbeelding 6) Mogelijk is deze dezelfde als de vorige.

Een z. g. dorps-cramignon had men in de meeste plaatsen niet. Groridsveld heeft wel een eigen cramignon die men niet of moeilijk in handen krijgt. Waarschijnlijk heeft Eijsden de meeste variatie. Ook heeft Eijsden cramignons welke buiten Eijsden nauwelijks bekend zijn. Dat wil zeggen: vroeger waren deze cramignons buiten Eijsden onbekend.

Toch had niet elke vereniging typische cramignon-muziek. Rejjen deed men overal in Limburg en ook elders in Nederland, zoals in Gelderland en Overijsel. Men rejde dan op gewone, meest licht loopmarchen, of andere populaire muziek zoals bijvoorbeeld "Holland jubelt" 

DE ECHTE CRAMIGNONS.
De echte cramignons werden en worden zover schrijver dezes bekend alleen gespeeld door Grondsveld, Eijsden, Sint Geertruid, Mheer, Banholt, Noorbeek, Slenaken, Epen en Margraten. Dus plaatsen langs de grens met als uitschieter Margraten. Ook Voeren en Sint Meerten speelden cramignons. In deze laatste plaats niet in verenigingsverband maar door enkele muzikanten van de harmonie. Op 2e kermisdag werd door deze muzikanten ook in Sint Pieter cramignon gespeeld.

Leden van de harmonie in Voeren spelen tot op heden deze muziek. Aubel en Teuven kennen deze muziek niet evenals aan onze kant Cadier en Keer en Bemelen en vreemd genoeg ook Eckelrade. Wel werd in Eckelrade, door meestal oudere muzikanten, die er een of meer kenden van horen spelen deze weleens ten gehore gebracht na afloop in de buurt van het buffet. Cadier en Keer, Bemelen en Eckelrade zijn wel tamelijk jonge verenigingen, opgericht respectievelijke in 1921,1914 en 1920. Ofschoon Noorbeek pas in 1927 werd opgericht was men daar wel met deze muziek vertrouwd wat verband zou kunnen houden met de ligging van deze plaats. Ook Epen is een uitzondering omreden deze Harmonie pas werd (her) opgericht in 1938. Volgens Et. Franssen,reeds 50 jaar lid, was er tot 1934 wel een Harmonie maar stelde met slechts enkele leden niet veel voor. Na de heroprichting in 1938 werd de cramignon muziek daar bekend door het meespelen van muzikanten uit Noorbeek en Slenaken. Het aangrenzende Mechelen opgericht in 1834, zou deze muziek niet, kennen.

De andere echte cramignons spelende verenigingen zijn opgericht, volgens drapeau: Mheer 1821; Grondsveld 1835; Margraten 1852: Eijsden 1974 (De Blaw) en 1880 (De Roej) Voeren 0890; Banholt en Slenaken 1895 en Sint Geertruid 1905. Het oprichtingsjaar van de Harmonie van "Sint Meerten" is niet bekend. De eerste oprichting van Sint Geertruid is echter 1843, van M'graten 1846.

WAAR KON MEN DEZE MUZIEK KOPEN?
Nergens! Partijen van cramignons bestonden zo goed als niet. De enige "echte", partij in mijn bezit is afbeelding 7. Hier staat zelfs een komponist op. Deze partij kan van mijn grootvader zijn geweest die omstreeks 1900 lid van de fanfare was. De andere cramignons werden op het gehoor nagespeeld. Ook vroeg men wel eens om enige maten met de namen der noten voor te zingen. Nadat er nodige mi-bemollen onder de pupiter en zelfs onder "d'r kios" waren terecht gekomen kon er op het einde van de avond al vrij aardig meegespeeld worden. Voor echte "laammekersj" heeft ondergetekende vaker wel eens een partij uitgeschreven. Verschil in partijen bestond niet. Zowel Piston als Bombardon speelden dezelfde noten zij het dat de blazer van dit laatste eksterment" de "leuperkes" verving door kwayy rten of halven of, een baspartij van eigen compositie speelde. Ook werden door leden met een goed muziekgehoor eigen arrangementen bijgemaakt, zoals bijvoorbeeld een 2e partij of een tegenzang en door iemand die handig was met de ventielen de nodige triolen ingepast. Als deze laatste ook al eens een maat doorschoot mocht dat de pret niet drukken.

HOE WERD CRAMIGNON GEDANST?
Vrij eenvoudig. Gewoon hand-in-hand springend op de maat van de muziek al of niet in een kring. In sommige plaatsen danste of rejde de kapitein van de Jonkheid voorop gevolgd door de rest.

Stond er ergens een deur open dan slingerde men hier naar binnen en door een andere deur, mits aanwezig weer naar buiten. Was die andere deur er niet, zo kon men van een probleem spreken. In Noorbeek is enkele jaren geleden aan een aldaar wachtende VSL-bus aan de voorkant ingerejd en aan de achterkant weer uit. Niet een keer maar continu gedurende een 5-tal minuten. Toen kreeg de chauffeur de kans om de deur te sluiten.

In Margraten werd gerejd in een of meer kleinere of grotere kringen. Vanzelfsprekend dansten geen 2 mannelijke personen hand in hand. Was dit wel het geval dan werd er al snel van "flabbesse" gesproken. Voor het schone geslacht gold dat niet. Integendeel. Als er meerdere dames naast elkaar rejden was dit meer een uitdaging aan de ferme stoere knapen langs de lijn. Zeker als er zich onder dezen mogelijke candidaten bevonden om later de echtelijke sponde mee te delen.

IN HET VOLGENDE NUMMER:
Het spelen van de cramignon o.a. met "de Broonk" en het onbruik geraken hiervan. 

D'r Lej va Merregraote. 

KLEINE LANDSCHAPSELEMENTEN, NOODZAKELIJK IN HET LANDSCHAP.
In de streken waar van oudsher veeteelt wordt beoefend, zoals de Voerstreek, het Land van Herve, Nederlands Zuid-Limburg en de Haspengouw komen sinds eeuwen in het landschap waterplassen/poelen voor. Deze zijn door de mensen gegraven voor verschillende doeleinden:
1. Het verzamelen en het opslaan van overtollig regenwater, dat anders snel van de hoger gelegen gebieden naar lagere terreinen zou stromen.
2. Het laten drinken door het vee. (koeien, paarden, schapen enz.
3. Het voorkomen van erosie, door het ontbreken van de waterstromen.

De voordelen voor de landbouwers, veetelers en andere grondgebruikers waren en zijn duidelijk:
a. Het gebruik van regenwater is goedkoper dan het aanwenden van grondwater en leidingwater.
b. Het grondgebruik werd ekonomisch en efficiënt benut. Een poel/ waterput neemt relatief weinig plaats in beslag
c. Door eeuwen ervaring/overlevering van geslacht op geslacht wist men dat veel goede grond wegspoelde -en nog wegspoelt naar lager terreinen, naar beken en riviertjes en tenslotte belandde/belandt in de rivieren en de zee.
d. Een bijkomend voordeel voor de gebruikers van gronden in de lager terreinen was en is, dat men beken en riviertjes minder vaak hoefde/hoeft schoon te maken en uit te diepen. 

In vroeger eeuwen en vanaf de 15e a 16e eeuw met zekerheid hadden de waterschappen/hoogheemraden de taak controle bij de grondgebruikers uit te oefenen op de reiniging van de waterlopen. Teneinde de erosie, het rigoureuze dichtslibben en waterverspilling tegen te gaan, werd in onze landen (Nederland, België en Duitsland) in de jaren 60 plannen ontwikkeld door allerlei instituten om het overheidbeleid om te buigen in een andere richting. De verschillende overheden vaardigden, de ene sneller dan de andere, maatregelen van bestuur en wetten uit om de teloorgang van de vele karakteristieke landschapselementen te bewaren c.q. te herstellen. We kunnen hierbij denken aan hoogstamfruitbomen, knotwilgen, poelen, graven of graften, holle wegen, landbouwwegen, windsingels, bosjes enz. Doordat de verschillende overheden hun beleid vaak minder goed op elkaar afstemmen; Denk aan:
1 Ruilverkaveling
II Premies voor kappen van hoogstamfruitbomen
III Het opruimen van hagen en poelen en bomen
ontstond onder de mens en een funeste mentaliteit t.o.v. het hem omringende landschap en de veranderende natuur. Daardoor verdwenen en verdwijnen nu nog bomen, graften, hagen, poelen en wordt het landschap nog steeds geëgaliseerd voor een z.g. effektiever landbouw- en veeteeltgebruik. En daarom proberen industrieën nog steeds met steun van de verschillende overheden en ministers delfstoffen uit onze landschappen te wroeten, liefst in onbeperkte hoeveelheden (bijv. mergel, zand, grind, steenkool, gesteenten). Deze ontwikkelingen zijn versneld door de mechanisatie in de landbouw en de technische ontwikkelingen in de industrie. Produkten van landbouw, veeteelt en tuinbouw en grondstoffen en eindprodukten zijn noodzakelijk voor de welvaart. Maar zijn alle bovengeschetste ontwikkelingen ook steeds welkom voor ons welzijn?
Teneinde beter vat te krijgen op de kringloop van landschapsontsierende en grondstoffenverslindende ontwikkelingen besloten de overheden in de verschillende regio's om ons heen (de z.g. Euregio) meer de wetgeving op elkaar af te stemmen, zodat grensoverschrijdend een heilzamer en gerichter beleid kan worden gevoerd. De Europese Commissie en het Europees Parlement krijgen hierin steeds meer bevoegdheden en kunnen sancties nemen. Er werden instellingen uit de grond gestampt. O.a. in Nederland het I.K.L.(=Instituut voor Kleine Landschapelementen). Milieugroepen in de diverse landen hielpen en helpen de eigenaren een handje door vrijwilligers onderhoud te laten verrichten aan landschapselementen. Resultaten van deze werkzaamheden zijn al te zien en menigeen heeft er al mee te maken gehad.:
1. boomsingels zijn aangeplant
2. poelen zijn hersteld
3. wandelpaden zijn heropend
4. ruilverkavelingsplannen zijn gewijzigd. Uitvoer of al uitgevoerde ruilverkavelingen zijn later bijgesteld.
5. vuilverbrandingsovens en stortplaatsen worden gepland en uitgebouwd. 

Het doel van een en ander is de grondgebruikers, wie dat ook mag zijn, bewuster te 'naken van de hen omringende natuur. 

Samenvattend kunnen we stellen dat:
1 door de mentaliteitsverandering en bewustwording van grotere bevolkingsgroepen en
II de wetgeving van de laatste 20 jaar en de hoewel nog vaak gebrekkige kontrole op deze maatregelen van de overheden er een kentering gaande is die hopelijk het tij zal doen keren. We zijn er nog niet. De tijd zal leren welk oordeel de volgende generaties over ons zullen uitspreken betreffende de houding van de hedendaagse generatie. Laat de zondvloed nog even wachten en de poolkappen hun sneeuwhoeveelheden behouden. 

Fred de Warrimont.

D'r Koeënwòòf nr 03 (1990/3)

Van de in "D'r Koeënwòòf" nr. 3 op blz. 30 afgedrukte Tirailleur march is de trio door ondergetekende foutief verbeterd. Hieronder de juiste maatverdeling. Met dank aan Jean Lorquet. (wg.) D'r Lèj va Merregraote.

INHOUD
Verslag.........................................................26
"zow v'r 'ns ne rej spèle (deel 2).......................27
Publikaties.....................................................31
Vlöggele, rijdansen in Ootmarsum? ..................33
Kontakten.......................................................33
De ondergrond van de kerkheuvel van Sint-Martensvoeren...........34
Bodemvondsten bij de kerk van Moelingen.........................40
Gedicht --- Charlotte Noteboom - .......... 42

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. 5.7.1990.
Deze bijeenkomst is helemaal gewijd aan de Trip-Sop-stand van onze Heemkring. De stand heeft als thema "Stroperij". We hebben allerlei stropersmaterieel bekeken en besproken, zodat we aan het eind van de bijeenkomst wisten waarvoor al die vreemde vallen en haken nu precies gebruikt werden. We zullen Sjef Wanders vragen of we van hem een das en een steenmarter kunnen lenen voor de stand.
We willen ook oude foto's en postkaarten afdrukken en verkopen. D'r Koeënwòòf nr. 2 wordt er ook verkocht. 

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. 2.8.1990.
Tijdens deze bijeenkomst hebben we de inhoud van D'r Koeënwòòf' nr.3 besproken. We hebben besloten dat de volledige verslagen van de bijeenkomsten niet meer in ons blad worden opgenomen. De belangrijkste agendapunten en eventuele besluiten zullen wel steeds, in vorm van een kort verslag, opgenomen worden. Zodoende blijven de geïnteresseerden toch op de hoogte van ons werk. We zullen moeten vast leggen wat er met het archief van de Heemkring lgeebeurd als deze vereniging opgeheven wordt. We hebben gedachten uitgewisseld, voor's en tegen's van bepaalde voorstellen afgewogen, maar tot een besluit zijn we tot nu toe nog niet gekomen.

We zullen de hoofd-verantwoordelijken van de verschillende voerense afdelingen van de "Drie maal twintigers" aanschrijven met de vraag of enkele leden van de Heemkring, tijdens een bijeenkomst van de "Drie maal twintigers" een gesprek kunnen hebben met geïnteresseerde bejaarden rondom het brede thema: "Oet vreuger jaore "

BIJEENKOMST HEEMKRING VOEREN E.O. EN MILIEUGROEP VOEREN 12.8.1990.
Deze beide verenigingen wilden gaan samenwerken op drie punten: De heemkring kan een bijdrage leveren aan de dia-lezingen die de milieugroep elk najaar organiseert.
We nodigen gezamenlijk en in samenwerking met Herberg "De Swaen" "Monumenten en Landschappen" uit om eens een kijkje te komen nemen in de Voerstreek. Leden van de heemkring zijn bereid om in het voorjaar te helpen met de paddenoverzetaktie.
Tijdens deze bijeenkomst is aan deze punten een konkretere inhoud gegeven.
 
"ZO VER `NS `NE RIJ SPèLE."(deel 2) 

Wanneer werd er cramignon gespeeld of werd er "gerejd"?
Bijna bij elke gelegenheid als de fanfare uittrok, uitgezonderd begrafenissen en rondgang voor donateurskaarten. Bij deze laatsten bleef men binnen. Zeker werd cramignon gespeeld met de "broonkkermis `t. Verder bij gelegenheid van de fancy-fairs, jubeleumfeesten van verenigingen of plaatselijke notabelen, oranjefeesten e.d. Kort gezegd als er iets te feesten viel in het dorp.

Op "Broonkzoondèg en Maondèg" was er, als het tenminste niet regende, een concert "en plein air". Begonnen werd om 5 uur (en een half) met een marche, daarna twee of drie muziekstukken en tenslotte weer een marche. Vervolgens speelden een of meer verenigingen uit de omgeving ook enkele marchen en stukken en daarna weer de eigen vereniging, wiens leden hun tijd zeker niet in ledigheid hadden doorgebracht. Nu echter alleen loopmarchen. Was het nog vroeg op de avond dan werd na een march of vijf nog gauw een kleine "ademhalingspauze" ingelast. Later op de avond was deze niet nodig want hierin voorzag het bestuur of andere sponsors. Op de genoemde loopmarchen werd door vroege vogels reeds "gerejd". Na enkele marchen werd dan de boven deze proza staande vraag gesteld: "Zow v' r ns ne rej sjpèle?" Begonnen werd meestal met "d'r 6/8" die `n keer of 5 a 6 herhaald werd. Bij de laatste herhaling speelden we dan de laatste 16 maten enigszins vlugger. Later op de avond werden deze 16 maten uitgebreid tot de gehele laatste herhaling met als slot enkele zeer langzaam gespeelde maten van eigen compositie. Dat er dan naast de eerder genoemde mi bemollen ook de nodige si bemollen verloren gingen behoeft geen verdere verklaring. Na de 6/8 werd dan bijvoorbeeld die van Mheer ten gehore gebracht, gevolgd door "Mòder de kets" , "Vooruit Mina" en ook wel "Sarie Marais". Tegen een uur of half 10 herinnerden de dan nog aanwezige muzikanten zich het gezegde van de Heer "Gij zult de dorstigen laven" en begaven zich "blaozentaere" naar een onder een boom aangebrachte grote tafel voorzien van de producten van nijvere ambachtslieden uit Valkenburg, Gulpen of Wylre. (U weet wel: het bier waar Limburg trots is op geweest.) Met de moed der wanhoop ging het hier verder tot de kwaliteit van de muziek als ook de kwantitiet van de blazers zodanig geslonken was dat voortzetting geen doel meer had. Immers een groot gedeelte van de muzikanten, vooral de jongere garde, was ook zoekende naar een sponde-genote en van de overgeblevenen had een gedeelte hun "ekstrement" uit voorzorg aan iemand in bewaring gegeven, meestal aan de niet zeer vriendelijk toekijkende andere helft van zijn trouwboekje. Ook de uitbater sloot zijn zaak waarmee een einde kwam aan liet feest, zeker toen het licht in de feestweide nog niet uitgevonden was. Het kwam ook voor dat men zich tegen het invallen van de duisternis "blaozentaere en rejjentaere" begaf naar de contreien van de kerk waarin de aldaar gelegen staminekes men wel beschikte over "den èllentriek" en men dus nog even verder kon. Hier werd de laatste "sjtub" weggespoeld, opgedaan tijdens de kilometers lange stoffige wegen van "d'r broonkwèèg". 

Als ook hier de laatste klanken verstorven waren zag men velen met z'n tweeën wegtrekken die het plan hadden opgevat de fanfare mettertijd van nieuwe leden te voorzien ofschoon de kinderbijslag weinig of niets voorstelde. Op "Broonkmaondèg" en vroeger ook op dinsdag werd bovenstaande nog eens overgedaan maar nu zonder gastverenigingen. Waren er geen andere festiviteiten tijdens de kermis? 

Voor de oorlog niet, uitgezonderd de gewone kermisattracties zoals de "mèùlekes" voor de kinderen en de "zjweefcarrousel" en de "sjòkkele" voor de groten. Na de oorlog was er kermismaandag en dinsdag dansen en raakte de cramignon spoedig in verval. Men kon nu tijdens de foxtrot of Engelse wals en naderhand gedurende de samba of de raspa zijn aanstaande beddergeno(o)t(e) uitzoeken. 

Het in onbruik raken.
Het spreekt vanzelf dat dit niet van de een op de andere dag gebeurd is. Op 22 juli 1945 was er een optocht naar het Amerikaans Kerkhof, georganiseerd door een bond van schutterijen. Ondergetekende maakte toen als 15 jarig broekemanneke (is niet waar, ik had toen nog een "poefbrook" aan) met nog vier andere zijn debuut bij de fanfare, na een opleiding van twee maanden. Ons hele repertoire bestond uit drie lichte loopmarchen welke wij trachtten tot een goed einde te brengen wat ook vrij aardig gelukt is. Er kwam tenminste niemand na met "unne tuut". Na afloop was er nog een concert op de "miewèj" (maaiweide). Bij het invallen van de duisternis trok onze fanfare over de drukke (!) Rijksweg Maastricht-Aken richting kerk, omringd door een "rejjende" menigte. Men speelde toen geen cramignon maar de Tirailleur marche (zie; afbeelding) een lichte loopmarche die iedereen van buiten kende behalve wij nieuwelingen. In ons dorp werden door de Jonkheden van Margraten, Termaar, Groot-Welsden en `t Rooth weidefeesten georganiseerd. Tijdens deze feesten werd nog vele jaren na de oorlog "gerejd". Termaar en Groot-Welsden kennen deze weidefeesten nog, maar er wordt geen cramignon meer gespeeld, laat staan "gerejd", uitgezonderd een jaar of acht geleden. Toen werd door een groep oud-muzikanten van Groot-Welsden de 6/8 gespeeld. Nadat er een 10-tal maten voorbij waren werd er, door deels ouderen, spontaan "gerejdfl Op eerder gespeelde marchen reageerde men niet. De weidefeesten trokken steeds minder publiek en degenen die kwamen, kwamen zeker niet om te "rejjen ". Op het laatste waren er bij wijze van spreken evenveel bezoekers als muzikanten. Toch zijn we nog geregeld cramignon blijven spelen ook nadat er niet of bijna niet meer "gerejd" werd. Tenslotte zijn we er toch maar mee opgehouden behalve af en toe tot eigen plezier. Om nu precies een jaar te noemen is onmogelijk. Na 1950 is het beduidend minder geworden en in 1960 was het voorbij, misschien eerder.

Dit strookt ook met inlichtingen uit de omliggende dorpen uitgezonderd St. Geertruid en Mheer waar dit elk jaar nog gebeurd. In Reijmerstock werd zeker nog nog tot begin jaren 60 "gerejd" (mogelijk ook later). Hier was ook geen dansen met kermissen en andere feesten. In Slenaken heeft men een aantal jaren geleden geprobeerd dit nieuw leven in te blazen maar is mislukt. Bij gelegenheid van "Boeren in het Geuldal rond 1900" te Epen werden een aantal bewerkte cramignons gespeeld en op commando " gerejd". In Banholt nog af en toe maar dan bij een speciaal feest. Ook Noorbeek is omstreeks 1950-1960 opgehouden maar sedert enkele jaren weer begonnen maar nu met bewerkte cramignons. Met bewerkte cramignons wordt bedoeld voor elke instrumentengroep een partij. Gronsveld speelt elk jaar nog cramignon maar alleen op "Broonkmaond'eg". Eijsden is bekend. Eckelrade sedert 1950, of vroeger niet meer. Evenzo Cadier en Keer en Bemelen. Betreffende Sibbe, Wylre en Gulpen is mij niet bekend maar waarschijnlijk op eerder genoemd tijdstip. Of Noorbeek volhoudt zal de tijd moeten leren. 

Met dank voor de inlichtingen aan: Lèj Simons en Francois Kool uit Slenaken, Sjir Beckers van Schilberg, Sjof Drummen en Sjof Custers uit St. Geertruid, Sjeng Munnix uit Banholt, Lambert Janssen uit Noorbeek, Giel Senden en Funs van Gerwen uit Mheer, Nic. Ubags uit Cadier en Keer, Etienne Franssen Epen, Martin Piters Eckelrade, Sjaak Heijnen uit Gronsveld en de leden van de Heemkring Voeren e. o.

PUBLIKATIES
"De eerste oorlogsdagen van mei 1940." in: Voeren Aktueel; jaargang 8; nummer 2; september 1990.
" 's-Gravenvoeren": door R. Brouwers.
"Sint-Martensvoeren, een interview met Maria Schillings-Lebeau. door J. Nijssen.
"De Plank en Teuven, een interview met Mw. Heusschen-Muytjens": door: J. Nijssen.
"Remersdaal: het verlies van een zoon": door J. Beckers.
"Op Schilberg, mijn herinneringen"; door J. Nijssen.
"'s-Gravenvoeren-Hergenrath, een plechtigheid": door J. Nijssen.
Abonneren op Voeren Aktueel kan gebeuren door storting van 330 Bfr. op rekening 735-3540261-40 van VOEREN AKTUEEL, p.a. Maria Brouwers-Demollin, Mennekesput 226, 3798, `S Gravenvoeren, tel. 041-810612. 

Getuigenissen van mensen die het begin van de Tweede Wereldoorlog in de Voerstreek meemaakten en waarin een helder beeld geschetst wordt van de hachelijke positie waarin de "gewone" Voerense dorpsmens toendertijd verkeerde. Onmacht en desinformatie, verwarring en leed.. . En angst voor een mogelijke herhaling van de inval in 1914 en de oorlog die erna volgde. Het onvervreemde besef van die eigen positie, dat een "gewone" Voerense dorpsjongen in oorlogstijd niet meer is dan een "gewoon " soldaat die de gevaarlijke klussen moet opknappen, lijdt vanzelfsprekend tot het verkiezen van een bezetting boven een oorlog. Natuurlijk was men Leopold 111 dankbaar toen hij, om welke reden dan ook, kapituleerde. De verzamelaars van deze getuigenissen, de benaming "anekdotes" die in de inleiding gebezigd wordt heeft m.i. toch een ietwat te neerbuigende gevoelswaarde, leverden met dit artikel een bijdrage aan de Voerense geschiedenis en daarbij, en dat is zeker niet minder van belang, wordt geschiedenis geschreven van mensen die zich in andere maatschappelijke posities bevinden dan diegenen die onze geschiedenisboekjes gewoonlijk vullen. 

"Prat op plat. Een themaboekje over dialekt." Samenstelling: Heili Bassa. Een uitgave van: Het Algemeen Plattelands Jongeren Werk; 1989. Besteladres: Postbus 816, 3500 AV Utrecht, 030- 730830. Het APJW is een samenwerkingsverband van drie landelijke organisaties, Plattelands Jongeren Gemeenschap Nederland, Nederlandse Christelijke Plattelands Jongeren, Katholieke Plattelands Jongeren Nederland. Een themaboekje dat jongeren wegwijs wil maken in hun eigen tweetaligheid. Door de landelijke aanpak van het thema leren jongeren dat zich in hun streek vaak dezelfde verschijnselen voordoen als elders in Nederland. Een indruk:
"Import kent geen dialekt". Import mensen zeggen wel eens: "Ik vind het zo vervelend, als ze onder elkaar dialekt gaan praten, want dan versta ik het niet meer" .Voor mensen die pas in een streek komen wonen kan dat opgaan. Maar als mensen al meer dan 10 jaar in een streek wonen hoeft dat geen barriere meer te zijn. Er zijn mensen die naar de volksuniversiteit gaan voor een kursus Spaans. "Ja, enig, want we gaan elk jaar naar Spanje op vakantie en dan kunnen we tenminste met de mensen praten." Waarom wel een taal leren voor je vakantie en niet de taal van de streek waar je woont of komt te wonen? Heeft dat niet te maken met een vooroordeel, dat je wel wilt genieten van een streek, maar er niet volledig mee verbonden wil worden? Zo gauw import mensen dialekt gaan spreken krijgen ze nogal eens de reaktie van dialekt-sprekenden: "Doen niet zo raar, dat klinkt jaa ner' ns naar. Ik vertstao oe wel, praat maar gewoon Nederlands". Je leert echter pas een taal, dus ook het dialekt door het te spreken en fouten te maken. Niet iedereen hoeft het dialekt te leren spreken. Als mensen het kunnen verstaan, is er al veel gewonnen. En dat verstaan gaat vrij gemakkelijk als je je er ook echt voor openstelt." 

Plaat dialektmis "Zonder omwaeg". De plaat is opgenomen in de basiliek van Sint-Odiliënberg en is uitgekomen bij Eurosound Studio's, Dijkstraat 5, 6674 AG Herveld, tel. 08880-1048 onder nummer ES 46.974.
"Limburgse vrouwen in de 19e en de 20e eeuw"
Op 14 september1990 is een boek verschenen waarin speciale aandacht geschonken wordt aan de rol van vrouwen in de 19e en de 20e eeuw. De titels van de bijdragen zijn onder meer:
- Limburgse dienstmeisjes in België;
- Plattelandsvrouwen in Limburg;
- Hulpverlening aan ongehuwde moeders in het centraal R.K. Moederhuis;
- Naar het voorbeeld van de Maastrichtse Mater Amabilisschool. Het boek kost fl9,90 en is te bestellen door storting van dit bedrag op rekening nummer 1055806 t.n.v. Limburgse Vrouwenraad, Roermond 

"Das adlige Damenstift von Sinnich" door: Viktor Geelen. In: "Im Göhltal" nr. 46, februari 1990. Blz. 48 t/m 51. Informatie bij de "Vereinigung für Kultur, Heimatkunde und Geschichte im Göhltal", sekretariaat: Maxstrasse 9, 4721 Neu-Moresnet, tel. 087-657504. Een kort artikel over het ontstaan van de abdij van Sinnich, het reilen en zeilen binnen het klooster en het einde ervan.

"Das Franziskanerkloster in Volkerich (Gemmenich) " door: Alfred Jansen. In: `tim Gohltal" nr. 46, februari 1990. Blz. 81 t/m 97. Een artikel over het ontstaan van dit klooster en de verschillende funkties die het in de loop van de tijd heeft gehad.

"Kelders i genne Pley." door: Jean-Marie Ernon. Meer informatie: Pley 220, 3798 `5 Gravenvoeren. En boekje over appelwijn of cider geschreven door een Voerense appelwijnmaker.

Te verwachten publikatie.
"Monumenten van geschiedenis en kunst. Margraten, Mheer en Noorbeek" door De Heer Schulte. Te verwachten rond 20.12.1990. Verzameld door B. Mergelsberg. 

VLÖGGGELEN, RIJDANSEN IN OOTMARSUM (OVERIJSSEL)?
De onderstaande tekst is overgenomen uit: "Paasagenda 1990" van Ootmarsum. "Hoe oud het gebruik is weet niemand. In de Overijsselse Almanak van 1840 wordt het genoemd. Dat het, zoals de volksmond wilde, herinnert aan het processiegewijs ter kerke gaan van de kloosterlingen uit Weerselo, is niet erg waarschijnlijk. Mogelijk hebben de middeleeuwse paasprocessies invloed gehad op de vorm van het gebruik, maar naar de inhoud is het zonder twijfel ouder en herinnert het aan de lentereidansen, die o.a. in Limburg en Cornwall voortleven.

In het jaar 1215 trof pater Olivarius uit Paderborn, toen hij de inwoners van Enschede tot een kruistocht wilde opwekken, de mensen daar bezig met het uitvoeren van een rijendans, waardoor zij niet naar zijn prediking wilden luisteren.

Meester W.J.C. van Wijngaarden (1818-1882) te Rijssen schrijft: "In Ootmarsum danst de jeugd hand in hand door de huizen, waarvan de bewoners die dag de voor- en achterdeuren voor de joelende menigte moeten open laten staan

Een uitgelaten dans is het nu in elk geval niet meer. En heel het Ootmarsums paasgebeuren heeft toch wel sterk het stempel van een christelijke viering gekregen."

Louise Reestman.

KONTAKTEN (J.N)
5 sept. 1990: met C. De Decker uit Erembodegem (prov. Oost- Vlaanderen), over vliegtuigen die in W02 zijn afgevallen (kontakt gelegd door Jeugherberg).
8 sept. 1990: deelname te Gerlingen (Guerlange) bij Aarlen (prov. Luxemburg) aan een colloquium over de herwardering van het oude kerkhof aldaar. Dit kerkhof heeft belang voor de algemene teorie over grafkruisen. Biezonder aan deze aktie van Gerlingen Is, dat ze ingezet is door een klas (16 tot 18--jarigen) van een school: jongeren die aktief aan de herwardering van hun dorp werken.
10 sept. 1990: met J.C.A. De Clerck uit Opwijk, over een grafsteen van de familie "van Zinnich" te Baardegem (Aalst, prov.Oost-Vlaanderen), die beweerde af te stammen van Hendrik van Zinnich, gestorven in 1309 en begraven in het klooster van Zinnich (kontakt gelegd door Guido Sweron).
 

DE ONDERGROND VAN DE KERKHEUVEL VAN SINT-MARTENSVOEREN
We zijn maar met weinigen die het gezien hebben: de man op de graafmachine (fa. G. Dupont, St. Lambrechtsherk), de man van de verwarming, (fa. Gomala, Alken), Jaak Lemmens en Hubert Franssen, resp. voorzitter en penningmeester van de kerkfabriek, Jef Colemont, pastoor, Theo Hick, gebuur, en - gewoon uit archeologische belangstelling: Bep Mergelsberg, Henri Straet, Elza Vandenabeele en ondergetekende. 

Er werd op 28 augustus 1990 een kuil gegraven voor de nieuwe verwarmingstank van de kerk. Het gat werd tenslotte 2 m diep. Naast de ketel konden nog met een grondboor de diepere lagen onderzocht worden (boring 121); we maakten van de gelegenheid gebruik om twee verdere boringen uit te voeren op het kerkhof: een ten W van de kerktoren, vlak bij de kerkhofmuur (boring 124), een ten N van het kerkschip (boring 125). Ook hebben we in de omgeving wat gewaterpast. De opgedane ervaringen werden besproken met Guido Kremers van het Gallo-Romeins Museum van Tongeren, dat bevoegd is voor alle -ook niet-Gallo-Romeinse opgravingen in de provincie.

Wat werd er gevonden (schets afb. 1)?
a) In de kuil zat bovenaan een laag "gewone' aarde, ca. 1 m dik, met daarin wat botten en een Duitse militaire helm; het moet hier wel om aangevulde grond gaan, want
b) de laag daaronder, ook ca. 1 m dik, bestond uit puin van een gebouw, met stenen tot ca. 10 dm3 inhoud, meestal silex, met eraanklevende kalkmortel; - In het puin werden wat botten en een glasscherf gevonden (tenzij deze bij het graven uit een hogere laag hier terecht is gekomen! Bij de boring 124 kwamen we na 1 m 70 m op een harde laag, die kalkmortel scheen te bevatten. Ook is bekend dat men, bij het werken aan het graf Ernens-Deleval, vijf m ten ZW van de toren, met zware steenbrokken had af te rekenen.
c) Heel onderaan in de kuil, in de NO-hoek, een laagje van ca. 10 cm dik, korrelige roodverbrande leem met stukjes verbrand hout; in deze laag zijn er geen sporen van plantengroei.
d) Daaronder kwamen we op een laag donkerbruine vrij homogene aarde, die bij het dieper boren 80 cm dik bleek te zijn.
e) Dieper ligt op die plaats gewone gele leem, ter dikte van 85 cm,
f) en tenslotte moest het boren opgegeven worden omdat we op "van die groene" zaten, met stukjes steen erin, waar niet doorheen te geraken is. Tussen de "groene" en de löss zat er geen mergel. Een vergelijking met het profiel van de omgeving leert dat deze "groene" een meter hoger ligt dan de bodem van de waterloopjes, de Veurs en de Voer, die in de nabijheid van de kerk, namelijk in "De Mot" samenvloeien. En daar geeft de topografische kaart van het NGI de hoogte 125 m boven de zeespiegel aan.

Wat betekent dit alles nu?
(f) De "groene" is de Vaalser Laag (Assise de Herve), die uit ondoorlaatbare klei bestaat met daarop een waterlaag. Inderdaad, in de buurt, bij de Veurs, ligt drassige grond.
(e) Onmiddellijk daarop volgt een relatief dunne laag löss (=leem). - Tussen de "groene" en de löss ligt zoals al gezegd geen mergel: op deze plaats was derhalve de secundaire kalklaag al weggespoeld, toen in de ijstijden de löss door de wind werd aangevoerd.
(d) De donkerbruine laag daarboven is dan de oude "natuurlijke" bodem (plus oud kerkhof?)

Tot hier dus het oorspronkelijk, natuurlijk profiel, dat op 126.8 m ligt; ter vergelijking: het hoogste punt in de Kerkstraat, meteen de waterscheiding daar ter plaatse, ligt op 127.3 m.
(c) Dan komt de rode laag met verbrand hout, die we aanzien als de resten van een afgebrand gebouw uit vakwerk,
(b) en daarop het puin van een ingestort bouwsel, dat niet het eerste het beste moet geweest zijn, maar een stevig gebouw uit vrij dikke "klauwe". 

- Tussen de rode laag en het puin is er geen zwarte laag die op tussentijdse bewoning zou duiden, en er zijn geen sporen van plantengroei in de rode laag zelf; daarom nemen we aan dat er tussen de beide gebeurtenissen: de brand van het vakwerkgebouw en de instorting van het belangrijke stenen gebouw, weinig tijd is verlopen. Men zou zelfs denken aan eenzelfde aktie, waarbij het vakwerkhuis werd afgebrand, en het stenen gebouw neergehaald; dit laatste zou wat meer tijd in beslag genomen hebben; een overval dus, een oorlog.
De grote massa van de huidige toren verschilt in zijn konstruktie van de delen die tegen het kerkschip aanliggen: deze bestaan uit kleinere steen en dit metselwerk komt zowat overeen met die van het puin uit de kuil. Daarom stellen we ons het volgende voor: een oude vakwerk-gebouw werd ooit afgebrand, en de ernaast staande toren moedwillig vernield. Dit puin hoogde het terrein ter plekke met ca. 1 m op.

Die eerste toren moet ongeveer zo groot geweest zijn als de huidige: de twee "oude" delen liggen in de vlakken van de huidige. Even omrekenen nu: de huidige toren (7 x 7 m, bij 1.25 m gemiddelde muurdikte en 15 m hoogte) omvat ca 320 m3 steenmassa; van de veronderstelde oude toren is de oostmuur blijven staan, rest 3/4 of 240 m3; uitgespreid tot een laag van ca. 1 m dik geeft dat een schijf van ca 17 m doorsnede. Niet te vergeten: van die hoop stenen zal in de loop der tijden wel wat zijn weggehaald voor gebouwen in de omgeving, waarschijnlijk voor de westelijke kerkhofmuur (30 m lang x 2 m hoog x 50 cm dik = 30 m3), die uit zeer gelijkende steen is. Of de rode laag op een oude kerk wijst, is niet zeker. 

(a) Na herbouw van kerk en toren werd het omgevende kerkhof beetje bij beetje opgehoogd; daar kwam de grond van de fundamenten van de opeenvolgende kerkgebouwen bij (in de oostwand van de noordelijke zijbeuk zit nog oud metselwerk; het huidige kerkschip en koor zijn van resp. 1728 en 1730). In elk geval ligt de vloer van de huidige kerk 2 m hoger dan het oorspronkelijke natuurlijke oppervlak, -meer dan manshoog- dit aan de westkant van het schip. Vermelden we nog dat in 1254, de kanunniken van Sint-Martensvoeren een zaak van tienden van Sint- Pietersvoeren (oudste vermelding 1242) regelden met de kommanderie van Aldenbiesen - meteen de oudste bekende vermelding van Sint-Martensvoeren.

En verder kijkend...
- Een oude vraag. Vanuit de Mot gezien valt het op dat de kerkheuvel, die zich voortzet in de aanpalende wei en tuin over een oppervlakte van n paar honderd m2, een uitgesproken knobbel vormt (tekening afb. 3); is dat een natuurlijke dan wel een kunstmatige hoogte? We nemen aan dat de puinmassa, die we enkel op het kerkhof konden registreren, zich daar voortzet, en de kern vormt van die knobbel. De bovenste 2 m a 2 m 50 zijn daar dan kunstmatig: puin en daaropliggende bouwlaag (vroeger deel van kerkhof?) Tussen de Mot zelf en de top van de heuvel is er een verschil van 5 m. 

Bij studie van de topografische kaart en van het terrein ziet men dat de waterscheiding Voer-Veurs loopt van De Stroevenbos ( op 4.8 km van de kerk) en het Vrouwebos, over De Domen, over de weg Krutsberg-Sint-Pieter, over De Knap (bij huis Kerff), over de weide tussen de wegen naar Het Veurzerveld en De Knap, over het pleintje aan De Vogelstang, over de Hofferstraat, (bij huis Droeven), over de Kerkstraat (bij winkel Colin-Damseaux), en dan vlak ten ZW van de toren van de kerk (kaart afb. 2). De kerk staat ongeveer haaks op deze lijn; het koor ligt dicht bij de Veurs; in de buurt van de toren en dus van de waterscheiding ligt de kerkvloer op 2 m boven de natuurlijke bodem, maar de vloer van het koor ligt op 4 m boven de natuurlijke bodem. Als men in De Mot staat valt het ook op, dat de Veurs niet op het laagste van het terrein ligt. Die laagste lijn gaat zowat van het brugje bij het koor van de kerk naar het punt van de samenvloeiing; het beekje wijkt tot 25 m daarvan af; het zou "normaal" gelopen hebben daar waar nu het koor van de kerk is. Het werd blijkbaar omgeleid omwille van de kerk. De naam "Mot" betekent "drassige grond" (Boileau 1971 en Middelnederlands Woordenboek), vergelijk "De Motten" in Tongeren, de Mot in Borg]l; een verband met het Franse "motte = hoop aarde" zou echter ook mogelijk zijn, en doelen op de kerkheuvel; oude kastelen worden wel eens "mottorens" genoemd; vergelijk met "Die Motte", net buiten de gracht van kasteel Krickelhausen te Lontzen.

Stippen we nog aan dat de kerk van Sint-Marten 30 graden afwijkt van de "oriëntatie" (koor te noordelijk); ook de kerk van Margraten heeft een afwijking van 30 graden (Maasgouw 1990, kolom 17); de voormalige Gertrudiskerk van Landen en de Martinuskerk van Gerlingen (Aarlen) bv. wijken nog iets meer af, en ook in de noordelijke richting; al deze kerken zijn niet gericht op het echte" oosten, maar op zonsopgang bij midzomer (langste dag - ca. 24 juni = Sint-Jan). Het koor van Sint-Martensvoeren staat een beetje schuin op het schip: het wijkt maar 29.50 graad af van de oost ing. Kristenen bidden in de kerk naar de zonsopgang toe (Kristus, de opgaande zon aan de hemel, Luk. 1:78; Kristus' wederkomst uit het oosten, Mat. 24:27); joden en islamieten naar een centrale gebedsplaats toe: Jeruzalem resp. Mekka.

Besluit.
Als we in Sint-Martensvoeren van alle kanten bergop moeten om de kerk te bereiken - "Jeruzalem, waarheen de stammen opgaan. (Psalm 122) - dan komt dat onder andere omdat er op deze plaats ooit een zwaar gebouw is ingestort, waarvan het puin een merkelijke ophoging van het terrein heeft teweeg gebracht, op deze plaats bij de waterscheiding tussen Voer en Veurs. Zo vertelt ons de ondergrond datgene waar geen archieven over bestaan. In dit geval, hoe een hoek van ons dorp er uitzag, voor zijn oudste gebouw er stond. Men plaatst het ontstaan van de grote massa van onze toren in de 13e eeuw (Geukens, Fotografisch Repertorium van het kerkelijk Kunstpatrimonium) ... In elk geval hebben wij, bovengenoemden, even oog in oog gestaan met de belangrijkste plaats van het dorp, op een ogenblik, dat het nog niet bebouwd was. Door bovenstaande gegevens hier te publiceren hopen we de generaties na ons een tip te hebben gegeven, voor het geval de omstandigheden gunstig ooit eens zijn voor een uitgebreider en grondiger onderzoek. 

Enkele technische gegevens: De kuil werd 2 m 40 bij 2 m 40, zijn rand lag op 1 m 60 ten N van de toren, op 85 cm van het oude dodenhuisje. Het uitgegraven materiaal mocht in de aanpalende wei gekieperd worden (meteen een -gedeeltelijke- verklaring voor de andere ophogingen langsheen de buitenkant van de kerkhofmuur). De aanwezige ondernemers hadden begrip voor de noden van het archeologisch onderzoek. De beste resultaten kregen we als ten minste een van de onderzoekers bij de kuil stond, en ten minste een bij de plaats waar het uitgegraven materiaal werd gedeponeerd. - We namen stalen bij de uitgraving; veel tijd bleef daarvoor niet, want de ketel moest onmiddellijk op zijn plaats: instortingsgevaar. Ook van de boringen 121, 124 en 125 zijn stalen bewaard. - Het waterpassen gebeurde met de NECLI hellingmeter van de Fa. Hauptmann, Kassel; een kontrolemeting (toren-kerkhofmuur-elektriciteitspaal Mot-elektriciteitspaal bij huis Vaessen-kerkhofmuur gaf een fout van 15 cm).

J. Nijssen

 Afb. 1. Sint-Martensvoeren - Bodemonderzoek ten NW van de toren, 28.8.1990. Kuil en boring 121.

 BODEMVONDSTEN BIJ DE KERK VAN MOELINGEN.

Onderstaande regels zijn opgesteld aan de hand van gesprekken met Guillaume Duysens, die bij de opgravingen aanwezig was, en Guido Kremers, Gallo-Romeins Museum Tongeren, die de plaats op 13 augustus bezocht

Vlak ten Z van het koor van de kerk op ca. 5 m van de kerkhofmuur werden namelijk, bij het graven van de zandbak voor de nieuwe kleuterschool, geraamten (graempsje) blootgelegd. Op die plaats ligt het maaiveld bijna 2 m lager dan het kerkhof. 

Wat was er te zien?
Op ca. 60 cm onder het maaiveld lagen een zes-zevental geraamten; het was opvallend hoe ze in een vlak lagen: de schraper ging er net overheen. De geraamten lagen niet volgens enige herkenbare ordening; een lag zelfs haaks op andere, en ze gaven de indruk, "door elkaar" te liggen. Wat lager waren nog verkleuringen te zien in de aarde, die op andere skeletten wezen. Er werd niet gegraven tot op de natuurlijke lagen; alles samen werd een begravingslaag van zo `n 20 cm vastgesteld.
Sporen van lijkkisten waren er niet te zien. Er konden geen voorwerpen gevonden worden, die voor de datering van de graven dienstig zouden zijn. De geraamten leken opvallend lang: een was 2 m 15 lang, en dan waren de voeten nog verloren gegaan.

Wat is uit deze gegevens af te leiden?
De gevonden begraafplaats ligt duidelijk buiten het huidige kerkhof, en dat was ook al zo ca. 1830 ("primitief kadaster"). Ca. 1864 was het bezit van G. Lechanteur-Henrard (Popp).

De gevonden graven schijnen zich over een langere periode te spreiden: veel verschil in bewaringstoestand van de skeletten. Dit is een argument ertegen, dat het om een toevallige begraving gaat, bij een ramp bij voorbeeld. Anderzijds spreekt de wilde schikking van de geraamten toch weer voor een noodbegraving; ook de geringe diepte van de begraving wijst in deze richting. tenzij er bovenlagen in de wei in de loop der eeuwen sterk weggespoeld zou zijn. In dat geval zou het hoogteverschil met het huidige kerkhof niet enkel aan ophoging van dit laatste te wijten zijn. Het kan gaan om' personen die niet op het gewijde kerkhof mochten begraven worden: niet-katolieken; maar dan gaat het hier om een langdurige vastliggende plaats voor niet-katolieken.

Nu blijft nog de mogelijkheid, dat de gevonden graven vroeger werkelijk deel uitgemaakt hebben van het kerkhof, met andere woorden dat het kerkhof vroeger groter was, en dat o- een zeker ogenblik een deel ervan in prive-handen kwam en wei werd; tot nu toe werd niets in deze zin in de archieven gevonden - maar aan dit aspekt werd misschien ook te weinig aandacht geschonken. in dat geval moeten de graven destijds toch wel 1 m 50 onder het maaiveld gelegen hebben: in dat geval zou visie van de weggespoelde grond weer meer gewicht krijgen. De ongeordende positie van de geraamten doet dan weer denken aan een massagraf; voor meerdere kerkhoven wordt dergelijke begraafwijze ook buiten tijden van epidemieën vermeld. Enig idee over de ouderdom van deze begravingen heeft men niet toch moeten ze niet zeer recent zijn (WO 1 bv.): dan moest nog hout of tekstiel terug te vinden zijn. Blijft nog het probleem, dat de geraamten de indruk gaven speciaal lang te zijn. Of het om speciaal lange mensen ging is evenwel niet zeker: geraamten vallen wel wat uit elkaar bij het vergaan van het graf.

Besluit.
Voor de toekomst: we zouden graag weten
a> hoever deze begravingsplaats zich uitstrekt, en inzonderheid,
b) of ze kontinu doorloopt tot de Z-kant van de kerk: in dit laatste geval zou het een oud deel van het kerkhof zijn... en of het kerkhof opgehoogd, dan wel de aanpalende wei verlaagd is in de loop der tijden. 

J. Nijssen 

Data lezingen georganiseerd door de Heemkring en de Milieugroep.
De data waarop deze lezingen plaats vinden zijn vastgesteld. Het onderwerp en de plek waar de lezingen gehouden zullen worden is nog niet voor alle lezingen definitief afgesproken.

16.11.1990 (Onderwerp staat nog niet vast)
14.12.1990 Lezing door J. Nijssen over "Limburgse kaas".
11.1.1991 (Onderwerp staat nog niet vast)
1.3.1991 Lezing door J. Nijssen over "De Papiermolen van Schophem"
12.4.1991 Dia-varia.

Schrijft u ook wel eens gedichten, stuur ze ons toe. Wij publiceren ze graag. 

De waeg va Voere.

De sjtraote zunt verlaote,
duuster, nat en kaod,
es ich `s aoves gaans alling
an `ne klinge toer begin. 

Neon-laampe, vreg en gries
sjienge va hoeëg, vaal en vies.
Ze deunt es of ze nog vergaeëte zowwe
oee ze zoonder òs gezaeète howwe.

Ze zeuke. Ze zeuke en zeuke zich weeld
en sjtare zich `èèges sjtaeëke bleend.
In dae sjwarte pool oonder zich
gleenstert alling hun eege lich.

`ne Hòòp ramaent keumt langs gevare.
Is bliej, ze zeunt de waeg `nt tare.
En al die groeëte laampe, wat e gemaak,
me hoef mer gaas te gaeve, d'r waeg is al oetgedaat. 

Ich sjloon aaf, nao de sjtikke duuster wejje.
Um dao èèges te zieë, hoef ich mer te bejje.
Gaar ging waeg en laampe nuuedig, mit hun bòchte en hun lich.
Ich hub gòddaank nog ummer twiee òwwe in `t èege gezich.

Charlotte Noteboom. 

In "Herberg De Swaen" worden de volgende thema-week-ends gehouden:
5-6-7 oktober : Brouwersambacht.
9-10-11 november: Volksverhalen.
december : Streekgerechten (Hierin kadert de lezing van J. Nijssen over "Limburgse kaas" op 14.12.1990.)
18-19-20 januari: Fotowedstrijd.
22 februari : Het mergellandschaap.
22-23-24 maart : Grenzenloos voorjaar.
mei 1991 : De echte moestuin.

D'r Koeënwòòf nr 04 (1991/1)

INHOUD

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN - .......... 01 - 03

SJPE'LDER EN SJPAELE - Louise Reestman - Jaak Nijssen - .......... 04 - 11

LIMBURSE. HERFSE KAAS - Jaak Nijssen - .......... 11 - 14

VOERENS PAPIER - Jaak Nijssen - .......... 15 - 17

OVER MOTTES. een bijzonder type van versterkte bewoning - Bep Mergelsberg - .......... 17 - 18

" 'T HUUSKE" IN EEN MUUR VAN DE BOERDERIJ VAN DE KOMMANDERIE TE S INT-PIETERSVOEREN - Bep Mergelsberg - .......... 18 - 20

STAND OVER STROPERIJ - Bep Mergelsberg - .......... 20 - 21

AKTIVITEITEN EN KONTAKTEN- .......... 21 - 22

PUBLIKATIES- .......... 22

ZOEËRMOOS KINT ME EEGES MAKE ! - Bep Mergelsberg - .......... 23

WAALS BIJ DEKREET ERKEND ALS BINNENLANDSE REGIONALE TAAL - .......... 24

AGENDA - .......... 25

======

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN 

Tijdens een genealogisch onderzoek van de familie Dobbelstein kwam ik ook in Sint Pietersvoeren terecht. Hieronder een samenvatting van de door mij verzamelde gegevens over de periode dat de familie Dobbelstein in Sint Pietersvoeren heeft gewoond. 

Volgens het kerkregister trouwde in 1748 (datum niet vermeld) in Sint Pietersvoeren Johannes (Jan) DOBBELSTEIJN en Maria HEUSSCHEN. 

Jan was op 14 maart 1723 in Teuven geboren, hij was een zoon van Laurentius Dobbelsteijn en Elisabeth Vanderlip(pe). 

De geboortedatum van Maria heb ik niet kunnen achterhalen, wèl vond ik in het schepenbankarchief Sint Pietersvoeren (register 33, Rijksarchief Hasselt) volgende kant-en-klare stamreeks van haar voorouders:

* ouders: Peter Heusschen en Maria Heijmans (zij woonden aen `t Velt" Sint Pietersvoeren)
* grootouders: Matthijs Heusschen en Maria Coumont;
* over-grootouders Jan Heussohen en Maria Bergenhousen (laatstgenoemde is na het overlijden van Jan getrouwd met Frans Franssen). 

Jan en Maria hebben de eerste jaren van hun huwelijk in Eijsden gewoond. Zij hadden daar een grote boerderij (de pagthoff Caustert") gepacht van de Heer Majoor Henry Reinich. (vgl. Reinekenshof, zie Eijsdens Verleden nr. 48, 1989). Uit het schepenbankarchief van Eijsden blijkt dat zij in de nacht van 5 november 1753 tussen 4 en 5 uur net hun hele hebben en houden zijn gevlucht naar Sint Pietersvoeren. 

Mevrouw de Douarière van wijlen de Heer Majoor Reinich beweerde op 14 mei 1756 dat Jan een aanmerkelijke pachtschuld had en dat zij beslag had laten leggen op zijn goederen, doch dat hij, zoals gemeld, "alle desselfs gearresteerde Effecten en Bestialia ex loca arresti" heeft vervoe~d en t, nae elders buijten dese jurisdictie" heeft getransporteerd. 

In het schepenbankarchief van Sint Pietersvoeren liggen heel wat stukken over dit proces. De uitspraak luidde als volgt: "Gelet op den inhoud deser reguessen verclaeren dijen tot St. Peters vouren met sijne effecten en bestialen gerefugeerden Jan Dobbelsteyn geen asylium te consedeeren". 

Het gezin Dobbelstein-Heusschen heeft vanaf 1753 steeds in Sint Pietersvoeren gewoond. Zij hadden daar een boerderij met stallen, schuur, bakhuis, moestuin en wei, gelegen "in de koobach", gekocht. 

Jan moet een voortvarend landbouwer zijn geweest, in het archief van de schepenbank bevinden zich wel dertig akten waarbij Jan partij was. Deze akten hadden ondermeer betrekking op koop of verkoop van landerijen of weiden en geldlenigen, ontvangen van ondermeer de molenaar van Sint Pietersvoeren, de kapelaan van Mheer en de rentmeester van de Commanderij. 

Uit metingen van 1787 bleek dat Jan toen 158 groot roeden grond bezat, hij behoorde hiermee tot een van de grootste grondgezitters van Sint Pietersvoeren. 

Op bijna veertigjarige leeftijd, op 13 januari 1763, werd Jan door "Wirich Leopold, vrijheer van Steinen en Scharven en Kepenich, ridder van het hoogh Duijts orden, lant Commandeur der Balleye Aldenbiessen, Commandeur tot Aldenbiessen ende tot Maestricht, vrijheer der vije rijckx neutrale grond heerlijkheijt Gemert, St. Peters vouren en Gruijterode" enz. het ambt van schepen "gegund". Genoemden "beveelen daerom aen onsen officier, Schepenen, ende onderdhaenen van St. Peters Voeren voorschreven Johan Dobbelsteijn voor schepen aenteneemen, te kennen en te eeren, hem oock alle rechten ende emolumenten van outs daertoe staende te laeten genieten". 

De schepenen stonden bij de bevolking in hoog aanzien en hun macht was groot, zij werden voor het leven benoemd. 

Dat Jan dit ambt ook serieus uitoefende blijkt uit de vele stukken in het schepenbankarchief. Zo werd ondermeer alles opnieuw opgemeten in Sint Pietersvoeren, nadat uit een onderzoek van hemzelf was gebleken dat er vaak niet goed werd opgemeten. 

Maria Heusschen is op 9 februari 1790 in Sint Pietersvoeren overleden. Jan Dobbelstein is vermoedelijk op 12 april 1799 in Sint Pietersvoeren overleden.

Uit dit huwlijk werden vijf kinderen geboren:
1. Maria Elisabeth, gedoopt op 5 februari 1750 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Math Heusschen en Maria Dobbelstein.
Zij is reeds op 9 maart 1760 in Sint Pietersvoeren overleden;
2. Maria Catharine, gedoopt op 22 december 1752 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Henricus Dobbelstein en Maria Catharina Neven. Zij was getrouxd met Renier Spronck. Op 8 oktober 1781 is zij in Si~t Pietersvoeren overleden;
3. Petrus, gedoopt op 2 november 1756 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Laurentius Dobbelstein en Maria Heghmans (zie vervolg);
4 Maria Elisabeth, gedoopt op 21 september 1760 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Jacques Nederlandts en Maria Margaretha Halleux.
5. Josephus Laurentius, gedoopt op 12 maart 1766 in Sint Martensvoeren, peter en meter waren Nicolaus Wernerus Heusschen en Maria Joeepha Halleux. 

(slot volgt)
(qadobbel) Léon Olislagers oét Groéselt
 

SJPELDER EN SJPAELE. 

LOOIEDETTEN:
Elke speler is in het bezit van een looiedet. Dit is een ijzeren kogel of een stenen bal. Een van de spelers werpt vanaf de streep als eerste zijn looiedet weg. De anderen proberen er hun looiedet er het dichts bij te gooien. Wie dit het beste uitvoert, wie er het dichtst bij komt, is winnaar. De winnaar werpt als eerste zijn looiedet vanaf de andere werplijn. Truukjes, zoals het wegkaatsen van looiedetten, zijn toegestaan. (In plaats van ijzeren kogels kunnen ook plastic ballen gebruikt worden, bijvoorbeeld van het jeu-de boule spel). 

THIJS DE TORENWACHTER.
Als toren gebruik je twee bakstenen die op elkaar worden gezet. In het speelveld wordt een cirkel getrokken waarin de toren staat. De toren wordt bewaakt door "Thijs de torenwachter Vanaf de basis- of werpl ijn mogen alle spelers met hun steen de t o r e n proberen om te gooien. Lukt dat, dan mogen de spelers zo snel mogelijk hun stenen weer oprapen en zich weer opstellen achter de werplijn. Thijs mag elke speler die in het speelveld staat, of loopt, aftikken. Als de toren is omgegooid moet hij deze eerst herstellen en mag dan pas aftikken. Wie in het speelveld wordt afgetikt is de nieuwe torenwachter. Voor de werplijn is vrij. 

KNIKKEREN.
Het speelveld moet begrensd worden door een muur of een schutting. Tussen werplijn en muur worden op ongeveer vijftig centimeter van de muur een kuiltje gemaakt. De spelers staan achter de streep en moeten proberen een knikker via de muur in het kuiltje te schieten. Iedere speler schiet een gelijk aantal knikkers één voor één via de muur naar het kuiltje. Wie de meeste knikkers direkt in het kuiltje heeft geschoten mag beginnen alle omringende knikkers erin te schieten. Deze kunnen rechtstreeks geschoten worden, dus niet via de muur. Mist hij, dan is de volgende speler aan de beurt. Degene die de laatste knikker erin schiet is de winnaar. 

BEUGELEN.
Hiervoor is nodig
- Eén beugel, hiervoor kan dik, gebogen betonijzer gebruikt worden.
- Eén slager, kan van hout gemaakt worden (zie tekening).
De beugel wordt in het spelveld in de grond geslagen. De spelers prober~n vanaf de basislijn zware ballen (eventueel Jeu de Boulles-ballen) om beurten met behulp van de slager door de beugel te slaan. Het slaan is meer een wip-duw beweging. Wie lukt dit in één keer? Lukt dit niet , dan bij de volgende beurt, maar vanaf de plaats waar de bal is blijven liggen. Het wegkaatsen van een bal door een medespeler is toegestaan. De bal moet aan de voorkant door de beugel. Voor elke bal die door de beugel gaat worden een aantal punten gegeven.

HOEFIJZER WERPEN.
Hiervoor heb je nodig, een werppaal en tien hoefijzers. (Hiervoor kunnen indien men geen hoefijzers ter beschikking heeft, U-vormen gebogen uit betonijzer worden gebruikt.) De afstand van de werplijn tot de paal is ca. 3,5 meter Probeer vanaf de werplijn de hoefijzers om de paal te werpen. Voor elk hoefijzer o m d e paalwordt een aantal punten gegeven. De spelers werpen om beurten. 

DIABOLO.
Leg bij de start de diabolo over het touwtje op de grond. Pak de stokjes aan de uiteinden vast, probeer nu door met de handen in tegengestelde richting te bewegen, de diabolo draaiende te krijgen. Het gaat erom in bijvoorbeeld 1 minuut een bepaalde afstand af te leggen. Bij het eindpunt de draaiende diabolo omhoog werpen en dan weer met het touwtje opvangen. 

VOGELSLINGEREN
Materialen hiervoor zijn
- drie sjorpalen.
- één schietroos van stro met een ballon in het midden.
- éé standaard
- bal lonen en touw
- houten vogelpik ( voor het zelf maken van een vogelpik, zie tekening):
- Kontoeren uitzagen, - bij de snavel een spijker bevestigen,
- op de rug een oogschroef aanbrengen voor bevestiging touwtje. 

Er wordt om beurten met de vogel geslingerd, probeer zo de ballon te raken en door te prikken. Iedereen krijgt b.v. drie beurtèn. Winnaar is degene die het meeste ballonen heeft doorgeprikt.
 
KEGELEN :
Materiaal voor de baan
- Twee lange planken, - een houten vlonder, -drie korte balken, - twee lange planken. Mont eer het geheel zoals op de onderstaande tekening. Nota bene de afmetingen kunnen naar eigen inzicht w o r den bepaald. Er kunnen ook originele houten kegels worden gebruikt. Men kan echter ook kegels maken van plastic flessen, welke met zand gevuld worden en vervolgens dichtgeplakt. (Daarna naar believe beschilderen).

PRIKTOLLEN
Bij het priktol len gaat het erom om de tol met behulp van een zweepje (een touwtje aan een stokje) draaiende te houden. Probeer je priktol in een afgezet "vierkant" op een verharde ondergrond zoals asfalt of beton tollende te houden. De andere spelers proberen dat ook. Gaat de tol om, of komt hij buiten het vierkant, dan is men af. De winnaar is degene wiens tol het langst draait.

STELTLOPEN
Op de stelten dient een bepaald parcours voorzien van een of meer hindernissen worden afgelegd. (Voorbeeld parcours, zie tekening).

Louise Reestman

SJTOEKKE
Met "lème huve", die kleiner en goedkoper waren dan de gewone; ca 7 8 mm doorsnede, uit leem, met een beschermend kleurig buitenlaagje.

Er wordt een putje in de grond gemaakt, van ca. 8 cm. doorsnede (getallen uit mijn herinnering).

De beide spelers zetten elk een aantal knikkers in. De eerste speler houdt de knikkers in de hand, en werpt ze met een stoot (sjtoekke) in het kuiltje. Een aantal blijft in de kuil, een deel springt eruit. Het deel dat in de kuil blijft is voor de speler-aan-de-beurt, de rest voor de tegenspeler. Nu is de andere speler aan de beurt. Bij het einde van de dag of bij het einde van de speeltijd weet men hoeveel men gewonnen of verloren heeft. Wie alle knikkers (of heel veel) verloren heeft kan niet meer aan het spel deelnemen; hij moet zien dat hij er koopt (in Aubel; aan handel-voor-geld tussen de kinderen heb ik geen herinnering).

Ik ben niet zeker van het aantal in te zetten knikkers: een door de traditie bepaald aantal?, een aantal naar afspraak, gelijk voor beide spelers?, een aantal naar keus van elke speler?

(Bron: mijn schooltijd in Teuven, ca. 1939)

 

KREEG
Twee spelers, een niet te harde oppervlakte grond, een zakmes (kniep). Op de grond wordt met het mes een vierkant getekend, wel minder dan 1m2 groot, het veld wordt in twee gedeeld (in een bepaalde richting?). De spelers kiezen elk een veldhelft (zie verder: keuzen). De eerste speler gaat in zijn veldhelft staan en smijt (briijt) het mes in de andere veldhelft; blijft het mes niet in de aarde staan, dan is de beurt van deze speler om; blijft het staan, dan trekt de speler in het veld van de tegenspeler een lijn in het verlengde van het lemmer van het mes, zo dat veld in twee, meestal ongelijke delen verdelend. De tegenspeler mag zeggen welk deel hij `houdt'; het andere deel wordt door de speler-aan-de-beurt bij zijn eigen veld aangehecht. Nu is de ander speler aan de beurt (of mag de speler-aan-de-beurt blijven spelen zolang zijn mes niet omvalt? weet ik niet meer). Diegene verliest, die niet meer in zijn eigen veld kan staan om het mes te werpen. Het grensgeval van in zijn veld kunnen staan is: op de punt van de voet staan, en zijn evenwicht nog net kunnen houden (Bron: mijn schooltijd in Teuven) 

SJPlET DOEË (PESTEN)
In mijn kollegejaar in Herve (1938) was er daar een leerling die Derkenne heette; hij was van de kanten van Cheratte, meen ik. Het was al een grotere jongen; hij speelde nooit. Af en toe kreeg iemand het in zijn hoofd "allons faire enrager Derkenne" (D. pesten); dan ging een hele groep de man "pesten"; waarin dat bestond weet ik niet meer, maar ik meen dat er geen fisiek geweld bij te pas kwam; ik meen ook dat de "surveillants" daar niets tegen deden. Het moet op mij veel indruik gemaakt hebben: ik ken vandaag de naam nog, en ik zie nog de plaats op de speelplaats waar het gebeurde. En altijd was ik bang dat ze dat ook met mij zouden beginnen doen. 

KEUZEN MAKEN
Voor het maken van keuzen, bij voorbeeld om te zien wie eerst speelt, wie de speelhelft mag kiezen (bij "kreeg") of hoe de speelgroepen worden samengesteld (de winnaar mag als eerste een medespeler uitkiezen). 

- voor meerdere spelers: aaftèlle

De spelers staan in een kring. De initiatiefnemer zegt een versje op;bij elke klemtoon wordt een speler aangeduid, door er met de hand naar te wijzen; de teller begint met de man naast zich, (ik meen, links van hem) en gaat zo de kring na, (met de zon mee), met insluiting van zichzelf; de speler op wie de laatste `klenmtoon' valt is aangeduid (in positeve of in negatieve zin: deze speler is aangeduid, of valt uit bij de aanduiding; ik meen dat beide alternatieven in gebruik waren; 

in dat geval moest op voorhand uitgemaakt zijn welke variante gold).

De versjes:

1. - ienne-mienne-mietske, die bès Frietske, ienne-mienne-maus, en doe bès d'raus.

2. - eech en deech en Jiipke Sjteer zunt- `r veer (is dit wel een aftelrijpje of is het zomaar een versje?)

3. - op de hoek van de straat stond een soldaat met de pijp in de mond en de broek vol strond (kan van hier zijn of uit mijn Tongerse schooltijd -tot 1934; eigenaardige, zo een versje niet in het Limburgs maar in het standaardtaal)

ook andere versjes?

 

Mogelijkheden tot manipulatie, en zelfs tot foetele:

a) op voorhand uitzien hoe het aantal klemtonen van het versje overeenkomt met het aantal spelers. Men kan dan een aangepast versje kiezen

b) klemtonen al dan niet leggen: ien(ne)-mien(ne) ...: twee klemtonen of ien-ne-mien-ne: vier klemtonen, ien(ne)- mie-ne: drie klemtonen

c) uitzien hoe het aantal spelers met het gekozen versje overeenkomt, en op grond hiervan de in- of de uitsluitings-alternatieve kiezen; de initiatiefnemer kan daartoe zijn overredingskracht gebruiken.

(Bron: mijn schooltijd in Teuven)

 

- voor twee spelers: aaftraeje

De twee spelers gaan op een zekere afstand van elkaar staan (zover ze kunnen bij vasthouden van elkaars hand?). Een der spelers begint (degene die het meest onder zich uit is?), en zet een voet voor'de andere, naar de andere speler toe, dan de andere speler, enzovoort, maar steeds de `nieuwe' voet aansluitend aan de vorige. Men mag zetten: een hele voet, een halve voet (dwars) of een voetpunt. Wie "geen voet meer aan de grond krijgt" verliest (ès verlaoëre, niet: haat verlaoëre). De handigheid bestaat dààrin, op tijd te voorzien hoe het zal uitkomen: m. a. w., inzicht in kombinaties is van groot belang; het is een edukatief spel.

aaftraeje
Mogelijkheden tot manipulatie: men kan een voet losjes of stevig tegen de vorige zetten; foetele: de voet die reeds staat onzichtbaar verplaatsen (wringen).
(Bron: mijn schooltijd in Teuven) 

Jaak Nijssen

 LIMBURSE. HERFSE KAAS 

Onze Heemkring opende op 14 december 1990 in het natuuredukatief centrum/herberg De Swaen, `s-Gravenvoeren, een geslaagde tentoonstelling over de Limburgse kaas. 

Limburgse kaas is over grote delen van de wereld bekend: hier, in Finland, Oostenrijk, Zwitserland, de USA, Kanada ... maar vooral in Duitsland. In België heet hij meestal Herfse kaas; Remoudou, Rommedoe, Romadur zijn er - in teorie - vettere en fijnere varianten van. Limburgse kaas heeft enkele neefjes: de Maroilles uit de Thiérache (bij Henegouwen), de Munster uit de Elzas ... Het zijn allemaal `rode' kaassoorten, ze krijgen hun typische geur en smaak door mikroben die de oppervlakte oranje-rood kleuren, en vandaaruit naar het binnenste toe uitzwermen: de `rijping' (1). Verdere verwanten zijn de `witte' kaassoorten (Camembert, Brie), waar de rijping door schimmels gebeurt, en de `blauwe' (Roquefort, schapekaas), waar de blauwe schimmel met naalden tot binnen in de kaas wordt gebracht. Voor de plaats van de Limburgse kaas in het totale kaas landschap, zie bijgevoegde tabel. (Vergelijk ook met kaas-atlassen en kaas-encyklopedieën die in elke grotere biblioteek staan).

===========

Limburgse kaas heeft zijn naam van het oude hertogdom Limburg (in 1795 door de Franse bezetter opgeheven en nooit in eer hersteld), de streek van Eupen/Montzen/Herve, met als uitbreiding de landjes van Dalhem, Valkenburg en Herzogenrade. De kaas gold als een gewaardeerde lekkernij: in 1783 bestelde prins Albert van Saksen-Teschen er bij een apoteker van Spa (2), en soms werden de kommandanten van bezettingstroepen goed gestemd door middel van deze lekkernij (3); er waren er zelfs met op elke hoek een verschillende kleur, die teweeggebracht was door toevoeging van kruidensap (4).

Limburgse kaas was zo bekend, dat hij ongeveer 160 jaar geleden ingevoerd werd in de Allgäu, in de Zuid-Beierse Alpen.

Die streek was toen in volle rekonversie: ze schakelden er over van vlasteelt op weiden, met ruilverkaveling en ontwikkeling van de bevloeiing en de bemesting. Karl Hirnbein (5) speelde hierbij een merkwaardige rol, die hem ook geen windeieren opleverde: hij vergaarde een belangijk grondbezit (dat nu weer opgesplitst is). Hij richtte het eerste toerisme in de streek op, op een berg die hij in zijn geheel gekocht had; op zijn veertigse ging hij in de politiek, was sympatisant van de demokratische beweging van 1848, die in Midden-Europa de vorsten tot het aannemen van een grondwet verplichtte; daarna was hij vier jaar lang volksvertegenwoordiger. Hij zette een uitgebreide handel in kaas op, en daaruit is de huidige verspreing van Limburgse kaas ontstaan. Tot op heden is hij in zijn streek een legendarische figuur. Rond 1935 wijdde Peter Dörfler een trilogie aan hem (6). In 1980 werd in zijn geboortedorp Wilhams de 150e verjaardag gevierd van de Limburgse kaas aldaar (7): `~In diesem Hause machte Karl Hirnbein (1807-1871), der Begrunder der Allgäer Weichkäserei, anno 1830 den ersten Limburgser".Het materiaal van de tentoonstelling blijft bij onze Heemkring bewaard; wie er belangstelling voor heeft kan zich tot de kring wenden (8).

J. Nijssen

 (1) El-Erian, A.F.M. 1969: bacteriological studies on Limburger cheese, Proefschrift, Wageningen, alwaar verdere literatuur [aanwezig in Stadsbibl. Maastricht].

(2) Herz, Frans Josef: Zur Geschichte der Limburger- und Romadurkäse. in: Milchwirtschaftlicher Kalender fu~r das Jahr 1910. Kempten. [aanw. in Universitätsbibl. Köln]

(3) Pauchenne, Histoire ... Henri-Chapelle, p. 16

(4) Grand calendrier de Herve 1792.

(5) Over Hirnbein, zie: -- Aufsberg, Th. 1913: Bausteine zur Geschichte der Milchwirtschaft im Allgäu; -- Volkheimer, Woifgang (ed.), Lingg, Amalia 1927. Karl Hirnbein, ein Mann aus dem allgäuer Volke. Kempten. -- Roth, Karl Friedrich 1971 : Zum 100. Todestag von Karl Hirmbein. [De Otto-Merkt-Stiftung (. . Versuchsanstalt Milchwirtschaft...) in Kempten bezit een uitgebreide literatuur ter zake. Kopieën ter inzage bij onze Heemkring].

(6) Peter Dörfier, Allgau-trilogie: 1, 1934: Der Notwender; II, 1935: Der Zwingherr; III, 1936: Der Alpkönig [originele uitgave aanwezig in Stadbibi. Maastricht, o.a. OB 342 c 3, CB 343 C 26; de jongste (6e) uitgave (1979) ter inzage bij onze Heemkring]. (7) 150 jaar-viering: dokumentatiemap bij Prov. Dokumentatiecentrum, Begijnhof, Hasselt.

(8) Enige literatuur betreffende Limburgse kaas bij ons: -- Lauwers, Le fromage de Herve. In: Lait, dérivés et graisses alimentaires. -- Veldeke, J. v. - (Franssens, Jozef) 1964: Hoe men op Te Veld in Montzen sedert onheuglijke tijden Herfse kaasjes maakte. In: Heem, weemaandelijks tijdschrift voor Overmaas, Halle (Brabant) Jg. 8, Nr 5-6. -- Hees, F. van - 1965. Limburgse kaas, een verkwikkend produkt uit ons eigen heem. In: Ons Heem, tijdschrift ter bevordering van heemkundig gericht onderwijs. 14e. jg. p. 8-11 [Stadbibl. Maastricht]. -- Roemers, J.E. en Morrhaye, M. 1974: Wist U dat echte Herfse kaas in de Voerstreek nog gemaakt wordt? In: Voersprokkels, contactbald van de provinciale middelbare school `s Gravenvoeren, Jg. 5/1; -- Collard, José 1980: Le fromage de Herve menacé. In: Journal d' Aubel 29.2.1980.

========

VOERENS PAPIER

VOERENS PAPIER 

Vanaf 1573 bestond er in Schoppem, `S Gravenvoeren, een papiermolen. Daarop trok Th.G.A. Bos voor het eerst publiek de aandacht in De Maasgouw 1955/1957.

Onafhankelijk daarvan kwamen enkele Belgische papierhistorici deze papiermolens op het spoor: Walter Kaefer uit Malmedy, Alphonse Radermecker uit Eupen, die in zijn vije tijd zélf op de oude manier papier schept, en Jos de Gelas uit Sint Genesius Rode bij Brussel, eigenaar van een voormalig papierfabriek, de Herissemmolen. (In 1984 kwamen ze de zaak ter plekke bekijken).

Uit deze belangstelling voor de papierhistorie ontstond in 1986 het tijdschrift "BPH Belgian Paper Historians Association - INFO". En uit deze aktie volgde dan weer, dat de IPH (international association of paper historians) haar 20e kongres in "Belgie" hield, en wel in augustus 1990. Aan ondergetekende werd daarbij de kans geboden om de Schoppemer papiermakerij aan het internationale bevoegde forum voor te stellen. Op zo'n kar moet je springen!

Hoe verkoop je nu Schoppem aan een internationaal gezelschap van gespecialiseerde papierhistorici? Europeanen, maar ook Chinezen en Verenigde-Statenaren? Zeker niet met "en toen verkocht A de molen aan B, en in het jaar x werd het molenrad vervangen ..." Van die verhaaltjes zijn er tienduizenden doorheen de wereld.

Een eerste zaak was het, deze molen in zijn algemeen Europees verband te situeren: het bleek namelijk dat in 1550 er wel papier gemaakt werd in Brussel/Leuven, in Hoei, in Solingen en in Siegburg bij Keulen, maar niet ten noord-westen van die lijn, o.a. niet in het gebied dat nu Nederland heet. Vijftig jaar later gonst de papiemakerij aan de Noordzee (Dordrecht 1586, Schiedam 1595 ...) Welnu, nét daartussenin valt de oprichting van een reeks nieuwe papiermolens in het gebied van Midden-Maas en Midden-Rijn: Aken (1571), Schoppem (1573), Diiren (1579), Bergisch-Gladbach (1582).

Watermerk-onderzoek vindt op heel-Europees niveau interesse; daarom werd een onderzoek naar mogelijke watermerken van de Schoppemer molen ondernomen; gelukkig leidde dit tot een positief resultaat: het staat nu voldoende vast dat watermerken van de types zoals hierbij afgebeeld, van Schoppem afkomstig zijn. Een watermerk is de afdruk van een draadfiguur in de schepzeef.

Ten derde dan het taalprobleem in dergelijk meertalig gezelschap: een maximaal gebruik van beelden was hier aangewezen; de watermerken lenen zich daar prima toe, samen met kaartjes van de gebieden waar die merken in de archiefstukken voorkomen.

Als de Schoppemer papiermolens nu zover buiten onze streek bekend zijn, moeten we ze dan niet ook ter plaatse eens bekijken? De Heemkring bespreekt ze op 1 maart 1991, en d t in de gebouwen van een voormalige papiermolen zelf, ten huize namelijk van beeldhouwer Sj. Eymael, Vitschen 309 `s Gravenvoeren. Welkom.

Jaak Nijssen

===== 

OVER MOTTES. een bijzonder type van versterkte bewoning

Wat het woord "mot" betekent, lazen we in het artikel van Jaak Nijssen over de ondergrond van de kerkheuvel van Sint- Martensvoeren in "D'r Koeenwoof" jaargang 1, nummer 3, n.l.: "hoop aarde" of "drassige grond". Verder blijkt in zijn artikel dat het begrip "mottorens" een aanduiding is voor oude kastelen.

Het artikel "Verborgen archeologische geheimen in Voerense Mottt in "Het Belang van Limburg" 22/23 september 1990 vermeldt dat naast de Voerense Mot waar de kerk van Sint-Martensvoeren op gebouwd is, ook nog een andere mot in dit dorp te vinden is, n.1. de verhoogde plek waar de vroegere versterking "Op d'r Hof" heeft gestaan. Deze tweede mot ligt in een weiland tegenover de kerk en is vanuit de lucht goed waarneembaar. Dit artikel wordt bes loten met de overpeinzing dat het vreemd zou zijn indien er twee versterkingen zo dicht naast elkaar gestaan zouden hebben. In de katalogus van de tentoonstelling "Vlaamse archeologie" te Oudenburg geeft Frans Verhaeghe in zijn bijdrage "Archeologische sleutels op "Middeleeuws" Vlaanderen" op pag. 36 de volgende omschrijving van het begrip "motte": "De motte omvat in essentie twee delen: een zgn. opperhof en een neerhof. Het eerste is een kunstmatig opgeworpen, 3 tot 20 meter hoge, aarden heuvel in de vorm van een afgeknotte kegel met een gracht rond de voet; het plateau (met pallisade of muur) droeg' een torengebouw en soms ook bijgebouwtjes. Een opperhof had vooral militaire (en pas daarna residentie le) funkties. Het aansluitende, veelal niervormig neerhof kon ook wat opgehoogd zijn en versterkt met pallisade en gracht; het droeg bedrijfs- en hoevegebouwen, verblijven van ondergeschikten, en soms ook een kasteelkapel (die soms parochiekerk werd)." "Opgravingen op mottes zoals o.m. te Brustem (Limburg) leverden heel wat gegevens op over de ligging (vooral op waterrijke gronden of bij een rivierloop.)" "Er blijven echter nog vele vragen zoals de karakteristieken en de indeling van de neerhof (veelal minder makkelijk toegankelijk omdat er nog een kerk of hoeve op staat)."

Misschien sluiten mij niet bekende gegevens omtrent de mot "Op d'r Hof" en de Mot waar de kerk van Sint-Martensvoeren op staat mijn voorzichtige veronderstelling uit, maar hebben wij hier misschien niet ook te doen met EEN motte in bovenstaande zin?

Bep Mergelsberg

====== 

" 'T HUUSKE" IN EEN MUUR VAN DE BOERDERIJ VAN DE KOMMANDERIE TE S INT-PIETERSVOEREN

Op 20.9.1990 brachten Fridy Maurer, Jean-Marie Beckers en ondergetekende een bezoek aan Lieve en Eugène Wiertz. In de gang van hun woning, die deel uitmaakt van de Kommanderie van Sint-Pietersvoeren, waren zij tijdens een verbouwing een "huuske" in een muur tegengekomen. Guido Sweron, die de dag voordien stroop was wezen kopen, stelde de heemkring van deze vondst op de hoogte.

"`t Huuske" is eigenlijk een nis in de brede muur van de West- zijde van de boerderij. De nis bevindt zich 110/120 cm boven de vloer van de gang, heeft een diepte van 48 cm, een hoogte van 120 cm en een breedte van 73 cm. De onderkant van de nis bestaat uit een 5 cm. dikke plank met in het midden een gat met een doorsnede van 25 cm. (zie: afb. ) Onder dit gat bevindt zich een gemetselde afvoerbuis, die nu opgevuld is met dennenaalden, kolen, stof en leem tot ongeveer 30 cm. onder de plank. Bovenop dit opvulsel trof men twee kleine hoefijzertjes aan. Op de plank zelf lag een plastic hemd-kraag.

Lieve en Eugène Wiertz hebben een koevoet van ongeveer 60 cm lang in deze afvoerbuis gestoken, met gestrekte arm, en stootten toen niet op een eventuele harde afsluiting van de "buis" Het gat in de plank heeft aan de voorzijde een kleine inham.

De muur waarin zich de nis bevindt is gemaakt van baksteen. De wanden van de nis zijn eerst met leem bedekt en daarna gekalkt. De nis werd afgesloten met twee deuren. Over de deuren heen was een lattenwerk geplaatst en daarover heen was leem gesmeerd. Deze nis is minstens 50 jaar afgesloten geweest want de vorige bewoners, de vader van Eugène Wiertz, had wel een vermoeden dat er een open ruimte achter de wand was maar heeft het "huuske" zelf nooit gezien. Hij heeft hier 50 jaar gewoond.

Zoals gezegd, bevindt "`t huuske" zich op een hoogte van 110/120 cm. boven de vloer van de gang en we vroegen ons dus ook af hoe het mogelijk was geweest om daarop plaats te gaan nemen. Een klein trapje dat eronder geplaatst was ? Maar misschien is ook het volgende mogelijk. Rechts van de nis bevindt zich een raampje dat half schuilgaat achter de trap die naar boven leidt. (zie: afb.2).

Gewoonlijk plaatst men geen raampje achter een trap en misschien is de trap dus van links naar rechts verlegd. Als dit het geval was dan kon men na een trede of twee, drie van de vroegere trap de deuren van "`t huuske" openen en met gemak op "`t gemak" plaatsenemen.

De volgende vraag die we ons stelden: "Waar gaat die afvoer"buis" precies naar toe?" De gracht ligt ongeveer 4 meter lager dan de nis. Aan de buitenkant is geen afvoerbuis te zien volgens Euge'ne en Lieve. Zij veronderstellen dat deze buis onder water in de gracht zou uitkomen. We zijn daarom ook de buitenmuur even gaan bekijken. Het valt eigenlijk meteen op dat op de plaats waar zich "`t huuske" bevindt de buitenmuur een andere, veel lichtere kleur voegwerk heeft dan de rest van de muur. Misschien duidt dit voegwerk op een afgebroken uitbouw maar er kan natuurlijk ook sprake zijn geweest van een restauratie van het voegwerk op deze plek.

Bep Mergelsberg.

========== 

STAND OVER STROPERIJ

Onze bijdrage aan de Trip-Sop-feesten.

Op 12 augustus 1990 vonden te `s Gravenvoeren de jaarlijkse Trip-Sop-feesten plaats en ook onze kring was present met een stand rond het thema "Stroperij". Geen stand over het vervaardigen van stroop, want alleen afgaand op de naam "Stroperij" had dat natuurlijk ook gekund, maar een goed geslaagde tentoonstelli n g van allerlei werkt ui gen die gebruikt werden om te stropen. Ook lieten we, opgezette, dieren zien waarop met behulp van een speciaal werktuig illegaal jacht werd gemaakt. Zoals bijvoorbeeld: een das met de daarbij behorende dassetang of een haas met een speciale riek waarmee men azen stroopte.

Een zalm kom je nu in onze wateren niet meer tegen maar op onze tentoonstelling kon men nog een zalm-haak zien waarmee men -in vroeger tijden zalmen ving, alhoewel dit verboden was. Volgens Th. Broers is in 1924 de laatste zalm in de Berwijn gestroopt

De levende fret in zijn fret-kist had veel bekijks. Fretten werden gebruikt bij het freteren, een bepaalde manier om konijnen uit hun hol te krijgen. Men zette een fret in een konijnehol en sloot de uitgangen af met "buugele", speciale netten om de door de fret opgejaagde konijnen in op te vangen. Ook deze "buugele" waren in onze stand te zien. Ander stropersmaterieel dat we tentoonstelden en dat allemaal afkomstig is uit de verzameling van ons lid Th. Broers, was: een val voor bunzings en hermelijnen; een marter-val; een vis- "haam"; een net voor vogelvangst; een val voor kraaien; een ratten-val; een val voor wezels; een haze- en konijne-strop en "e reekske vaor truute", een riek om forellen te vangen. We zouden de heemkring niet zijn als we ons op een bepaald moment niet zouden afvragen hoe men nu bijvoorbeeld een steenmarter in het Limburgs noemt. Wel, het Limburgse woord voor het Nederlandse "steenmarter" of het Vlaamse (volgens de Van Dale is het echter een gewoon Nederlands woord, zonder de toevoeging: "Zuid-Nederlands") "fluwijn" is "foeing". Ook een boommarter noemt men zo. Een wezel is t,, ne wezzel" en een bunzing, t,, ne veurder" of "`ne fies".(Th. B, JN, LS) Op de leestafel van onze stand was natuurlijk ook informatie te vinden van groepen die tegen de stroperij in verzet komen. Verder vond men daar oude foto's uit de Voerstreek die voor 40 bfr. te koop werden aangeboden en men kon er kennis maken met ons tijdschriftje "D'r koeënwòòf". De medewerking aan het Trip-Sop-feest in deze vorm vinden wij zeer geslaagd, veel belangstellenden hebben onze stand bezocht en wij vinden alvast dat dit zeker voor herhaling vatbaar is.

Bep Mergelsberg

===== 

AKTIVITEITEN EN KONTAKTEN 

Het kontakt met de ijveraars voor het behoud van het kerkhof van GERLINGEN (Luxemburg) gaat voort. Aanvraag vanuit Gemert, Noord-Brabant, om inlichtingen over het geslacht BOUR (o.a. Veurs, Sint Martensvoeren).

Aanvraag vanuit Vucht (Maasmechelen, Belg. Limburg), om inlichtingen over een Missiekruis met GIETIJZEREN korpus (spanwijdte 940 mm, hoek tussen de armen 140 graden), vergelijk Lenssen 1989, type Cdcg 5 en 6.

Het artikel van Roger Delmeire (Landen, Vlaams Brabant) over antropomorfe SARKOFAGEN aldaar (stenen grafzerken die de vorm van het menslijk lichaam volgen), is verschenen (Ons Landesn Erfdeel Jg. 13, Nr. 38, 1 december 1990); hierbij werd door ons geadviseerd (zie Koeënwòòf 1990 nr. 3 p, 3).

Bij de kursus Toeristisch Medewerker van de Provinciale AVONDLEERGANGEN Sociale Promotie gaven onze medeleden J. Nijssen rn Rob Brouwers lessen "Heemkunde", "Struktuur van de Limburgse Taal" resp. "Geschiedenis" en "Geschiedenis van de Limburgse Taal".

Op 29 december 1990 zijn we in de kerk van Sint Martensvoeren de KERSTSTAL gaan bekijken, die door ons medelid Jaak Lemmens en zijn gezin jaarlijks (al sedert 41 jaar) aldaar wordt opgesteld; tevens hebben we een bezoek gebracht aan de Columbiaanse familie Gamez in Sint Pietersvoeren en hun kerststal (el Belèn); de Columbiaanse traditie verschilt in veel opzichten van de onze: ondergrond van schaafspanen, niet van mos lijk bij ons, kerststal vergezeld van talrijke huizen: het hele dorp Betlehem; boekje met kerstnoveen; hun kerstliederen zijn uiteraard ook heel anders.

==== 

PUBLIKATIES 

"Rekonstruktie van de Wijngaardshof (1)" door: Piet van Caldenborgh in "Grueles" december 1990, 10e jaargang, nr 4.

Op zoek naar de waarheid aangaande de oorsprong en de inhoud van de naam "de Wijngaardshof" in Gronsveld of hoe deze naam door o.a. een verband met Sinnich naar zijn oorsprong en betekenis verklaard kan worden. Een schoolvoorbeeld van hoe men te werk kan gaan om een oude plaatsnaam van een te verantwoorden betekenis te voorzien.

"Het kruis "Aon `t Beelsje"" door: (ons lid) Leon Olislagers in "Grueles" december 1990, 10e jaargang, nr. 4.

Een beschrijving van de plaats en het kruis "Aon `t Beelsje". Vanuit de wetenschap dat wegkruizen vaak verdwijnen als er niemand een oog op houdt en het verzorgt, richt de schrijver zich speciaal tot diegenen die de zorg voor een wegkruis op zich zouden willen nemen. Een initiatief dat onze heemkring voor de Voerstreek zou kunnen herhalen.

"3 Eeuwen Jonkheid St. Aloysius Mheer 1690-1990" door: R. Dautzenberg, P. Dobbelstein, F. van Gerven, R. Lemlijn en W. Senden. Verkrijgbaar bij W. Senden, Op `t hovelke 6, Mheer. Kostprijs fl0,-.

Een 66 pagina's tellend boekje waarin omschreven wordt welke invloeden een rol hebben gespeeld bij het in het leven roepen van een jonkheid en hoe we ons zo' n jonkheid in vroeger tijden eigenlijk het best kunnen voorstellen. Daarnaast treffen we er beschrijvingen aan van de aktiviteiten die de jonkheid van Mheer door de eeuwen heen en nu nog voor haar rekening neemt.
 

ZOEëRM0OS KINT ME EEGES MAKE ! 

Voor een "baar" van 10 liter heb je ongeveer 10 kg kool nodig. 5 kg witte kool en 5 kg savoye kool. Neem vaste kolen, deze zijn gemakkelijker te schaven. Was de "baar" in heet soda-water en spoel ze met warm water na. Weeg de hele kool en noteer het gewicht. Verwijder de slechte of donkergroene buitenste bladeren en leg deze op een weegschaal. Snijd de kool doormidden. Schaaf de kool en leg de kern eveneens op de weegschaal. Het aantal gram afval wordt afgetrokken van het gewicht van de hele kool. Noteer het netto gewicht van de kool op een apart papier. Leg de geschaafde kool op een tafel. Schaaf de witte en de savoye kool om beurten en volg steeds de bovenstaande werkwijze.Als alle kool geschaafd is tel je de netto-gewichten samen. Neem per kg geschaafde kool 12,5 gram zout. Doe het zout op een bordje en strooi dit voor ongever 1/3 over de hoop kool. Haal dan met beide handen de onderste kool boven en strooi er weer zout op. Zorg dat het zout gelijkmatig verdeeld is over alle kool. Neem de "baar" en doe er twee keer met twee handen kool in. De kool moet heel vast aangestampt worden met de vuisten. Doe om de 5 cm aangestampte kool 2 à 3 jeneverbessen. Hoe breder de "baar", hoe meer bessen. Als de "baar" voor 1/4 vol is moet het sap tussen de vingers te voelen zijn als je de kool vastduwt. Als de "baar" helemaal vol is en je duwt met twee vuisten op de kool, dan moeten de beide vuisten nagenoeg onder het sap staan. Leg een doek (een zakdoek bijv.) over de kool. Duw de randen van het doek tussen de "baar" en de kool naar beneden. Leg hierop een omgedraaid bord en daarop een steen van 2 à 3 kg. Maak die steen eerst goed schoon. Hierover leg je een theedoek. Zet de "baar" buiten onder een afdak. Er moet namelijk frisse lucht aan de kool kunnen komen maar geen regenwater. Als de "baar" helemaal vol is gemaakt met kool, stroomt er na een paar dagen sap over de randen. Ook komt er schuim op te staan. Laat dit allemaal gewoon zijn gang gaan. Na een week kontroleer je of de kool nog onder het sap staat. Is dit niet het geval dan doe je op 1 liter koud water een koffielepel zout. Dit breng je aan de kook, even laten doorkoken en af laten koelen. Als dit zout-water koud is, giet je het over de kool.

Na de tweede week voer je diezelfde kontrole nog eens uit. Staat er nog sap op de kool dan laat je het zo. Is dit niet het geval dan handel je als hierboven. Zie je bij de eerste of tweede kontrole dat er erg veel vaste schuim (kim) is ontstaan op het doek, dan verwijder je die. Het doek pak je daarna weg en spoelt die uit onder een hete kraan. Daarna leg je het doek terug op zijn plaats. Als het flinker begint de vriezen zet je de "baar" binnen op een koele, donkere plek, bijv. in de kelder. Zes weken na het schaven van de kool is de zuurkool klaar. Eet smakelijk

 
Bep Mergelsberg

=========== 

WAALS BIJ DEKREET ERKEND ALS BINNENLANDSE REGIONALE TAAL

Uittreksel van "Walen op zoek naar standaardtaal" van Guido Fonteyn in "De Standaard" 12/13 januari 1991. (BM) 

De Union Culturelle Wallonne vierde op 12 januari 1991 de erkenning bij dekreet van het Waals als taal. De erkenning geldt ook voor dialekten van Germaanse oorsprong, zoals het Luxemburgs. (En de taal van Montzen en omgeving ? ) De stuwende kracht achter dit dekreet is de Union Culturelle Wallonne, met als voorzitter Paul Lefin die als kollegestudent vroeger nog meemaakte dat wie betrapt werd op het spreken van de Waalse taal het verderfelijk merkteken kreeg waar Ernest Claes zo roerend over schreef, in een andere periode en een andere taal.

"Mij gaat het er daarbij niet zozeer om of het Waals na het jaar 2000 nog zal bestaan", merkt Lefin op, "maar dat degenen die het Waals gebruiken gerespekteerd worden, of dat nu jongere scheppende kunstenaars zijn, die het Waals opnieuw ontdekt hebben, of ouderen, die altijd het Waals hebben gesproken.

Ik doe dus niet aan archeologie, maar aan humanisme." Paul Lefin merkt overigens op dat hij het Waals als zijn moedertaal ervaart en niet het Frans.

De Union Culturelle Wallonne telt 227 aangesloten verenigingen, die vorig jaar 1248 vertoningen of ontmoetingen in het Waals organiseerden voor 264379 betalende toeschouwers. Onder deze 227 verenigingen zijn er l57~teatergezelschappen, die over 5072 leden beschikten. Zij voerden 1103 toneelopvoeringen op. 52 verenigingen zijn literaire kringen of verenigingen die ijveren voor het gebruik van het Waals op school.

In 1983 keurde de Franse Gemeenschap een dekreet-Urbain goed waarbij het gebruik van het Waals op school werd toegelaten. Aangezien hiervoor geen cent op de begroting werd uitgetrokken, bleef dit dekreet een dode letter. Lefin is van oordeel dat op basis van het nieuwe dekreet gemeenten en provincies aktiviteiten in het Waals kunnen organiseren in het raam van hun gewone betoelaging. Hij heeft het dan ook over een historisch moment. Op de vraag of Lefin over tien jaar misschien mee zal ijveren voor het verkrijgen van het statuut officie~le taal" voor het Waals antwoordt hij ; "We zullen zien

(kaart: De Waalse taalkaart (bron: Atals Linguistique de la Wallonie)

========== 

AGENDA 

Lezing.
"Voerens papier" door Jaak Nijssen in de gebouwen van een voormalige papiermolen, ten huize van beeldhouwer Sj. Eymael, Vitschen 309 te `s Gravenvoeren. 1 maart 1991. Aanvang 20.00 uur.

Tentoonstellingen.
"Retrospectieve tentoonstelling Rob Brouwers" ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag in Het Kultureel centrum van Sint Truiden (centrum) van 14.3.1991 tot 2.4.1991. Alle dagen geopend van 14.00 uur tot 18.00 uur. Er is ook een katalogus verkrijgbaar. 

"Die Postgeschichte im Göh1talraum, in het "Göhltalmuseum", Maxstrasse 9, Kelmis. Van 22.2.1991 tot 17.3.1991.
 

Nederlandse dialektendag.
Een aantal Nederlandse en Belgische instituten hebben samen het initiatief genomen tot het houden van deze Nederlandse dialektendag. Deze studiedag vindt plaats in de Brabanthallen in Den Bosch op zaterdag 16 maart van 10.00 uur tot 16.30 uur. U kunt zich aanmelden voor deze dialektendag door uw inschrijfgeld over te maken op CERA-banknummer 730-1402526-96 t.n.v. A. Dams onder vermelding van "Dialektendag 1991". De inschrijfkosten bedragen 800 Bfr. voor deelname en boek of 500 Bfr. voor alleen deelname. De lunch is inbegrepen. Inschrijvingsformulieren voor de workshops in de namiddag kunnen verkregen worden op het kontaktadres: NCDN/KUN, Erasmusplein 1, 6525 HT Nijmegen. tel: 080-512056. 

Congres rendierjagers.
Het Gallo-Romeins museum van Tongeren houdt op zaterdag 26 januari een congres over "Rendierjagers. Jong-paleolitische tentenkampen bij de Maas". Aanvang om 10.00 uur. Voor aanmelding en meer informatie kan men terecht bij provinciaal archeoloog G. Creemers, Prov. Gallo-Romeins Museum, Kielenstraat 15, 3700 Tongeren. Tel.: 012-233914. Een van de voordrachten handelt over "De opgravingen te Mesch en Eyserheide en het gebruik van grondstoffen bij de noordelijke rendierjagers". 

Wim Anderson
Ons medelid Theo Broers (Moelingen) nam op maandag 14 januari 1991 met vier andere Voerenaars deel aan het programma "Wim Anderson" van VTM, en dat als supporter van Jan van Loon, die speelde voor het Kanunikenhuis van Borgloon, het toekomstig fruitmuseum; dit leverde voor het museun meer dan 300.000 frank op. Uitzending op vrijdag 31 mei 1991. Door tussenkomst van Theo kon ook een oude stroopketel uit `s-Gravenvoeren voor bedoeld museum verworven worden.

D'r Koeënwòòf nr 05 (1991/2)

INHOUD:

 

Léon Olislagers -- EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN (vervolg).... 25

Heemkring - UITZONDERLIJK TOEGANKELIJK IN VOEREN 1991.................... 28

Heemkring - EEN TENTOONSTELLING OVER ONZE EIGEN LAATSTE "ESKIMO'S".... 33

Servé Gubbels ---- 'T VREUGJAOR, gedicht................................... 38

Foto Moelingen hondskarren......38

Bep Mergelsberg ---- PUBLIKATIES............................................. 39

 

======

EEN STUKJE FAMILIE-GESCHIEDENIS DOBBELSTEIN (vervolg)

 

Op 2 november 1756 werd in de kerk van Sint Maartensvoeren gedoopt Petrus (Peter) DOBBELSTEIJN (ook wel DOBBELSTEEN). Hij was echter in Sint Pietersvoeren geboren, als zoon van Johannes Dobbelstijn en Maria Heusschen.

Peter trouwde op 9 april 1782 met Anna Maria (Maria) DEBIE (ook wel de BIE, DEBEY of DEBIJ)

Maria was op 11 januari 1761 in Gulpen gedoopt, ze was een dochter van Jacobus Debie en Laurentiana Knops.

Na hun huwelijk woonden zijn aanvankelijk in Sint Pietersvoeren, daarna zijn zij enkele malen verhuisd, eerst naar Gulpen, dan weer terug naar Sint Pietersvoeren, daarna naar Amby en uiteindelijk in 1797 naar "Op het Cruts" (Hoogcruts).

In het schepenbankarchief van St. Pietersvoeren vond ik een aantal stukken over een klein familiedrama binnen dit gezin.

Op zondag 22 april 1792 ging Anne Marie Debye, de huisvrouw van Peter Dobbelstein, samen met Maria Catharina Meijs, de huisvrouw van Peter Heusschen, naar de vroegmis in de kerk van Sint Pietersvoeren. Deze mis duurde, als gevolg van "ceremoniëen daers gehouden bij "t aennemen der jonkheid tot d'eerste H. communie", langer dan normaal.
Na de mis keerden de beide vrouwen weer gezamenlijk huiswaarts. Toen men bij het huis van Dobbelstein aankwam hoorden men binnen geschrei van een kind. Maria is toen direkt naar binnen gegaan. Toen Maria Catharina Meijs ook op het geschrei was afgekomen, zag zij binnen een klein meisje van ongeveer drie jaar op de schoot liggen van Maria. De kleren van het kind waren over de helft van het lichaam geheel verbrand. Een kwartier daarna is het kind op de schoot van haar moeder overleden, waarna Maria Catharina het dode lichaampje op het bed heeft neergelegd. Buiten de drie andere kinderen, waarvan het oudste ongeveer zes jaar was en het jongste ongeveer zeven maanden, was er niemand in huis.
Door de Officier van de Heerlijkeid werd een onderzoek gelast, er diende onderzocht te worden of de ouders schuld hadden aan de dood van hun kindje. De schepenen Halvenwegh en Neven waren verantwoordelijk voor dit onderzoek (de grootvader van het overleden kindje was op dat moment ook schepen!). 
Allereerst werd de hulp ingeroepen van de chirurgijn van Sint Maartensvoeren de heer Halleux. Deze rapporteerde op 23 april dat het "kind geheel verbrandt is geweest te weeten van sijne knijen tot aen sijnen hals Waer op De Doodt Heeft moeten volgen". De twee genoemde schepenen bevestigden dit nog eens. Op 25 april werd Maria Catharina Meijs verhoord, zij vertelde het verhaal zoals hierboven beschreven. Uit de stukken blijkt verder dat het kind "bij een ongeluck door het vier aen den Stoven oven is koemen aftlijvigh te worden". De justitie van Sint Pietersvoeren stelde verder vast dat de vader van het overleden kindje op de zondag van het ongeluk niet aanwezig was, daar hij "buyten dorps gegaen sijnde om eene bedevaart af te leggen". De justitie konkludeerde uiteindelijk op 15 mei dat de ouders niet zo zorgeloos zijn geweest dat ze hun "menagie moetwilligh veronachtsaemen", doch dat de ouders niettegenstaande "gehouden zijn van meer voorsorge te draegen voor hunne kinders".
Op 13 juni 1792 besloot de landscommandeur van Aldenbiesen dat Peter Dobbelsteen vrij werd gesteld van straf, doch dat hij in plaats van de straf aan de armen van St. Pietersvoeren een bedrag van vijftig gulden diende te geven. Dit gezin is vrij kort hierna naar Ambij verhuisd, daar heeft men echter slechts een korte periode gewoond, want vanaf 1797 woonde men reeds te Hoogcruts. Op Hoogcruts was men herbergier en broodbakker. Uit de vele akten van koop en verkoop blijkt dat men daarnaast ook nog als landbouwer in het levensonderhoud voorzag. De kwalitiet van het bier en de prijs daarvan dienden in die tijd ook al aan bepaalde voorschriften te voldoen, dit werd ook regelmatig door speciaal daarvoor aangestelde ambtenaren gekontroleerd. In het gerechtelijk archief van Maastricht bevindt zich een proces-verbaal waarbij Maria betrokken was.
Op 22 november 1807 om tien uur 's morgens kreeg Maria in de herberg bezoek van een tweetal kontroleurs. Zij vroegen haar de vergunning voor de hektoliter "bierre rouge", welke zij reeds op 21 oktober 1807 bij haar in de kelder hadden aangetroffen en waarvan zij toen had beweerd dat ze deze was kwijtgeraakt. Zij antwoordde dat ze bij haar brouwer Scherville was geweest voor de vergunning, doch deze had tegen haar gezegd dat de kontroleurs die maar bij hem moesten gaan halen. Hierna zijn de kontroleurs in de kelder afgedaald en troffen het bier daar aan. Op 21 oktober hadden ze gekonstateerd dat de hoeveelheid voor 1/10 leeg was, nu peilden zij opnieuw en konstateerden dat de ton nu voor 8/10 leeg was. Ze zeiden tegen Maria dat ze in overtreding was en dat ze zich genoodzaakt zagen een proces-verbaal op te maken, waarna ze zich zou moeten verantwoorden voor het gerecht in Maastricht. Zij deelden haar tevens mede dat de hoeveelheid "bierre rouge" in beslag genomen zou worden, doch gezien de hoge transportkosten kon ze volstaan met een borg van tien franken. Op dezelfde dag werd ze nogmaals door de kontroleurs bezocht en werd haar een kopie van het proces-verbaal overhandigd. Op 11 juni 1808 vond de rechtszitting plaats. Tijdens deze zitting verklaarde Peter dat het hem niet zou verbazen als de kontroleurs zelf een gedeelte van het bier hadden opgedronken en dat er daardoor minder in de ton zat (!) De rechter sprak Maria en Peter uiteindelijk vrij van het hen ten laste gelegde en veroordeelde de Dienst waartoe de kontroleurs behoorden tot betaling van de proceskosten.
In 1827 werden de meubelen van de herberg openbaar verkocht en enkele maanden later verpachtte men het huis voor drie jaar aan Maria Johanna Leruth, weduwe van Laurius Nelissen, herbergierster van Schilberg onder Noorbeek. Peter en Maria zijn beiden eerst op hoge leeftijd overleden. Maria overleed op 75 jarige leeftijd op 25 januari 1836 te Hoogcruts en Peter op 87 jarige leeftijd op 4 april 1844, eveneens op Hoogcruts. Uit de aangifte van zijn nalatenschap blijkt dat hij ondermeer twee huizen met tuin en boomgaard te Hoogcruts, tien bouwlanden en een wei naliet.

 

Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren:
1. Eva Maria, gedoopt op 25 december 1782 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Joannis Dobbelsteen en Eva Marie Neulers;
2. Mathieu, gedoopt op 20 november 1786 in Gulpen. Hij was landbouwer van beroep;
3. Anna Mechtilde, gedoopt op 8 juli 1789 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Matthias Debie en Maria Mechtilde Haecquin. Zij is reeds op 22 april 1792 in Sint Pietersvoeren overleden (zie hiervoor);
4. Marie Catharine, gedoopt op 10 september 1791 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren José Laurentius Dobbelstein en Marie Catharine Spronck. Ze was met Hendrik Delvaux uit Luik getrouwd;
5. Marie Elisabeth, gedoopt op 6 oktober 1793 in Sint Maartensvoeren, peter en meter waren Sebastian Debie en Marie Elisabeth Dethiou;
6. Antoinius Henry, gedoopt op 21 nobember 1795 in Amby. Hij was landbouwer in IJzeren;
7. Nicolaas, gedoopt op 3 oktober 1797 in Noorbeek. Hij trouwde op 13 juni 1822 in Mheer met Johanna Catharina Munnix. Op 26 augustus 1867 is hij in Mheer overleden; De afstammelingen van deze tak van de familie Dobbelstein wonen thans nog steeds in Mheer
8. Johannes Josephus, geboren op 26 december 1800 op Hoogcruts. 

Léon Olislagers oét Groéselt

 
UITZONDERLIJK TOEGANKELIJK IN VOEREN 1991 

Op 26 mei en 2 juni 1991 werden, in het raam van de aktie "Uitzonderlijk Toegankelijk", de kerken van Sint- Martensvoeren, Sint-Pietersvoeren, De Plank, Teuven en Remersdaal voor het bredere publiek opengesteld. Dat was ook het geval met het voormalige Kapittelhuis van Sint- Martensvoeren (nu Kultureel Centrum "Het Veltmanshuis"). De belangstelling was bemoedigend. Op 20 oktober komen de kerken van 's-Gravenvoeren en Moelingen aan de beurt. "Uitzonderlijk Toegankelijk" is een verwezenlijking van de gewestelijke VVV "De Voerstreek", die hiervoor de medewerking kreeg van de Parochiegeestelijkheid, de Gemeentelijke Kulturele Raad, het Davidsfonds Voeren, het Kultureel Centrum van de Vlaamse Gemeenschap en onze Heemkring.

 Wij namen op ons om voor elk bouwwerk een tekstblad op te stellen (1/3 A4, tweezijdig). Daarvoor werd de literatuur op een enigszins systematische wijze doorgenomen. Het resultaat van die opzoekingen werd uiteraard bewaard. Het is de bedoeling dat de tekst in de verschillende gebouwen ter beschikking wordt gesteld van de bezoekers, ook na de uitzonderlijke openstelling. Bovendien waren leden van onze kring aktief als gids bij het bezoek van de gebouwen en de kerkhoven.

Hierbij de teksten voor Moelingen en 's-Gravenvoeren, die opgesteld werden met medewerking van pastoor Stienaars. 

+ +

De kerk van MOELINGEN

+ +

 LIGGING. De kerk is vrij juist geografisch georiënteerd. Het stratennet is duidelijk door de kerk beãnvloed: de weg loopt er met een wijde boog omheen. De oorlog 14-18, die Moelingen zo zwaar trof, heeft ook dit plein ingrijpend gewijzigd: het W-deel van het huidige kerkhof en plein was vòòr die tijd een hoeve!

 De drie geledingen van de voorstaande toren (beschermd monument KB 3.8.1956) zijn door waterlijsten gescheiden; de huidige klokken-verdieping (in blauwe steen) is een jongere toevoeging. Op basis van het ruwe metselwerk beschouwt men de oudere delen van de toren als ROMAANS en dateert men hem tussen 1000 en 1250 (4). De toevoeging kan, gezien het materiaal, even oud zijn als het middenschip. BAROKKE ingangsdeur en venster. Achtkantige, ingesnoerde spits.

Arduinen (in principe basilikaal) SCHIP van drie traveeën, in MAASGOTIEK, met typische kapitelen, zoals men die ook aantreft in Weerst (Warsage), Breust, Eijsden en Noorbeek. Er waren waarschijnlijk hoogvensters. Van dit schip is aan de buitenzijde een strook zichtbaar, boven het dak van de zijbeuk. Dergelijke gotiek dateert men rond 1300-1400 (6).

 Het koor van een travee met drievlakkige sluiting, de zijkapellen, het transept en de noorder-zijbeuk werden in 1906-07 NEOGOTISCH gebouwd door architekt Math. Christiaens van Tongeren (8). Van het oude koor hebben we geen afbeelding, wel een plattegrond (kadaster). Het koor sloot direkt aan bij het huidige schip, en was 7 meter lang. De zuider-zijbeuk is in BAROK metselwerk, baksteen met mergelstenen vak-indeling; de vensters werden echter bij de ingreep van 1906-07 neogotisch omgewerkt.

 Koor, transept en middenschip zitten nu onder een gemeenschappelijke KAP, de zijbeuken hebben een eigen lessenaardak. Van op de zolder van het middenschip zijn de aanzetten van het vroegere, hogere, plaasteren gewelf zichtbaar. Het huidige stucgewelf heeft een alliantiewapen Hans-Willem v. Kerkem (+1710) en Barbara van Gulpen (+1735); zij waren heren van Berne (Berneau) en tienden-heffers in Moelingen (2, 3). De ROKOKO-versiering moet later zijn aangebracht dan de heraldiek; stucgewelven van de zijschepen: N: Ten-Hemel- Opneming van Maria met twee engelkopjes; Z: ongedefiniëerd wapen en monogrammen van de O.L.V. en Sint Jozef.

 

GESCHIEDENIS. In Moelingen wordt een pastoor vermeld in 1178

(1), binnen de bouwperiode van de toren dus.

KERKGEMEENSCHAP. De kerk is gewijd aan O.-L.-V.-Ten-Hemel- Opneming; Sint Rochus is de 2e patroon. Voor velen is deze kerk een centrum voor hun religiositeit; het wordt tevens in sociaal opzicht als het centrum van het dorp ervaren; een waaier van verenigingen is in verschillende mate kerkgebon- den. De parochie wordt, lijk 's-Gravenvoeren, bediend door pastoor Stienaars. Uurregeling van de missen: VVV.

 

MEUBELS en BEELDEN

De eiken biechtstoelen zijn 18e eeuws, rokokko; de eiken credenstafel uit de 2e helft van de 18e eeuw. Het blad van dit tafeltje is jonger (5).
De hardstenen doopvont is een herbruikt deel van een bouwwerk en stamt uit de 17e eeuw (5).
In het kerkportaal Kruisbeeld met korpus uit de 16e e.? (5)
In de sakristie een gepolychromeerd houten beeld van O.-L.- Vrouw, uit de 19e eeuw. De kerk bezit een gekleed O.L.- Vrouwebeeld, dat jaarlijks meegedragen wordt in de processie. Bij dit beeld horen er kronen, een wereldbol en een skepter.
Orgel uit de 2e helft van de 19e eeuw (5).
In de sakristie twee fragmenten van glasramen (3): a) 1575, alliantiewapen Vlodrop - Bylant (gedeeltelijk onjuist!), voor Catharina v. Vlodrop geb. v. Bylant en haar zoon Wil(lem), heer van o.a. Rijkholt en van 1/3 van de tienden in Moelingen, (letterlijk) strijdend protestant (7); b) 1715, alliantiewapen van Baron Arnoldus Balthazar de Rykel, heer van Moelingen en Elven, en echtgenote Barones Johanna Philippina d'Oestrum (zie ook rouwkas).
In de vloer liggen er onder de vloerbekleding drie GRAFSTENEN (17e en 18e eeuw); rechts vòòr in de kerk een moderne marmeren gedenkplaat met wapen Janssen. Een ROUWKAS (de Rijckel, 1728, 3) is al sinds enkele decennia verdwenen.
Op het KERKHOF is slechts één, onbeschreven, oud stenen grafkruis bewaard gebleven; tot vòòr enkele jaren was er nog een 18e eeuws aanwezig.

--------

(1) Cartulaire St. Paul, BSAHL tome 1, p. 168; (2) Simenon G. 1939, Visitationes; (3) Belonje J. 1961, Gedenkwaardigheden; (4) Timmers J.J.M. 1971, Kunst Maasland I (5); Geukens 1975 Fotorepertorium; (6) Timmers J.J.M. 1980, Kunst Maasland II. (7) De Hervorming in Limburg, een Voerens commentaar bij een tentoonstelling 1985, p. 14-15; (8) Oude Land van Loon 1985. Tekst: Heemkring Voeren e.o, mmv. Toine Timmers. 1991.

 

+ +

De kerk van 's GRAVENVOEREN 

+ +

LIGGING. De kerk is vrij juist geografisch georiënteerd. Haar inplanting wijkt opvallend af van die van de omgevende straten en huizen. Tot in de dertiger jaren had ze nog haar kerkhof: tussen dit en de huizenrij (met huidig VVV-kantoor) bleef er slechts een weg van 5 m breedte over. Het dorpsplein, 'D'r Plei', strekte zich slechts uit van aan het koor tot aan de brug over de Voer bij het Jezuietenhof. 

Voorstaande TOREN van één geleding uit arduin en drie ver-dere geledingen uit mergelsteen, gescheiden door kordons; achtkantige, ingesnoerde SPITS. Bakstenen pseudo-basiliek (1782-1786: 5) met SCHIP van 5 traveeën. KOOR van 2 travee-ën en een drievlakkige sluiting. Koor en schip zitten onder een gemeenschappelijk KAP. INTERIEUR: houten tongewelf.

 GESCHIEDENIS. In 1083 schenkt de graaf van Luxemburg de kerk van 'Furen' aan het Benediktijner Munster van die stad (5). In 1262 wordt de pastoor van 's-Gravenvoeren vermeld, meteen de oudste ons bekende tekst waarin dit dorp met zijn volle naam wordt genoemd (2).

 Het is normaal dat er pas een onder-scheid gemaakt wordt tussen 's-Gravenvoeren en de andere Voerens, als Voeren werkelijk uit meer dan één deel bestaat; Sint Pieter en Sint Marten worden pas in 1254 vermeld. Uit 's-Gravenvoeren ontstonden aan de parochies Mheer, Noorbeek, Weerst (Warsage) en Aubel (3). In 1616 verkoopt het Munster zijn Voerense rechten aan de Jezuieten van Maastricht (5).

 BOUWGESCHIEDENIS. Het huidige kerkgebouw bewaart geen zichtbare sporen van een zeer oude kerk. De romaans aandoende bogenfriezen van de toren zullen niet ouder zijn dan de gotische konsooltjes waar ze op rusten; ze zijn het produkt van architekturaal konservatisme (4). Dat er van een oudere kerk niets is overgebleven ligt daaraan, dat er geld genoeg was om tot venieuwing over te gaan. De torenspits werd ca. 1600 gerestaureerd (5). Het huidige kerkschip met koor is gebouwd door de Antwerpse bankier J. B. Cogels, die de Jezuieten was opgevolgd nadat hun orde in 1773 was opgeheven. De bakstenen werden ter plekke gebakken, en de kerkdiensten vonden plaats in de tegenoverliggende hoeve 'de Posthoren' (gevelsteen 'CORNET 1777') (7).

 KERKGEMEENSCHAP. St. Lambertus-kerk; traditionele devotie tot Sinte Barbara. De kerk is een centrum van religiositeit en wordt tevens in sociaal opzicht het centrum van het dorp ervaren, dat ook de buurtschappen Schoppem, (Alten)Broek e. a. omvat; van de kerk gaat de jaarlijkse processie uit; meerdere verenigingen zijn in verschillende mate kerk-gebonden. De parochie behoort tot het bisdom Hasselt (1967) en tot het dekanaat Voeren; ze wordt, zoals die van Moelingen, bediend door pastoor Stienaars. Uurregeling van de missen: VVV. Barok HOOFDALTAAR, laat-18e e.(5), met Calvarie-schilderij en, in de altaartafel, een marmeren "Laatste Avondmaal". Twee engelen staan op wacht, soldaten van de nieuwe strij-dende kerk van de Contra-Reformatie. De gepoly-chromeerde houten Madonna in het N-ZIJALTAAR (1e kwart 18e e.: 4), met invloed van de Luikse beeldhouwer Jean Delcour, is enkele tientallen jaren ouder dan het altaar. 18e eeuws Z-zijaltaar met altaartafel 'het huwelijk van Maria en Jozef'. De 3 al-taren zijn afkomstig van de St. Madeleine-kerk te Luik (6).

 MEUBELS. Biechtstoelen uit de 17e e. De bewaarde delen van de kommuniebank, met biechtstoelen voor hardhorigen, zijn laat- 18e eeuws evenals de eiken kerkbanken (5). De weelde-rige preekstoel (4e kwart 18e e.: 4) komt ook uit St. Made-leine te Luik (6); hij toont in reliëf bustes van de vier evangelisten. Op het klankbord met een duif (H. Geest) en een beeld van de Aartsengel Michaël die de Duivel vertrapt.

 Neogotische DOOPVONT met als voetstuk (13e e.: 4), een maasgotisch kapiteel. De smeedijzeren kroon erboven (4e kwartaal 18e e.?: 4) zou een geschenk zijn van de parochies Noorbeek en Mheer nadat ze zelfstandig waren geworden (6). Een biezonder 18e eeuws wijwatervat is te zien links achter in de kerk, aan een van laatste kerkbanken.

 De BEELDEN van de HH Lambertus, Servatius, Antonius van Padua (1651), O.L.Vrouw (1707) en Barbara (1720) komen vermoedelijk nog uit de oude kerk (1, 6).

 Een beeld van de H. Rochus uit 1628 "opgericht ter oorzake van de peste", is sinds ca. 1965 spoorloos (6). Krucifiksen uit de 16e en de 17e e., één boven het koor, één rechts achter in de kerk.

 De 14 grote kleurVENSTERS (1906-1908) mèt het schilderij van het hoofdaltaar stellen de 15 mysteries van de H. Rozenkrans voor. De vensters werden geschonken door notabelen uit die tijd. Wapen de Schiervel van Altenbroek (twee klaverbladen)

 ORGEL (Peerboom & Leyser, Maastricht, 1875), vervangt een instrument dat uit klooster Hoogcruts kwam (1803: 6).

Oude stenen GRAFKRUISEN (17e en 18e e). Een drietal fragmen- ten van GRAFPLATEN die her en der in het dorp voorkomen zul- len wel uit de kerkvloer afkomstig zijn. PASTORIE met chro- nogram 'LaUs sUperIs Cerno DeViCtIs hostIbUs orbeM (1774): 'Ik ontwaar godzijdank een wereld waar de vijanden verslagen zijn' (zinspeling op de pas opgeheven Jezuietenorde?)

--------------------

(1) Parochieregister 1824; (2) Ernst, S.P. 1847. Histoire Limbourg VI p. 259; (3) Simenon G. 1939, Visitationes; (4) Timmers J.J.M. 1971. Kunst Maasland I, p. 161; (5) Geukens B. 1975. Fotorepertorium; (6) Brouwers Rob. Voeren Aktueel 1986 nr. 4 en pers. mededeling; (7) Leersen J.TH. 1989 Notitieboek pastoor d'Affnay.

 
EEN TENTOONSTELLING OVER ONZE EIGEN LAATSTE "ESKIMO'S". 

Voor informatie kunt u terecht bij: J. Nijssen, Veurzerveld 28a, B-3790-Sint-Martensvoeren tel. (041) 81.03.11

 Van 13 juli tot 18 augustus zal in de Provinciale School in Voeren de tentoonstelling "Rendierjagers, prehistorische tentenkampen nabij de Maas" te bewonderen zijn. Deze tentoonstelling is een realisatie van het Provinciaal Gallo- Romeins Museum van Tongeren. De Provinciale Scholen Voeren en de Heemkring Voeren en omstreken verleende hun medewerking en werden ondersteund door de Gewestelijke VVV Voerstreek, de "Gidsenkursus Voeren", het Kultureel Centrum van de Vlaamse Gemeenschap "het Veltmanshuis", Voeren en de Gemeentelijke Kultuurraad Voeren.

 De tentoonstelling is gewijd aan de Magdaleniaan-mensen en wil vooral de levenswijze van deze vroege bewoners van onze streken voor de geest roepen, veeleer dan een technische uitstraling van de gevonden voorwerpen te presenteren. Heel bijzonder is natuurlijk dat deze tentoonstelling onder meer handelt over mensen die ca. 12.000 (!) jaar geleden in MESCH de lokale vuursteen de "Stenen Berg" opdroegen om hem daar te bewerken, en meteen van daaruit de tocht van de rendieren te observeren. De aanleiding tot de inrichting van deze tentoonstelling in Voeren ligt dan ook in de veronderstelling dat de rendierjagers die ooit Mesch bezochten, waarschijnlijk ook wel eens voet op Voerense grond hebben gezet.

 Wij nodigen u dan ook uit om, eventueel samen met uw kinderen, uw eigen laatste "eskimo' " te komen bekijken. Als versteend zitten zij in ieder geval elke zaterdag- en zondagmiddag van 14.00 u. tot 18.00 u. en tussen de bovengenoemde data te wachten om ons te tonen wat vakmensen in onze tijd over hen aan de weet zijn gekomen. De toegangsprijs bedraagt 30 fr. of f1,50. Kinderen onder de 12 jaar kunnen gratis binnen. Voor groepen gelden speciale tarieven en zijn ook andere openingstijden mogelijk. Gidsen kunnen een rondleiding verzorgen. Hiervoor kunt U kontakt opnemen met het VVV de Voerstreek (tel. 041/81.07.36).

 

HET KLIMAAT VOOR EN NA EN TEN TIJDE VAN HET MAGDALENIEN. 

Verschillende keren werd het in Europa zo koud dat er zich in de bergstreken grote ijskappen konden vormen. Deze ijstijden werden afgewisseld door perioden met een warmer klimaat, vergelijkbaar met het huidige of zelfs nog milder, zodat het ijs weer grotendeels smolt. Voor onze streek is het pleistoceen een zeer belangrijk tijdperk geweest. In de voorafgaande miljoenen jaren waren de fundamenten van het gebied gelegd, in het pleistoceen echter kreeg het landschap zijn huidige vorm. Toen werden de dalen gevormd door de uitschurende werking van het smeltwater. (1) Toen het klimaat, ca. 12.000 jaar geleden gunstiger werd, week de toendra voor schaarse berken, naalbomen en wilgen. In dit landschap zwierven de mensen van het Magdaleniaan-volk rond.

 

HET KWARTAIR.

geologische tijdschaal. (2) De Magdaleniaan-mensen of de rendierjagers.

 De aanwezigheid van de rendierjagers in Noord-oost België en Zuid-Nederland moet gesitueerd worden tussen 13.000 en 10.000 voor Christus. Exacte gegevens hebben we hierover niet door het ontbreken van dateerbare resten (houtskool of ander organisch materiaal). In die periode was het in onze streken nog koud, alhoewel we toen aan het begin stonden van de geleidelijke klimaatsverbeteringen. De rendierjagers hadden veel meer met ons gemeen dan de Neanderthalers, die daarvoor deze streek bewoonden. Ze leefden in een open landschap waarbij we onze streken moeten voorstellen als een arctisch gebied met hier en daar wat berken, vaak dwergberken en dennen. De fauna bestond vooral uit rendier- en paardenkudden waarop dan ook druk jacht werd gemaakt. Deze dieren konden voorzien in heel wat voedselbehoeften van de mens en leverden hem ook andere grondstoffen als hoorn, been, huiden en pezen. Verder kon de mens ook gebruik maken van kruiden en wortels. De rendierjagers kwamen oorspronkelijk uit Frankrijk, waar ze de meest verfijnde prehistorische kunst voortbrachten. Al snel gingen ze ook het Duitse Rijnland bewonen, van waaruit ze ook soms onze streken bezochten, op zoek naar goede vuursteen. We mogen onze streken - tenminste in de huidige stand van het onderzoek - dus zeker niet zien als een permanent bewoond gebied, maar eerder als een streek waar men regelmatig naar toe trok om aan goede grondstoffen te geraken. Dat ondertussen ook aan jacht werd gedaan moge duidelijk zijn.

 Hoewel onze streken slechts een randgebied waren, zijn de vondsten daarom niet minder sprekend: al de opgegraven sites leverden meerdere duizenden vuurstenen voorwerpen op. De tot nog toe opgegraven sites liggen steeds op een plateau met goed uitzicht op de omgeving - de jacht op rendieren zal hier zeker van belang zijn geweest - en meestal met goede vuursteen in de onmiddellijke nabijheid.

 

INDELING VAN DE STEENTIJD IN Z.-LIMBURG EN OMGEVING.

(3)

 Over de jacht hebben we weinig direkte gegevens door het ontbreken van organisch materiaaal. Waarschijnlijk maakte men gebruik van spreekdrijvers zoals vele "primitieve" volkeren dit heden ten dage nog doen. Kunstuitingen kennen we evenmin in onze streken, doch we mogen veronderstellen dat organisch materiaal hiervoor soms gebruikt werd. Vuursteen uit onze streken werd terug gevonden in het Duitse Rijnland: misschien namen de rendierjagers het zelf mee naar deze gebieden, maar misschien werd deze grondstof ook verhandeld zoals dat ongetwijfeld het geval was met vele schelpensoorten. Wanneer de laatste rendierjagers hier verbleven is voorlopig nog niet duidelijk. Rond 10.000 voor Christus lijken ze van het toneel verdwenen: het klimaat werd milder en de begroeiing weelderiger, waardoor de rendieren waarvan ze zo afhankelijk waren geleidelijk aan naar het noorden trokken. De tijd was nu rijp voor een permanente bewoning van onze gebieden door mensen die zich wel aan het gewijzigde milieu hadden weten aan te passen.
(Overgenomen uit de katalogus van de tentoonstelling "Rendierjagers, prehistorische tentenkampen nabij de Maas". p. 9)

 

VUURSTEENBEWERKING TEN TIJDE VAN DE RENDIERJAGERS. 

Tijdens het midden-paleolithicum werd vooral gewerkt op basis van afslagen. Na bewerking werd de vuursteenklomp het werktuig. Vuistbijlen van onze Neadertalermens zijn hiervan een bekend voorbeeld. Tijdens het jong- of boven-paleolithicum ontwikkelde zich echter de kling-techniek. De rendierjagers maakten dus hun werktuigen van speciale stukjes vuursteen, de klingen, die ze van de vuursteenklomp afsloegen. (4) Deze klingen zijn minimaal dubbel zo lang als breed en hebben dus min of meer de vorm van een mes. Voor het aanmaken van de Magdaleniaan-klingen had de prehistorische mens goede vuursteen nodig, een reden waarom hij in onze streken doordrong. Bij de klingtechniek vertrekt men vanuit de vuursteenknol die meestal met een klopper uit rendiergewei van de ruwe buitenkant wordt ontdaan ("ontschorst"). Op de ruwe vuursteenkern wordt na enkele elementaire voorbewerkingen een schuin, plat vlak aangebracht, het slagvlak. Dit vlak wordt verder nog voorbereid door kleine afslagjes. Daarna worden er meestal met een tussenstuk uit gewei, klingen van de kern afgeslagen. De Magdaleniaan-klingen konden een lengte van wel 20 cm hebben. Tenslotte kunnen er dan "retouches", dit zijn in feite kleine miniem afslagjes, aangebracht worden om er een werktuig van te maken. Zo kennen we de eindschrabbers voor het schrapen van huiden, boren om gaatjes in huiden te boren voor het maken van kledij en stekers voor beenbewerking of om te graveren. Er zijn aanduidingen dat een aantal klingwerktuigen op een houten steel werden bevestigd, wat hun bruikbaarheid zeker vergrootte. (5)

 Hoe de prehistorische mens zijn werktuigen precies maakte zal op zondag 14 juli van 14 tot 15 uur door J. Janssens gedemonstreerd worden.

 

BRONNEN.
1. Ontdek het Mergelland. Eindredaktie P.J. van Nieuwenhoven. Een uitgave van het I.V.N. in samenwerking met de VARA. p. 40-41.
2. idem, p. 40.
3. idem, p. 162.
4. Rendieren gesignaleerd langs Voer en Jeker, J. Nijssen in: Voersprokkels, zomer 1991.
5. Overgenomen uit de katalogus "Rendierjagers, prehistorische tentenkampen nabij de Maas", J. Creemers en J. Janssens, p. 23. 

Foto Moelingen hondskarren: reproduktie van een foto uit ca. 1895 gemaakt door de amateur- fotograaf Barbay. De foto werd genomen ter gelegenheid van de september- kermis in Moelingen. Toen was het een traditie om een 30- tal honkskarren met de daarbij behorende hond te versieren en daarmee een rondgang door het dorp te maken. Na 1914 (WO 1) werd dit niet meer gedaan 

===

 'T VREUGJAOR

 't Is oethòòt, 't is vreugjaor, 't is lente
Um is d'r weenter mit al z'n ellende
Tòch how d'r weenter òch ziene sjoene kaant
Zoe èè sjnieëlaandsjap in òs Limburgs laand
En mit 'ne iespegel an eder tekske
Haad 't hie òch minnig sjoen plekske. 

't Werdt oethòòt zagge vreuger de owwer luuj
Dat waoërd versjteunt ze noe neet mie, de jeugd van huuj
't Hòòt van d'r litste sjtòk is alwer gefagkt
Da werre de wieje hieël good sjoen gemakt
En es ze dat sjoen gemaks verbranne geunt
Ruukt dat zoe lekker es wen-t-ze vlaai an 't bakke zeunt. 

't Werdt vreugjaor, 's mórgens huur-s-te de väöegelkes wer zinge
Hie en dao ziet me in de wèjje al e lemke sjpringe
Tósje de brieëme ziet me òch e viuulke sjtaoë
De kettekes in d'r graaf beginne òch al òp te gaoë
Me deenkt, es me die dinge allemaol ziet
Goddaank, d'r weenter zeunt v'r noe wer kwiet. 

't Is lente, sleutelbloem en madeliefje gaan weer bloeien
Zelfs 't kleinste plantje begint opnieuw te groeien
Vogels, groot en klein gaan hun nestje weer bouwen
Overal zie je ze met takjes sjouwen
Ook de mens voelt de lente in zijn bloed
We beginnen het leven weer met nieuwe moed. 

Servé Gubbels (Noorbeek)

 PUBLIKATIES

 De oudste stenen grafkruizen van het Maasland, door onze voorzitter Jaak Nijssen, in Liber Amicorum Prof. Dr. Jozef van Haver. 1991, blz. 263.

Het kruis aan het "Kattebreukske", door ons medelid Léon Olislagers, in Grueles, jrg. 11 nr. 2, blz. 109.

Het "dialekten"-boek "Kroesels op de bozzem". Het boek dat uitgegeven werd bij gelegenheid van de Nederlandse dialektendag op 16 maart j.l. in Den Bosch. De uiteenzettingen die tijdens deze dag, door o.m. de Gentse hoogleraar J. Taeldeman, zijn gehouden, zijn in dit boek opgenomen. 

In "De Standaard" van 18 maart 1991 werd aan de lezing van Taeldeman ruim aandacht besteed. Hij beweert dat de teloorgang van het "dialekt" in Vlaanderen duidelijk samenhangt met de opgang van de Standaardtaal. Volgens hem heeft men de Standaardtaal gepropageerd ten koste van, in plaats van naast het "dialekt", terwijl het eigenlijk twee kodes zijn die (beide?), afhankelijk van de situatie, kunnen en perfekt aanvaardbaar zijn.

 Waarom de organisatoren van de "dialekten"-dag en bijvoorbeeld de "dialektoloog" Taeldeman nog steeds het begrip "dialekt" gebruiken, blijft mij een raadsel. Een "dialekt" is een taal die verschilt (afwijkt) van de landstaal (de norm), staat in de Van Dale. Het Limburgs wordt dus door het gebruik van het begrip "dialekt" gedefinieerd als: afwijkend van de norm, de Standaardtaal. Alle zoogdieren die géén paard (de norm) zijn zou men in deze redenering een "niet-paard" (afwijkend) moeten noemen. Het Limburgs is echter een taal die zelfstandig gegroeid is uit vroeger talen, net als die Standaardtaal. Ik zou dan ook kiezen voor de term "streektalen" als men alle talen van een land, behalve de Standaardtaal in één begrip wil vatten.

Beide talen, de Standaardtaal en het Limburgs bijvoorbeeld

zijn voortgekomen uit een gemeenschappelijke grondtaal en kunnen in die zin allebei een West-germaans dialekt genoemd worden. Met deze laatste betekenis van de term dialekt kan ik wel akkoord gaan.

 Verder vindt men in dit boek de per regio samengestelde "dialektwoorden-top-tien.

 U kunt dit boek aanschaffen door overmaking van 550 Bfr. (incl. verzendkosten) op CERA-banknummer 730-1402526-96 (t.n.v. A. Dams) ook met de vermelding "Kroesels".of door overmaking van f27,50 op Rabobanknummer 1557.33.303 te Waalre (gironummer bank: 1093179) onder vermelding van "Kroesels".

 De Voerstreek. Een zomer lang zwerven en tekenen in de Voerstreek, door Roelof Warrink. Van Spijk Antwerpen 1991.

Plaatsnamen Sint-Martensvoeren, door Jaak Nijssen. Overdruk uit HEEM, tweemaandelijks tijdschrift voor Overmaas. (1959- 1961)

 Bep Mergelsberg.

 

====

 MET DANK AAN :

 TOTENBERG kantoormachinebedrijf (Maastricht) voor het gratis ter beschikking stellen van 3 printerlinten.

D'r Koeënwòòf nr 06 (1992/1)

INHOUD: 

Thema-nummer: KEENDERLEEDSJES, -VERSJES EN -SJPèLDER

 

(bij sommige liedjes (LS) is de muziek weergeven)

Voor de afkortingen, zie einde van de tekst (BM)

 
Koekepieëp!

 In het Nederlands gebruikt men het woord "kiekeboe" bij dit

"verdwijn en kom weer te voorschijn - spelletje".

 

(RB)

 

Hand- of voetspelletje.

 

Ich gieëf dich enne patacon (raak duim of dikke teen aan)

noe gaiëste nao genne Maiërt (raak wijsvinger aan enz.)

dao gilste dich 'en kooë

e bietsje lieëver vur der kromme wieëver

e bietsje pains vur der dovve Frains

Kielewielewains (kriebelen in hand of onder voet)

 

(LS)

 

Ich gèèf dich 'nen daalder (doe alsof je iets in hand drukt)

gaank nao d'r maert

gel dich e keuke

gel dich e kejfke

gel dich e penske

kiele-wiele-wenske (in hand kriebelen)

 

 

(BM)

 

Dale (raak duim of dikke teen aan)

Male (de wijsvinger enz.)

Keuke

Waensjke

Paensjke

Kielewielewaensjke (kriebelen in hand of onder voet)

 

Het versje zoals BM dat kent is duidelijk een vereenvoudigde

versie van het vers van LS.

 

(RB, LS en BM)

 

Versje met handspelletje.

Twee of meer personen stapelen de vuisten op elkaar. Bij elke

lettergreep van het versje moet de onderste vuist bovenaan

worden geplaatst. Degene die bij "knòl" zijn vuist moet

verplaatsen kan, als de andere hun vuisten niet snel genoeg

wegtrekken, een klap geven op de vuisten.

 

Upke, dùpke reubesùpke

Upke, dùpke knòl!

(BM)

 

Kringspelletje. De kinderen die meespelen geven elkaar een

hand en maken een kring. Ze zingen daarbij het liedje en lopen

op de maat. Bij "baeae..." gaat iedereen op de hurken zitten.

 

Ringele ringele roeëze

Soeker in de doeëze

Mael in de kaste

Mùrge hùb v'r vaste

Aoëvermùrge lemke sjlachte

Dat zal rope baeae...

 

(RB)

 

Ringele, ringele roeëze

Soeker ie gen doeëze

Soeker ie gen kaste

meurge es 'et vaste

uuvermeurge lemke sjlachte

lemke dat zait: baih!

 

(LS)

 

Reengele reengele roeze (enigszins zangerig)

soeker in de doeze

soeker in de tasse

murge mot v'r wasse

euvermurge lemke sjlachte

(dat zaet) bae

 

(RB)

 

Armspelletje. Twee kinderen geven elkaar gekruisd een hand en

maken een "zaag-beweging" terwijl ze het volgende versje

twee-tonig opzeggen.

 

Hooët zaige, panne vaige (ook: kanne vaige)

kloompe make dat ze krake (ook: tot ze krake)

doeër, en doeër en doeër....

 

(BM)

 

Hòòt zaege

Panne vaege

Kloompe make

Dat ze krake

 

(LS)

 

Hòòt zaege

kanne vaege

kloompe make

dat ze krake

 

(krake ze neet

dan dòge ze neet)

 

Pieterke Pieterke poep in 't lake.

 

De informant van LS is niet helemaal zeker of de beide regels

die tussen de haakjes staan bij dit vers horen.

 

(BM)

 

Een van de kinderen zoekt iets in een ruimte uit en neemt dat

in zijn gedachten en zegt: "'ch zeen wa-s-doe neet zies". De

anderen moeten proberen te raden wat dat is en mogen vragen

stellen waar alleen met "ja" of "nee" op geantwoord mag

worden.

 

(RB)

 

Een volwassene neemt een kind op de schoot en hobbelt het op

en neer. Bij "naas" laat men het kind tussen de benen naar

achteren vallen terwijl men het met beide handen vasthoudt.

 

Hotten totten tuuële

vrieje a gen muuële

vrieje a genne Roeje buusj

dao zaot enne dieke vette vrusj

'et waor genne vrusj, 'et waor enne haas

dai sjieët 'et kinneke op gen naas

 

(BM)

 

Van hòttentòtten taoële

V'r rieje òp e vaoële

V'r rieje nao d'r roeëje bùùsj

Dao zoot 'ne dieke kwakvrùùsj

Vrùùsj, vrùùsj, haas

en e sjaeët 't kinneke òp de naas.

 

 

(BM)

 

Een kindervers zonder spel.

 

Marie-Katrien

Oe gèès-te hee (ook: e-ba)

Nao Wale

Wat dèès-te dao

't Keend is kraank

Wat hat 't dan

'n hoemel in g'n vòt.

 

(RB)

 

Eng twie driej veer vief zes zieëve

oe bestoe zoelang geblieëve

met m'n leefste a gen airem

sjoef, sjoef, sjoef

wat waor dat wairem

 

Eng twie driej veer vief zes zieëve

oe bestoe zoelang geblieëve

ien Tebannet a gen muuéle

dao ken ver jao zoe heerlek sjpuuële

 

Eng twie driej veer vief zes zieëve

oe bestoe zoelang geblieëve

ie gen Vitsje met m'n vrun

oe de sjoeënste maidsjes sun

 

(LS)

 

Eèn twie dri-j veer vi-jf zès zève

oe bès doe zoe lang geblève

in Berlien, in Berlien

oe di-j sjoenste maedsjes zien

 

 

(RB)

 

Och Annemarieke de boeëne seunt op

Och Annemarieke de boeëne seunt op

 

seunt da de boeëne op

ieëte vier aertesop

heijaja, hoepsasa, falderieka (2x)

 

Och Annemariek' de hoezare seunt weg

Och Annemariek' de hoezare seunt weg

 

seunt de hoezare weg

liekt mie joonk lieëve leg

heijaja, hoepsasa, falderieka (2x)

 

(RB)

 

Hoep Marjanneke

poep Marjanneke

leeët z'n püpkes daanse

'et haat enne maan

enne brave maan enne maan va komplesaante

dai kairt 't hoeës

dai sjroept 't hoeës

en leet Marjanneke daanse

 

of

 

en brüjt de essje gen veenster oet

 

(LS)

 

Ich hub 'ne man

'ne goje man

'ne man zoonder (mèt ?) komplesaante

e dèèd de wesj

e kaert 't hoes

en e goejt d'r drek

de veenster oet

 

 

(LS)

 

Hoep Merjanneke

poep Merjanneke

leet de puupkes daanse

op de hobbele sjaanse

 

Deze versie komt niet overeen met de melodie van het lied. De

onderstaande wel.

 

(LS)

 

Hoep Merjanneke poep Merjanneke

leet de puupkes daanse

Hoep Merjanneke poep Merjanneke

leet de puupkes gòòn

 

(RB)

 

(stuk uit "De wil vesper")

 

Gloria Patri Filio et Spiritu sjeenkebèè

muërge koeëme alle begienge biejèè

ver gieëve hun enne knoeëk oe gai vlèèsj an'es

da mienge ze dat 'et der duuvel is

 

(LS)

 

Is mie wief neet zoe good as die wief

Ze klauwde samen in d'r bùsj 't bessemeries

 

(RB)

 

Bimbam beijere

de klokke va Klapeijere

sjlogen enne maan doeëd

datte doer gen kairek vloeëg

wai zal 'em bezairke

twee vette vairke

wai zal 'em beluuje

d'r küster va Sen Truuje

wai zal 'em begrave

de krues en de rave

 

of

twieë zjwarte rave.

 

(LS)

 

(zangerig)

 

Bim bam bejjere

d'r kuster lùs (iet) g'n ejjere

wat lùs (iet) 'r dan

sjpek in de pan

wat 'ne lekkere kuster dan

 

(RB)

 

Sjlaop kinneke, sjlaop

achter gen duir do liekt e sjaop

en dat sjaop dat haat enne witte poeët

en dat zaiët dat 't kinneke sjlaope mot

sjlaop kinneke , sjlaop

 

(LS)

 

Slaop kinneke sjlaop

die vader heujt de (is e ) sjaop

d'r mòder heujt de (is 'n) boonte koo(w)

kinneke dog d'n îjskes toow

 

(RB)

 

Nienana kinneke

sjlaope in die betteke

este neeët wils sjwieëge

how ich dich op die vutteke

 

(RB)

 

'et riengelt

'et ziengelt

de panne vallen aaf

dao koeëme twieë boerinnekes

die loape (n) op en aaf

 

 

ook:

'et riengelt

'et ziengelt

de panne jare naat

dao koeëme twieë boerinnekes

en eng dat es mie paat

 

(LS)

 

't Rèèngent 't zèèngent

de panne wèùre naat

dao kaome twie begiene (twie soldÑîtsjes)

di-j veelte op hun gaat (zagte wat is dat)

 

(RB)

 

Roebedoebedoeb

miene maan is koeëme

roebedoebedoeb

wat hatte braach

roebedoebedoeb

enne koffiespot

roebedoebedoeb

ennen deksel drop

 

(RB)

 

Rieraroetsj

ver vare met enne koetsj (ook: ie gen koetsj)

ver vare op enne iezere wieëg (ook: ie genne riengewagel)

rieraroetsj

 

(LS)

 

Vie va roetsj

v'r vare in 'ne koetsj

v'r vare in (op) 'ne iezerewagen

vie va roetsj

 

(RB)

 

Iesabelle batse (ook wel 'ns: Bellebellebatse)

vur vief cent klatse

vur vief cent broeëd

denne maan es doeëd (ook wel 'ns: de mem es doeëd)

 

 

ook:

Iesebelle batse

vur vief cent klatse

vur vief cent sjpek

Iesebel es gek

 

(LS)

 

Isabelle batse

vèùr vief sent klatse

vèùr vief sent broed

Isabel is doed

 

(RB)

 

Sjang prang wievergek

doe huws den vrow met der bessemesjtek

der bessemesjtek blaif sjtieëke

en de vrow begoeës te kieëke

 

(RB)

 

Dit lied werd gezongen door kinderen die verkleed als de

driekoningen op deze feestdag van deur tot deur gingen.

 

Driejkuuninge, Driejkuuninge

gieëf mich enne noewe(n) hooëd

m'n owwe(n) is versjlieëte

en m'n noewwe vuils te groeët

 

(RB)

 

Eng twieë driej

me zeuster haisjt Mariej

en esset neeët Mariej 'en haisjt

da haisj'et diekke priej

 

(RB)

 

Mariej diekke priej

how en hommel ie gen ziej

ich how ze huure roonke

ich sjneij de priej de poete(n) aaf

doe leeëp ze op hîr sjtoompe

 

(LS)

 

Mariej dieke priej

haet 'n hòmmel in de ziej

 

 

(RB)

 

Begieng Trieng zoaët op en tieng

met zieëve sjoeëtele pap

ich vroog mich èng

ich kraig gèng

ich sjnabde mich èng

doe how ich èng

ofwel:

Trieng de begieng

zoat op gen trap

met zieëve sjoeëtele pap

ich vroog mich èng

ich kraig gèng

ich sjnabde mich èng

doe how ich èng

 

(BM)

 

Dit vers werd opgezegd als men iemand een hand gaf en zalig

nieuwjaar wenste.

 

Gelùkzèlleg nuujjaor

'ne maan mèt gries haor

e wief mit ohne teng

en 'n waffel i g'n heng

 

(LS)

 

Zalig nùjjaor

d'r kòp vòl haor

d'r moond vol tan

'n waffel in de han

 

(BM)

 

In d'r aerm

is 't waerm

maan en vròw

piepe in de sjow

 

(BM)

 

Jònge, jònge es d'r Laambaer keumt

en e ziet dat vaeër an de miemele zeunt.....

 

(LS)

 

Jònnge jònge jònge as d'r Laambaer keump

en dae zuut dat vèèr aan de wiemele zeunt

Jònge jònge jònge as d'r Laambaer keump

en dae.....(?)

 

(BM)

 

Een volwassene legt een kind op zijn schouder, houdt de benen

vast en zegt daarbij het volgend vers.

 

Hakkelepak

broeëd i g'n nak

mets i g'n ziej

ow verkierde priej

 

(LS)

 

Mèèster Lepkes, hub d'r hieringe

nèè, nèè, nèè, ze zunt verkòch

òònder de weenkelbaank dao lègke de kùpkes

dae ze lùs dae iet ze op

 

(LS)

 

Bleenk 't neet

da sjteenk 't neet

da komme òòch de vri-jjers neet

 

(als het koper niet gepoetst is)

(LS)

 

V'r kaome bie 'ne man

dae os get gève kan

gèèf os get en laot 's gòòn

en laot os neet te lang ('n) sjtoon

v'r motte nog nao Mèrjanneke gòòn

de tròmme sjlòòn

 

(Werd met vastenavond gezongen. "Merjanneke" had een café in

Groot-Welsden)

 

Zelfde vers, in andere vorm.

 

Dao kaom 'ne man

'nen erme man

gèèf 'm get en laot-'m gòòn

laot 'm neet te lang-'n sjtòòn

de hemelpòòrt is opgedòòn

klip klap sjoonslap kuk-lekuu (gaan op de hurken zitten).

 

(LS)

 

Wolder.

 

V'r gunt nog neet nao hoes

nog lang(n) neet nog lange(n) neet

v'r gunt nog neet nao hoes want vader is neet toes

 

Boe is-r dan nao tow

nao Wolder nao Wolder

boe is -r dan nao tow

nao Wolder mèt z'n vrow

 

Wat is-r dao gòòn dòon

gò zoepe gò zoepe

wat is-r dao gòòn dòòn

gò zoepe mèt z'n vrow

 

Wat heet t'r dao gehad

zjenever zjenever

wat heet t'r dao gehad

zjenever mèt kònjak

 

Wat heet t'r dao gezeen

sjoen maedskes sjoen maedskes

wat heet t'r dao gezeen

sjoen maedskes van Mestreech

 

 

(BM)

 

Sènt Maeërte wat is 't kaod

Vreuger sjtokde v'r kaol en hòòt

gef òs nog e bùlke

ri-ra-rùlke

gef òs nog 'n paer of 'ne appel

loelalappel

kom d'r dit jaor good aoëver de brùgk

dan kom v'r 't gaans jaor neet mie trùk

 

Dit vers werd in het begin van de jaren zestig geschreven door

E. Wintjens, onderwijzer en later Hoofd van de Sint-Brigida

school van Noorbeek. Dit vers wordt vandaag de dag nog steeds

opgezegd door kinderen die op de feestdag van Sint Maarten

(11 november) 's avonds met een uitgeholde biet in de hand van

huis naar huis gaan voor snoep of fruit. Aan het eind van de

optocht wordt dit snoep en fruit verdeeld. De rondgang door

het dorp wordt tegenwoordig "Ri-ra-rùlke" genoemd, afgeleid

van een van de regels van het vers.

Volgens E. Wintjens werd dit gebruik in het begin van de jaren

zestig nog wel door sommigen in ere gehouden, maar omdat het

niet georganiseerd was dreigde het verloren te gaan. Vele

jaren heeft hij toen dit kinderfeest voor de schoolkinderen in

goede banen geleid. Later werd de organisatie overgenomen door

de jeugdvereniging "Pandores".

 

--------------

 Rob Brouwers (RB) ('s Gravenvoeren) leerde de liedjes/ versjes van zijn grootmoeder, Clementine Jongen (Voeren 1880-1974).

Lèj Schreurs (LS) (Margraten) noteerde liedjes die in Margraten bekend zijn. Zijn zegslieden zijn er wel niet zeker van dat ze zich de verzen nog precies kunnen herinneren zoals zij die vroeger gehoord hebben.

Bep Mergelsberg (BM) (Noorbeek-Sint-Martens-Voeren) leerde deze van haar moeder, Joséphine Spee (Montzen-Noorbeek,). Deze laatste leerde de liedjes/versjes weer van haar moeder, Barbara Gerekens (Noorbeek-Montzen). Deze spelletjes speelden wij (BM) enkel thuis en voor zover ik me juist herinner altijd binnen m.a.w. 's avonds of bij echt slecht weer. Op het schoolplein of in ons spel met kinderen uit de straat zongen of zegden we enkel Nederlandstalige liedjes of versjes bij spelletjes. Deze leerden we niet van de onderwijzers, behalve dan het vers ter gelegenheid van Sint-Maarten, maar van kinderen die ouder waren. Alhoewel het niet verboden was om op school of op straat Limburgse liedjes of versjes te zingen, werd dit "gewoon" niet gedaan. 

Bep Mergelsberg.

D'r Koeënwòòf nr 07 (1992/2)

INHOUD: 

BLOESEMWANDELING MET VOERENSE SAGEN MET LEGENDEN EN ANDERE VERTELSELKES (Rob Brouwers)................ (01- 10) 14- 23

ANTROPOLOGIE EN VOLKSKUNDE --- HANS VAN LAAR.................24

=====

p. 14 (01)

Bloesemwandeling 26 april 1992 met Voerense sagen, legenden en andere vertelselkes

1

Mennekesput: hier woonden tot voor kort de "auwelkes" of "aovermennekes", een soort kabouterkes. Ze kwamen alleen maar naar buiten wanneer het donker was om de mensen wel eens te helpen "hun flatte te spreie", hun ketels te schuren of hun koper te poetsen. Ook gebeurde het regelmatig dat zij "s nachts bij volle maan op een open plek in het bos gingen dansen en plezier maken. Ze woonden in holentjes. Als je in die holentjes of konijnspijpen durfde te kijken, dan bliezen ze u een oog of "het licht" uit ... . Kon je blind worden (1)

 

2

Wegkruis bij de stenen bank: tot hier kwam indertijd "der Vuurmaan va gen Wientsjeshei". Verder kon hij niet door dat kruis, daar was hij bang voor.

De Vuurmaan was een geest in een mensenlijf helemaal omringd met vuur. Hij was feitelijk een man die vòòr zijn dood een graf had geschonden. Niemand durfde met hem te praten, zeker niet op hem te fluiten, want in Margraten was hij ooit eens zo'n fluiter achterna gelopen. Gelukkig had die nog juist op tijd het poortje voor de neus van de vuurmaan kunnen dichtgooien. 's Anderendaags stond op het poortje "'en versjnëerkte haand oetgepreent". (een zwartgebrande hand in het poortje geprent). Een held was het die op de Vuurman durfde te roepen: "Moorduuëvel Hellebraand

Zoonder lip en zoonder taand

Kom oet hie ben ich!"

(2) (3)

 

 

3

Sint Annakapel. De meeste verhaaltjes zijn heel oud, sommige zelfs al vele eeuwen. Die verhaaltjes zijn voor een groot stuk blijven voorbestaan door overlevering, door vertellingen tijden de winteravonden bij de open haard of rond de kachel. Af en toe schreef eens iemand iets op zoals b.v. pastoor Daffnay rond 1720 of burgemeester Delvaux 100 jaar later.

De oudst bekende verhaaltjes zijn genoteerd door een zekere Walpot van Schophem, de rentmeester van het graafschap Dalhem, en wel rond 1642 zo'n 350 jaar geleden. Door hem kennen we bijvoorbeeld not

De legende rond het ontstaan van het Sint Annakapelke:

Walpot schreef het in dicht vorm: "Cleyne Ceuning guje man

Bracht et beeldje van Sintan" enz. (4)

Als men dat gedichtje vergelijkt met een fragment dat ik onlangs nog in St Pietersvoeren hoorde, dan komt men tot het volgend verhaaltje:

Tijdens een jachtpartij in een van zijn grote bossen kwam koning Pepijn de Korte (=die Cleyne Ceuning) vonende te Herstal, hier bij een molen op de Voer een mooi meisje tegen. De koning stapte af en vroeg haar iets te drinken. Ze heette Bertha. Pepijn werd verliefd op haar en vroeg toen of hij in de molen mocht blijven overnachten. Na een tijdje merkte Bertha dat ze in verwachting was. Koning Pepijn die na die nacht vaker in de buurt kwam jagen, liet toen tegen de heilige Voereboom (Boomstraat = de straat naar de Voereboom (5) een Sint Annabeeldje plaatsen (Sint Anna was de heilige die aanroepen werd voor een goede bevalling).

"Sinte Anna vol midelye sou Pepijnis frouw verblye. Des kreeg mood en hoep int hert, baarde Karl sonder schmert" m.a.w. zoveel maanden later beviel Bertha van een flinke jongen: Karel de Grote. Uit dankbaarheid liet Karel de Grote later toen hij op zijn beurt koning werd, hier een klein kapelke bouwen. (6)

Het oudste familiegoed van de voorvaderen van Karel de Grote lag rond 700-800 voor het grootste gedeelte tussen Herstal-Tongeren-Maastricht-Aken. De enige weg tussen Herstal en Aken liep via Visé-Voeren over Snauwenberg naar Gulpen en zo verder. Daarbij was Karel de Grote inderdaad een voorkind van koning Pepijn de Korte van Herstal met een zekere Brechte met wie hij later trouwde. Tenslotte was Voeren in die tijd een Karolingisch of koninklijk kroondomein én een nogal bekende plaats toen m.a.w. het is niet te veronderen dat de oudste sagen en legenden verbonden zijn met de oudste plaatsen (Mheer of Margraten b.v.: kennen die legende niet, want Mheer of Margraten bestonden toen nog niet.)

Het kapelke dat er nu staat zou dateren van 1815: her werd heropgebouwd na de nederlaag van Napoleon de Waterloo.

Enkele dagen eerder had hier namelijk op het Hooneveldje het Pruisisch Leger o. l.v. generaal Blücher gekampeerd. Toen die 's morgens wakker werd zag hij de zon schitteren op het kruiske van de kapel, en dat vond hij een goed voorteken: "Wij gaan winnen" verzekerde hij zijn soldaten. (6)

De grootvader van Guilleaume Schiepers "der Sjlieëp" was daarmee aangekomen. Die had namelijk als huurling met de Pruisen meegevochten in Waterloo. Boven Altenbroek staat er trouwens nòg een gebouwtje ter herinnering aan die nederlaag van Napoleon namelijk het "Waterloohuske" gebouw door de burgemeester van 's-Gravenvoeren Joseph de Schierveld, de heer van Altenbroek.

Rond dit Sint Annakapelke bestaan er nog andere verhaaltjes

Zo zou in de tijd van mijn grootmoeder het volgende zijn gebeurd:

Een zeker Anneke had liefdesverdriet en kwam daarom iedere dag hier bij haar patrones bidden (In de kapel stond in die tijd een Sinte-Anna ten drieën , dat is een beeld van Sint Anna met het Kinneke Jezus op haar schoot en Onze Lieve Vrouw rechtopstaande erachter): een jongen die dat in de gaten had gekregen had zich toen eens tussen de struiken verstopt. Zo hoorde hij dan Anneke half luidop bidden: "Lieve moeder Anna, maak toch dat Sjuf met mij touwt. " daarop zei toen die jongen met een kinderstem: "nee, nee". Anneke die dacht dat het Kinneke Jezus dat geweest wad, antwoordde kwaad:

"Zjwieëg doe, ich heb dich niks gevraogt" (1)

 

4

De Boschstraat. "alle wegen leiden naar Rome" - Hier heb je zo een. Langs deze vervallen veldweg liep ooit de Romeinse straat Nijmegen -Maastricht- (Trichterbeeldje) - Trier - Straatsburg - Rome

 

5

Kastanjeboom: een magische kastanjeboom waar mensen met tijdpijn een spijker komen inkloppen. Eerst wrijft het slachtoffer die spijker over de pijnlijke plek, en slaat hem dan in de boom in de hoop dat het gezonde hout die pijn overneemt.

 

6

Kattegraaf: in deze holle weg kwamen vroeger regelmatig alle katten uit de hele omtrek bijeen om samen te dansen.

 

Via het Heuvelke -de Tienhof - de Jolette - de Zaaghuil - Kukkeberg naar

 

7

De Greb: hier zwierf inderijd "enne Wierwoaf" = een Weerwolf rond. Een weerwolf was iemand die zijn ziel aan de duivel had verkocht en daarom gedoemd was tot nachtelijke zwerftochten. Zo iemand kreeg dan van de duivel een weerwolfsvel dat hij 's nachts tijdens zijn tochten moest aantrekken: vòòr zonsopgang was zo'n weerwolf weer terug thuis, verteven van de kou en soms gekwetst. De wonde die hij onder de gedaante van weerwolf opliep bleef hij behouden, ook wanneer hij terug als gewone burger rondliep. Een weerwolf werd pas verlost wanneer een andere dat weerwolfsvel vond en verbrandde. (7)

Kwam je een weerwolf tegen dan moest je ofwel een kruisteken maken ofwel een klosje garen voor zijn voeten werpen, want zo'n weerwolf had een "onweerstaanbare drang" om het garen terug op te winden. Intussen kon je vluchten.

Had je het ongeluk dat zo'n weerwolf je in je nek sprong, dan moest je hem dragen tot je erbij neerviel. Ook kon je een (je) zakdoek naar hem gooien. Op een keer was een nongen bij een van de twee meisjes van "der boaj" Dewez vrijen geweest. De jongen was al lang naar huis, toen rond middernacht bij de veldwachter aan de deur werd geklopt. Het meisje dacht dat haar jongen misschien iets vergeten was. Maar inteplaats van die jongen stond daar een grote lelijke hond voor de deur. In paniek gooide het meisje haar rode zakdoek naar het beest dat "der plak" meteen in stukken scheurde. Op die tijd kon het meisje de deur dichtgooien.

Toen de jongen na enkele dagen weer wilde komen vrijen zag het meisje ineens stukjes van haar ode zakdoek tussen zijn tanden (8).

 

8

Trichterbeeldje. Op de meeste kruispunten (vooral vijfprongen of zevensprongen) stonden in de tijd van de Oude Germanen - meer dan duizend jaar geleden - heilige bomen: bij de kerstening kapten de eerste christenen zo'n heilige boom niet op, maar plaatste de besschop er een gewijd beeldje in. Volgens een legende zou het eerste beeldje hier geplaatst zijn door de heilig Lambertus (6):

Lambertus kwam inderdaad van Sint Pieter bij Maastricht en het was voornamelijk deze die onze streken gekerstend zou hebben.

Van Trichterbeeldje is al sprake in 1213 (de cartularis in abdij van Godsdal = Valdieu. Op deze oude weg naar Maastricht bestaat er ook nog een "beeldchen" in Gronsveld. Verder nog een Bildchen op de Romeinse baan tussen Tongeren en Tienen, en een Bildeken tussen Kelmis en Aken.

 

9

Kruisgraaf: hier kwam eens "der ouwe Hoetersj" in een feest terecht, allemaal mooie meisjes of jonge vrouwen, allemaal naakt, die samen dansten. "Der owwe Hoetersj" wist niet wat doen: rechtsomkeer maken of doorlopen? Zo'n "schoeën vroaluuj" had hij nog nooit gezien. Daarbij "naks" ook nog. Op zeker moment bood een van die mooie meisjes hem een beker wijn aan: "nee merci", zie Hoeters, "ik drink geen wijn". Zij vleide zich tegen hem aan: "allè Hoeters, we vieren feest, drink met ons mee". "Der owwe Hoetersj" voelde zich wegsmelten (wie niet in 't zelfde geval?). Hij pakte de beker en zei toen: "allè, in godsnaam dan" ... Maar plots waren alle geestende vrouwen verdwenen en Hoetersj stond nog alle ... Met een koeieflat in zijn hand. (8)

 

10 Ie genne Patieël en op gen Zieeëve Huuëvele: Toen de Romeinen hier binnen vielen in 54 v. Chr. Werden ze door Ambiorix, het stamhoofd der Eburonen in een hinderlaag gelokt ... In een groot komvormig dan. Ambiorix wist dat de Romeinene alleen in gesloten formatie konden vechten. In een man-tegen-man gevecht waren de kleinere Romeinen (Italianen) tegen de grotere Oude Belgen niet opgewassen. Julius Caesar zelf heeft het beschreven ... Anderhalf legioen Romeinen (zo'n +- 80000man) werd toen in de pan gehakt. Dat zou in "der Patieël (= pateen) gebeurd zijn, een komvormig dal gelgen langs deze oude weg naar Maastricht. De gesneuvelde Romeinen werden begraven volgens de zeven heuvels van Rome, vandaar de naam "de Zeven Heuvelen" (6)

 

11.

Hoogveld (het volgend verhaaltje in 't dialect om het kleurrijke ervan te behouden). Hie op gen Hoeëvailt klapperde deks get wie 'enne groeëte voeëgel doeër gen loch, mai gaine koes zieë wat 'et woar. Met getieje hoeërt waal wellens aine 'en sjtem die kermde: "Oeë mot ich 'em liegke, oeë mot ich 'em liegke?" Dat how e zoe lang gedooërd: dat komiek fladdere, dat heen en weer weije en dat iemelek kerme, dat iemes aantwoerdde: "liek 'em oestem krieëge haas" ... Vanaaf doe woar het fladdere en kerme aafgeloape. Dai dat geroëpe how "liek 'em oestem kriëge haas" woar der Olle gewais. Ennige daag dernoa woar der Olle doeëd.

Volgens menne grapeer woar dai sjpooëkvoeëgel de zieël gewais van enne boeër dai ien ze lieëve enne rienstjtèè

get oppersjer how gesjeuft. Noa zen doeëd koesse doe gen rus veende en mosse dovuur met dai sjtèè roond blieve rezze pis iemes 'em zaag watte moes doeë: op het momaint dat der Olle dat reep, wwoeër dai boer van zen sjtroaf bevriejd. Es daank how dai maan noe der Olle no gen hiemel gebaijd (7) (Der Olle" gestorven rond 1925)

 

12

Aan het Wit Paard. In Voeren verbleef eens heel lang geleden een groot leger met een generaal. Hij alleen had een wit paard dat hier in vredestijd altijd door weiden liep. Het paard had zijn verblijfplaats in het Kelderke (klein dal iets verder): op een nacht werd dat mooie witte beest echter door de vijanden van de generaal afgemaakt, en geofferd aan hunne oorlogsgod. (2) (7)

(x) Via de Mergelberg - de Lange Graaf - de Ow Slowij - de Marsgreb tot het

 

13

Kwiezelekruske. Hier woonde vroeger twee ongetrouwde zusters die allebei "niejaas" = naaister waren. Op zekeren dag was een van de twee verliefd geworden maar de ander was daar tegen. Ze kregen hierover hoogoplopende ruzie, zo erg dat ze elkaar met hun scharen dood staken. Vanaf z toen dwaalde hier 's avonds of 's nachts - waar hun huisje te vervallen stond - regelmatig een witte gedaante rond, de zgn. Witte Juffrouw. Ze treurde om haar "liefst" ... Tot de pastoor hier een kruis plaatste. Daarna heeft niemand de Witte Juffrouw nog gezien. (9)

 

14.

De Voer. Volgens de overlevering werd in 1794 door de ontelbare paarden van het Oostenrijkse leger dat hier op het Hooneveldje bivakeerde, iedere morgen de Voer leeggedronken.

In 1794 verbleef hier inderdaad gedurende tee maanden een Oostenrijks leger O.L.V..: Aartshertog Carl van Saksen Coburg, de vader van Leopold I. De veldmaarschalk zelf logeerde al die tijd op de pastorij.

De "rooie Toon" wilde best een souvenierke van die man hebben en pikte de gouden epauletten van "Zijne Koninklijke Hoogheid". Het manneke werd zonder pardon opgehangen.

In de Voer verbleef het Hoakemenneke, een "baikelek" = akelig waterwezen met een lange mesthaak (=gebogen drietand) die de kinderen tot in het diepste van het water trok, hen aldaar het bloed uitzoog en hun ziel onder een omgekeerde pot opsloot. Pas wanneer deze pot omviel kwam de ziel weer vrij (1)

Bij het waterrad van "het Mulleke" huisde Menneke Vettevrusj, een monstertje dat veel eg had van een "kroddel" = pad, dat de kinderen met huid en haar opat.

In alle mogelijke en onmogelijke donkere hoeken of plaatsen kon je "der Beumaan" tegenkomen. Het was een kruising tussen een man en een aap met haren zo lang en stijf als de haren fan een stalborstel.

In de Stashaag zwierf een spook helemaal omhangen met lange koekettingen: "der Kettelemaan".

 

15

Hoffestraat - draaihekje: een doorgang voor de voetgangers. Bij zo'n draaihekje of "sjtiegelke" gebeurden ook wel 'nz rare dingen. Zo zag Duyckerske eens, die door de weiden te voet naar de Zinkwit in Eijsden moest, op zo'n sjtiegelpaal een zwarte kat zitten. Met z'n stok sloeg hij het beest ervan af. Maar de kat sprong er onmiddellijk weer op en zei toen: " noe hov nog 'ns wenst durfs" (10)

Op "der Pley" (voor de Frituur) sloeg eens een jongen een zwarte kat met een stovenijzer (pook) en haar snuit. Hij sloeg het arme beest een oog dicht. 's Anderendaags zag de jongen toen een vrouw op hem af komen met precies hetzelfde oog dicht (11)

 

16

Bij de mestkuil (weer in 't dialect i:v:m: klank en kleur):

Menne grapeer how nog get aandersj mèt gemak: (e)Zoe howwe enne kieër 'ens 'n kaar mès gelaaje, mai wienne wol vertrekke kraigge met geng meugelekhaid het pjaard vuroet. Wienne oach vlookde ("mordju " zaag 'e altied), het pjaard kuirde, leef kalde of mèt hoollep doer van de sjpèèke te trekke ... het pjaard krèèg genne poeët van zen plaatsj. Wat koesse doe aandersj es eng hellef wer aaf te laaje. Of der 'et noe geluft of neeët ... Het pjaard kraig de kar nog ummer neet eweg.

Get wieër sjtong al ennen hielen tieëd iemes te loore: enne vraime miensj, ennen hieër gaans iennet zjwart gekleijd met enne paraplu op zennen airem.

Wie der grapeer va plan woaër um nog mieë mès va gen kar te brujje, koam dai vraime kieël in 'ens noader: "Laai de kar met obbenoews voal", zaag 'e "ich zal uch wel hellepe". Der grapeer beloorde 'em 'ns sjaef eweg, mai deeg toch wattem gezaag woeërt.

Wie de kar wer gevuld woar, kraig der hieër het pjaard bij zen moel en zaag alleng mer: "Jup" ... En warechtig ... dizze kieër trok het pjaard de voolgelaaje mèskar mettai oet gen koel. Oon nog ee woeërd te zegke waandelde der zwarte hieër eweg, de Dreesj aaf, 'et deurep oet. "en doe zoag ich in'ens", besjloeët der grapeer da altied, "dat dai vraime miensj enne sjtoets how (8)

 

17.

A gen ow lin (A° 1722 de oude lindt, A° 1888 aen de oude linde)

Op een avond kon Anneke van "de Marjan" de uitgang van de wei niet meer vinden. Het liep hoe langer hoe harder langs de haag op en af, dan langs de andere kant, dan rondom, tot ineens ook nog de bomen begonnen te kraken en vogels die het niet kon zien, begonnen te fladderen ... Wild van angst begon Anneke toen om hulp te schreeuwen in plaats van gewoon een beetje te bidden.

Pas heel laat in de nacht vond haar man met een "sjtaalluch" = stallicht zijn Anneke terug (7):

 

18

Hooveveldsje of Hoeneveldje. Waarschijnlijk behoorde dit veld oorspronkelijk toe aan een zekere Hoen (A° 1406 Johan huen, A° 1457 Johan hoen, A° 1475 Johan huenen enz.). De overlevering echter is interessanter. Dit veld zou met de hunnen te maken hebben ... Die zouden hier omstreeks 410 een kamp hebben gehad. Nadat de Frankische koning Sigebert hen had weten te vinden, was er iets verder langsheen de Beek een vreselijke slag ontstaan "en het water was gansch rood van het bloed der gevallen strijders. " vanaf toen noemde men de beek Bloedsbeek: de lijken "die gansch vol bloed waren" werden begraven langs de weg in de graaf. Vandaar de naam Bloedsgraaf (2)

Wel had hier vlak in de buurt in 1285 een veldslag plaats tussen de Limburgers en de Brabanders tijdens de Limburgse successieoorlog (zie Jan van Heluu) en nog een gevecht met name bij de Beek in 1403 tussen de Luikenaars o.l.v. de gebroeders Flamand, en de ridders uit de streek als Jehan de Chirvel, Jehan van Oud-Vanklenburg, Herman Hoen, Rencken van Bern en Willem Haleweyn warbij er in de twintig doden vielen (22)

Ook kampeerden hier regelmatig doortrekkende legers:

In 1748 de Fransen (o.l.v. generaal Lovendaal) op weg naar Duitsland

In 1794 de Oostenrijkers (olv maarschalk Carl von Saksen Coburg) tegen de Fransen

In 1815 de Pruisen (olv. Generaal Blücher) op zoek naar Napoleon

In 1914 de Duitsers (olv. Gen. von der Marwitz) op weg naar Frankrijk.

 

19

Het kruiske in de Beek (feitelijk bij de Beek)

Lambair Steenebruggen had altijd last van "de Ow", een heks.

Daarom liep hij altijd met dichtgenaaide broekspijpen rond (of met piesette) zodat de Ow niet langs benen op kon kruipen, want die draaide hem altijd zijn voeten verkeerd om: "ze haat mich wer de veut gedriejt" zie hij kan. Regelmatig zagen de oude mensen hem met zijn lange ladder = kruiwagen naar de Beek trekken. Op die kruiwagen had hij dan altijd een gesloten baar = Keulse pot gebonden waarin hij de ""ow gevangen had. Bij het kruiske liet hij ze dan los in de hoop er van af te zijn: maar wanneer hij thuis kwam "woar de krak oach wer doa". (8) (13)

Rob Brouwers

 

(1)Tien Meertens - Jongen (1880-1974)

(2)Schoolschrift François Ancion 1910

(3)Frèns Meertens (1877-1970)

(4)Verdwenen handschrift Johan Walpotz + 1666

(5)Notitieboek pastoor Daffnay 1720

(6)Carolus Waelbers . De Band , nr 2 en nr 4 1958

(7)Verzameling Frans Meertens 1935

(8)Mathieu Janssen (19016-1984)

(9)Hay Rutten (1901-1975)

(10)Gaspard Duyckers (*1906)

(11)Verzameling Jean Marie Ernon 1983

(12)Ch. Rahhenbeck in Histoire de Dalhem 1852

(13)Jef Huynen (*1922)

 

====

 

p. 24 - 33

 

 

ANTROPOLOGIE EN VOLKSKUNDE

HANS VAN LAAR

 

Mijn antropologisch onderzoek naar de wortels van de tegenstelling tussen

Frans- en Vlaamsgezinden in de Voerstreek maakte enkele leden van de

Heemkring Voeren en Omstreken nieuwsgierig naar hoe mijn werkzaamheden zich

verhouden tot hun volkskundige activiteiten. Zij meenden daartussen

overeenkomsten te zien. Bedriegt de schijn? Antropologie en volkskunde

hebben wel het een en ander met elkaar te maken, maar zijn niet hetzelfde.

Hieronder zal ik proberen duidelijk te maken wat hun verschillen en

overeenkomsten zijn. Daartoe zal ik eerst uiteenzetten wat antropologie in

theorie en praktijk inhoudt. Daarna zal ik aangeven wat volkskunde in meer

formele zin inhoudt en waar het binnen de antropologie moet worden

geplaatst. Vervolgens beperk ik me tot de volkskunde zoals die door de

Heemkring Voeren en Omstreken wordt beoefend, en zal ik twee praktische

vergelijkingen trekken tussen antropologie en volkskunde. Ik sluit af met

enkele conclusies.

 

Antropologie

"Antropologie" betekent letterlijk: leer van de mens. Maar dit is een

onvoldoende definitie, want ook psychologen, sociologen, politicologen en

wie al niet houden zich met de mens bezig. Antropologie onderscheidt zich

van andere sociaal-wetenschappelijke disciplines door cultuur als

belangrijkste object van onderzoek te nemen. In de antropologie wordt ervan

uitgegaan dat de wereld van de voorstellingen en waarderingen waarin

iedereen leeft, een zeer belangrijke rol speelt bij het vormgeven van het

menselijk gedrag. Deze wereld van voorstelling en waarderingen wordt

cultuur genoemd.

Deze definitie wijkt af van wat doorgaans onder cultuur wordt

verstaan, namelijk de diverse kunsten als literatuur, muziek, dans en film.

In de antropologische opvatting van cultuur is kunst een onderdeel van

cultuur. In de antropologische opvatting is cultuur ook niet voorbehouden

aan een bepaalde categorie mensen, namelijk de kunstenaars en hun critici.

Antropologen gaan ervan uit dat ieder mens een cultuurdrager en een

cultuurmaker is. Sterker nog: een cultuurloos wezen is geen mens. Wat niet

wil zeggen dat een cultuurloos wezen een dier is. Want ook dieren bezitten

cultuur, al verschillen hierover de meningen. Maar de uitspraak: de mens is

een cultuurvol wezen, geeft aan dat het begrijpen van het menselijk

handelen alleen volledig kan worden gedaan door het begrijpen van cultuur.

Na deze algemene oriântatie van wat antropologie is, wordt het tijd om

nader aan te geven wat in de antropologie onder cultuur wordt verstaan. Om

dit te kunnen uitleggen, moet ik een beetje liegen. Want antropologen zijn

allerminst eensgezind over de definitie van het begrip cultuur. Om dit

betoog overzichtelijk te houden, zal ik de lezer ÇÇn definitie op de mouw

moeten spelden waarvan hij of zij maar moet geloven dat het de beste is. In

ieder geval is het een definitie die door de meeste gezaghebbende

antropologen wordt onderschreven.

Cultuur is een systeem van betekenissen en symbolen dat ten gronde

ligt aan de wijze waarop mensen handelen. Cultuur verwijst daarmee naar wat

mensen leren, namelijk de betekenis van symbolen, en niet naar wat zij doen

en maken. Ik kom hier zo op terug.

Eerst zal ik kort ingaan op een tweede belangrijk begrip in de

antropologie en de sociale wetenschap in het algemeen: de samenleving. Een

samenleving is een speciaal soort sociaal systeem. Een sociaal systeem is

een verzameling van mensen die geregeld omgang met elkaar hebben. Te denken

valt aan een gezin en een fabriek; maar ook de Vlaamsgezinde en de

Fransgezinde gemeenschap in de Voerstreek vormen een ieder een samenleving.

Om een tegenvoorbeeld te geven: een cafÇ is geen sociaal systeem, tenzij

daar geregeld dezelfde klanten komen. Kenmerkend voor een samenleving is

dat het een sociale structuur heeft: een verzameling van sociale posities

die met elkaar verbonden zijn door herhaalde patronen van interactie. Merk

hierbij op dat niet steeds dezelfde personen hoeven op te treden. In een

fabriek komen en gaan personeelsleden, maar de sociale posities blijven.

Dus als cultuur een geordend systeem van betekenissen en symbolen is,

volgens welke de sociale omgang plaatsvindt, dan is het patroon van sociale

omgang zelf het sociale systeem. (Door de onderlinge wisselwerking tussen

cultuur en samenleving verkeren beide in een voortdurende staat van

verandering.)

Nog anders geformuleerd: cultuur is een fabriek van betekenissen en

symbolen aan de hand waarvan mensen hun ervaringen interpreteren en hun

handelen sturen; sociale structuur is de vorm die dat handelen aanneemt,

dat wil zeggen het feitelijk bestaande netwerk van sociale relaties.

Cultuur is tegelijkertijd een model van de wereld en een model voor de

wereld. Een model van de wereld wil zeggen: het is een interpretatiemodel.

We kunnen de wereld ermee begrijpen. Ideologieân en religies zijn

duidelijke voorbeelden van een model van de wereld, van hoe de wereld

werkt. Een model voor wereld wil zeggen: het is een handelingsmodel. Het

zegt ons hoe in de wereld te handelen. Ook hiervan zijn ideologieân en

religies duidelijke voorbeelden.

Zoals gezegd, is cultuur een systeem van betekenissen en symbolen.

Drie termen in deze zin verdienen meer aandacht: systeem, betekenis en

symbool. Het begrip systeem verwijst naar het onderlinge verband tussen

verschillende betekenissen en symbolen; naar hun wisselwerking of

wederzijdse beãnvloeding.

 

Hoe moeten de begrippen betekenis en symbool worden begrepen, en wat

is het verschil met gedrag? Om te beginnen zal ik dit duidelijk maken aan

de hand van taal. Door middel van taal dragen wij boodschappen over: dit

zijn de betekenissen. Die betekenissen zijn verbonden met letters, woorden

en zinnen: de symbolen. Die letters, woorden en zinnen spreken we uit of

schrijven we op: dit is gedrag.

Cultuur bestaat niet zomaar wanneer er betekenissen en symbolen zijn,

cultuur ontstaat wanneer die betekenissen en symbolen worden gedeeld door

diverse mensen. Dat cultuur gedeeld wordt, zal ik aan de hand van een

praktisch voorbeeld duidelijk maken. Dit voorbeeld zal tegelijk duidelijk

maken dat ook gedrag symbolisch kan zijn.

Neem de knippering van de oogleden. Dat kan een onvrijwillige

samentrekking zijn, een contractie. Het kan echter ook een bewuste

samentrekking zijn, een signaal van verstandhouding bij voorbeeld, dat een

knipoog wordt genoemd. Vanuit een zuiver fysisch standpunt bekeken is er

tussen beide knipperingen geen verschil: er vindt een samentrekking van de

oogleden plaats. Maar vanuit een cultureel perspectief gebeuren er twee

totaal verschillende dingen. De eerste knippering betekent niets, maar een

knipoog is communicatie, het overbrengen van een boodschap door middel van

symbolisch gedrag. De knipoog gebeurt (1) met opzet, (2) tot iemand in het

bijzonder, (3) om een bepaalde boodschap over te brengen, en (4) volgens

een gevestigde code. Het is een stukje symbolisch, dat wil zeggen

betekenisdragend gedrag, een flits cultuur.

Maar dit is nog maar het begin. Stel dat een derde persoon de knipoog

heeft gezien. Hij of zij vindt de knipoog onhandig en amateuristisch

uitgevoerd en parodieert de knipoog. Ook hij of zij zal de oogleden

samentrekken, maar in dit geval is het een knippering noch een knipoog. Het

is een parodie en wel opnieuw volgens een gevestigde code. Dit laatste wil

zeggen dat de omstanders de parodie begrijpen, ze delen de betekenis van de

laatste knipoog.

 

Ik ga nu nog een stap verder, waarbij ik uitkom bij mijn onderzoek in de

Voerstreek. In het voorbeeld van de knipoog ben ik ervan uitgegaan dat de

betrokken personen hetzelfde systeem van betekenissen en symbolen hanteren,

waardoor ze elkaar kunnen begrijpen. Ze maken deel uit van dezelfde

cultuur. Maar in de Voerstreek leven twee gemeenschappen die situaties

vanuit verschillende systemen van betekenissen begrijpen. (Merk op dat hun

culturen overlappen: zowel Frans- als Vlaamsgezinden begrijpen bij

voorbeeld het verhaal van de knipogen.) Ik zal proberen dit duidelijk te

maken aan de hand van wat jaarlijks op 11 juli, de Vlaamse feestdag, in 's-

Gravenvoeren gebeurt. Vlaamsgezinden wensen dat de Leeuwevlag aan het

gemeentehuis wordt uitgehangen. En als ik me zo uitdruk, krijg ik als

steevaste, enigszins emotionele reactie dat de wet voorschrijft dat die

vlag wordt uitgehangen, en dat is ook zo. Fransgezinden willen voorkomen

dat de Leeuwevlag wordt uitgehangen. Meestal draait het erop uit dat eerst

de Leeuwevlag of de Waalse Haan wordt uitgehangen en daarna de andere,

waarna nog de Belgische driekleur volgt.

Vier objecten lijken me hier van belang: de drie vlaggen en het

gemeentehuis. Het gemeentehuis is in deze vlaggenkwestie niet zomaar een

overheidsgebouw. Want de Fransgezinde postmeester van Sint-Martensvoeren

heeft vorig jaar de Leeuwevlag aan het postkantoor uitgehangen en geen haan

die er naar kraaide. Aan het gemeentehuis zijn er daarentegen wel jaarlijks

problemen met het uithangen van die vlag. Vanuit politiek oogpunt is dit

het belangrijkste gebouw van Voeren. Dat wil zeggen dat beide partijen er

hun stempel op willen drukken, of beter: hun vlag er op willen zetten.

Misschien zijn het Veltmanshuis en het Centre Culturel et Sportif voor

respectievelijk de Vlaams- en de Fransgezinden belangrijker. Maar beide

kampen maken geen aanspraak op elkaars gebouw. Met het gemeentehuis ligt

dat anders. Het gemeentehuis symboliseert Voeren en een vlag aan het

gemeentehuis symboliseert tot welk landsdeel Voeren behoort. De Leeuwevlag

betekent dat Voeren bij Vlaanderen hoort, de Hanevlag betekent dat Voeren

Waalse grond is en eigenlijk tot Walloniâ behoort. De Fransgezinden zijn

het oneens met de eerste betekenisverlening, de Vlaamsgezinden met de

tweede. De Belgische driekleur zou je op het eerste gezicht als een

compromis kunnen zien, maar dat lijkt me onjuist. Vanuit Vlaamsgezind

standpunt kan de driekleur betekenen dat hun stelling dat Voeren Vlaams is,

toch niet helemaal waar is. Vanuit Fransgezind standpunt kan het uithangen

van de driekleur een overwinning betekenen: we hebben de symbolisering van

het tweegevecht tussen het Vlaams- en Fransgezinde standpunt aan het

gemeentehuis enigszins in ons voordeel kunnen beslechten, want door die

driekleur is het Vlaamsgezinde standpunt 'Voeren is Vlaams' ondermijnd.

Voeren is niet Vlaams, kan men bij de Fransgezinden zeggen, want kijk maar

naar de driekleur: Voeren is ook Belgisch en dus minstens ook Waals.

 

Aan deze vlaggenkwestie en wat ik erover heb gezegd, valt een aantal

belangrijke zaken op. Ten eerste dat symbolen een sterke emotionele

uitwerking hebben, vooral als ze de inzet zijn van een controverse. Ten

tweede dat symbolen voor diverse mensen tegelijkertijd verschillende

betekenissen kunnen hebben. Ten derde dat een cultureel-antropologische

vertaling van zo'n vlaggenkwestie heel wat interpretatie veronderstelt en

daarmee een heikele onderneming is, waarbij je makkelijk in de fout kunt

springen. Ten vierde stelt het een bijzondere eis aan de beoefenaar van de

antropologie. Hij of zij kan de beschrijving, de analyse en interpretatie

niet vanuit de leunstoel in de huiskamer of de universiteit verrichten. Hij

of zij moet ter plekke zijn. Het is dit methodologische aspect van de

antropologie die haar het duidelijkst onderscheidt van andere sociale

wetenschappen. De antropologische methode bij uitstek is het veldwerk.

Veldwerk betekent een diep binnendringen van een meestal kleine

gemeenschap voor een lange periode, ongeveer een jaar. Door in zo'n

samenleving te leven en eraan deel te nemen, probeert een antropoloog haar

van binnenuit te leren kennen, te begrijpen. En niet van buitenuit, zoals

in andere wetenschappelijke disciplines de gewoonte is. Daardoor kan een

antropoloog zich van een onderzoektechniek bedienen waarover andere

wetenschappers niet beschikken, namelijk de participerende observatie, of

waarneming door deelname. Dit is niet noodzakelijk de meest gebruikte

onderzoektechniek. In samenlevingen als Voeren waar een groot deel van het

leven zich binnenskamers voltrekt, is deelnemende waarneming minder

veelvuldig toe te passen dan in landen waar het leven zich meer buitenshuis

voltrekt.

Andere technieken die gebruikt worden, zijn interviews,

archiefonderzoek, enquàtes en participerende documentatie. Participerende

documentatie of deelnemende documentatie is het bespreken van documenten en

foto's met informanten. Langs deze weg kunnen vaak verrassende thema's ter

sprake komen waar een onderzoeker tijdens het opstellen van zijn

interviewvragen niet op was gekomen.

 

Maar waartoe dient dergelijk uitgebreid onderzoek naar relatief kleine

verzamelingen mensen? In de antropologie is men niet uitsluitend

geãnteresseerd in het kleinschalige, in het bijzondere. Antropologie is

vooreerst een vergelijkende wetenschap waarin men door het vergaren van

gedetailleerd materiaal over soortgelijke verschijnselen tot algemene

uitspraken over die soortgelijke verschijnselen tracht te komen. Natuurlijk

heeft het specifieke onderwerp van onderzoek een belang in zichzelf. Ik wil

een afdoende verklaring opstellen over de oorsprong en de verdere

ontwikkeling van de tweespalt tussen de Vlaams- en Fransgezinden. Maar een

tweede doel is om op basis van een vergelijking tussen Voeren en

soortgelijke situaties elders in de wereld, meer algemene uitspraken te

doen over het ontstaan van etnische tegenstellingen, over de politieke

manipulatie van cultuurverschillen ten behoeve van nationalistische

ambities, en over hoe die cultuurverschillen al dan niet bewust worden

gecreâerd. De ambitie van de antropologie is, zoals mijn hoogleraar het

eens heeft gezegd, het begrijpen van kleine samenlevingen van binnenuit

naar buiten toe. Daarmee bedoelde hij naar mijn mening twee dingen: (1) het

gaat erom van het specifieke tot het meer algemene te komen, (2) het gaat

erom vanuit een studie van een kleinschalige samenleving, de wisselwerking

met de wijdere samenleving te analyseren en te verklaren. In mijn onderzoek

gaat het dan om een analyse en verklaring van het Voerense conflict in

relatie tot de meer algemene tegenstelling tussen Vlamingen en Franstaligen

in Belgiâ.

 

Volkskunde

Volkskunde is een onderdeel van de heemkunde. Volgens de Winkler Prins is

heemkunde "de studie van ... de eigen omgeving, in al haar aspecten, in

heden en verleden". Heemkunde beperkt zich dus niet tot de mens, de

volkskunde doet dat wel. Volgens diezelfde Winkler Prins is volkskunde de

studie van "zowel de geestelijke als de materiâle volkscultuur", en zijn

haar studieobjecten onder meer: volksgebruiken, volksgeloof,

volkswetenschap, volkskunst, volkstechniek enzovoorts.

Waar past de volkskunde binnen het grotere veld van de antropologie?

Binnen de antropologie en de wetenschap in het algemeen wordt een

onderscheid gemaakt tussen enerzijds de studie van de geestelijke

gemeenschapscultuur, folklore (letterlijk: de kennis van het volk), dat

binnen de antropologie niet als een specialisme wordt beschouwd, en

anderzijds de studie van de materiâle gemeenschapscultuur, etnologie

(letterlijk: de leer van de volken). Etnologen waren vroeger vooral

verbonden aan musea en veel minder aan universiteiten. Zij keken naar de

natuurlijke of gewone geschiedenis van stammen of tribale volkeren en naar

de historische banden tussen die volkeren. Langs die weg probeerden zij de

verspreiding van cultuurelementen over de wereld te verklaren. Antropologen

hebben zich hierop veel minder geconcentreerd; zij waren vooral

geãnteresseerd in algemene wetenschappelijke uitspraken over de cultuur en

het sociale gedrag mensen. Culturele antropologie heeft de etnologie als

belangrijkste tak van de antropologie in het algemeen verdrongen; de

moderne culturele antropologie is jonger dan etnologie. Het zijn dan ook

cultureel antropologen en niet etnologen die de belangrijkste en meeste

functies in musea en aan universiteiten bekleden. (In een bijlage heb ik de

diverse onderdelen van de antropologie weergegeven. "Culturele

antropologie" wordt op diverse niveaus van onderverdeling gebruikt. Het

herhaalde gebruik van deze term in het schema moet worden begrepen uit de

historische ontwikkeling van het vakgebied; in opeenvolgende fasen was het

steeds nodig een onderscheid te maken tussen culturele antropologie sec en

een specialisatie ervan. In het algemeen wordt de term "culturele

antropologie" gebruikt om het laagste specialisme in het schema aan te

duiden.)

 

De werkzaamheden van de meeste leden van de Heemkring Voeren en Omstreken

zijn volgens mij echter geen etnologische activiteiten in de betekenis die

ik zojuist heb aangegeven. Hun studies hebben een meer beperkte ambitie.

Het lijkt me daarom beter de werkzaamheden van enkele van hen te bekijken

en te zien hoe die zich tot de culturele antropologie verhouden.

 

Jaak Nijssen bestudeert kerkhoven en meer in het bijzonder

grafkruisen. Wie enigszins op de hoogte van mijn werkzaamheden is, weet dat

ook ik menige dag op kerkhoven heb doorgebracht. Theo Broers verzamelt

prentbriefkaarten, en hij heeft aan den lijve ondervonden dat ook ik daarin

geãnteresseerd ben. Theo Broers verzamelt ook landbouwwerktuigen; een

antropoloog die belangstelling heeft voor wat "de materiâle cultuur" wordt

genoemd, zou zich ook voor die werktuigen kunnen interesseren. Rob Brouwers

tekent streekverhalen op, en ook dat zou een werkzaamheid van een

antropoloog kunnen zijn. Toch durf ik te beweren dat wat Rob Brouwers doet,

geen beoefening van de antropologie is. Dit klinkt misschien wat pedant,

maar ik zal proberen mij nader te verklaren.

 

Als een antropoloog streekverhalen zou optekenen of die van Rob Brouwers

zou bestuderen, dan heeft hij of zij een of meer van de volgende oogmerken.

Ten eerste bestudeert een antropoloog verhalen uit diverse streken om te

achterhalen of er een algemene structuur in te ontdekken valt en hoe die te

verklaren is.

Ten tweede zou een antropoloog willen weten, wat een streekverhaal

- de opbouw, de woordkeus, de focus op bepaalde thema's, de afwezigheid van

andere thema's - zegt over de wijze waarop de schrijvers en vertellers van

de verhalen, andere facetten van hun bestaan waarnemen en waarderen.

Kortom, wat kan een antropoloog door middel van een streekverhaal leren

over de cultuur - de wereld van betekenissen en symbolen - van de mensen

die bij dat streekverhaal zijn betrokken?

Ten derde, door een analyse van wie wel en wie niet in de verhalen

voorkomen, kan informatie worden vergaard over de plaats van die personen

in de samenleving waarin het verhaal zich afspeelt. Hoe worden bepaalde

gezagsdragers beschreven en daarmee gewaardeerd? Wie wordt erin bespot, hoe

gebeurt dat en wat is de overeenkomst met het bespotten in werkelijkheid.

Ik kan nog een stap verder gaan. Veel verhalen worden mondeling

overgeleverd. Niet iedereen kent het verhaal even goed. Het verhaal was in

de eerste versie misschien anders dan in de tiende. Vragen kunnen dan zijn:

wie kennen het verhaal goed en wie minder goed, en wat zegt dit over de

verdeling van de controle over de inhoud van de verhalen? Wie is in staat

bepaalde elementen aan het verhaal toe te voegen en er andere aan te

ontnemen en wel op zo'n wijze dat die persoon er in het verhaal beter vanaf

komt? Hoe krijgt die persoon het gedaan dat zijn nieuwe versie geaccepteerd

wordt? Welke machtsbronnen gebruikt hij daartoe? Misschien circuleren er

verschillende versies van hetzelfde verhaal. Verschillen de mensen die die

versies vertellen, nog op andere punten: machtigen versus minder machtigen,

protestanten versus katholieken, mannen versus vrouwen, jongeren versus

ouderen? Dit soort informatie die in verhalen of het vertellen ervan

verborgen kan zitten, kan van cruciaal belang zijn om bestaande of

historische tegenstellingen en daarmee cultuurverschillen te traceren.

Rob Brouwers zou ook roddels kunnen verzamelen, en misschien doet hij

dat ook wel. Een volkskundige en een antropoloog kunnen beiden roddels

optekenen. Maar een antropoloog doet twee dingen die een volkskundige - in

de beperkte betekenis waarin ik dit begrip hier gebruik - niet doet, of in

ieder geval niet snel zal doen.

Ten eerste vraagt een antropoloog zich af, wie deel uitmaken van de

sociale circuits waarbinnen de roddels circuleren en wie niet. Langs deze

weg kan hij achterhalen wie wel tot bepaalde kringen behoren en wie ervan

worden uitgesloten. De volgende vraag zou dan zijn, waarom die uitsluiting

plaatsvindt.

Ten tweede vraagt een antropoloog zich af, wat de roddels vertellen

over de voorstellingen en waarderingen, over de betekenissen waarmee de

roddelaars hun wereld interpreteren en waarderen.

 

Conclusies

Natuurlijke kan een volkskundige ook doen wat een antropoloog doet, maar

misschien moet dan worden gezegd dat de volkskundige een antropoloog is

geworden. Hiermee bedoel ik dat het verschil tussen een volkskundige en een

antropoloog er een van gradaties is. Sterker nog: de werkzaamheden van

beiden kunnen overlappen. Maar dan nog blijven er twee belangrijke

verschillen. Dat zijn overigens geen essentiâle verschillen - ik geloof

niet in essenties - maar graduele verschillen. Volkskundigen en

antropologen zijn familie van elkaar en vertonen de gelijkenissen en

verschillen van familieleden.

Het eerste verschil is dat een volkskundige als hoofddoel de

beschrijving en/of verzameling van objecten heeft; een antropoloog tracht

tot algemene uitspraken te komen waarin het bijzondere en het algemene met

elkaar worden verbonden. Het is een verschil tussen naar verhouding meer

empirie en meer theorie: naar verhouding meer empirie bij de volkskundige,

meer theorie bij de antropoloog. Ik wil daarmee niet zeggen dat een

volkskundige geen theoretische bezigheden heeft. Ik bedoel dat hij minder

theoretische bezigheden kent dan een antropoloog, en opnieuw blijken we met

een familiegelijkenis en een gradatieverschil te maken te hebben.

Het tweede verschil is nauw met het eerste verbonden. Bij een

volkskundige zal de beschrijving en/of verzameling vaak een doel op

zichzelf zijn. Voor een antropoloog is de beschrijving en verzameling

meestal een middel om tot uitspraken te komen die de beschrijving

overstijgen. Opnieuw gaat het om gradaties. Ik kan mij goed voorstellen dat

er volkskundigen zijn die op hoger niveau van abstractie werkzaam zijn dan

sommige antropologen.

 

 

Mijn slotconclusie kan kort en eenvoudig zijn. De volkskunde zoals die door

de leden van de Heemkring Voeren en Omstreken wordt beoefend, neemt geen

aparte plaats in de antropolgie in. Het is geen antropologische

specialisatie, zoals bij voorbeeld wel de politieke antropologie en de

religieuze antropologie specialisaties zijn. Volkskunde is te localiseren

op het meer beschrijvende niveau binnen al die specialisaties, zonder

noodzakelijk theoretische oogmerken. Maar u mag het natuurlijk hartgrondig

met me oneens zijn.

Aanbevolen literatuur

Mart Bax (1988), Politieke antropologie in vogelvlucht. Amsterdam: VU Uitgeverij.
(Dit boekje geeft een overzicht van zowel de ontwikkeling in de theorievorming over kleinschalige politieke verhoudingen als van de geschiedenis van de antropologiebeoefening in Nederland.) 

Clifford Geertz (1973), The interpretation of cultures. Selected essays by Clifford Geertz. New York: Basic Books, Inc., Publishers. (Geertz, een Amerikaan, is een van de meest gezaghebbende antropologen van deze tijd. Het lezen van dit boek vereist enige voorkennis.) 

Robert M. Keesing (1976), Cultural anthropology. A contemporary perspective. New York: Holt, Rinehart and Winston. (Tot voor kort werd dit boek gebruikt tijdens de cursus "inleiding tot de antropologie" voor eerste-jaarsstudenten aan de Universiteit van Amsterdam. Het is een betrekkelijk eenvoudig boek, rijk aan illustraties.) 

Jojada Verrips (1983), En boven de polder de hemel. Een antropologische studie van een Nederlands dorp 1850 - 1971. Groningen: Wolters-Noordhoff 
(Dit is een van de eerste antropologische studies die zich in Nederland afspeelt. Het is een verklaring van de oorsprong van de splitsing tussen Hervormden en Gereformeerden. Veranderingen in de plaatselijke machtsverhoudingen en religieuze voorstellingen worden in verband gebracht met maatschappelijke en religieuze veranderingen in de wijdere Nederlandse samenleving. Lezenswaardig en leesbaar.) 

Peter Kloos heeft een inleiding culturele antropologie in het Nederlands geschreven. De titel is me ontschoten. Het boek in ongetwijfeld in iedere goede boekhandel te verkrijgen. Van zijn hand is, naar ik meen, ook het boekje Achter de coulissen, over de problemen waarmee een antropoloog tijdens het veldwerk geconfronteerd kan worden.

Noten
 *. Dit is een herziene versie van de voordracht die ik op uitnodiging van de Heenikring Voeren en Omstreken onder de titel "Is volkskunde hetzelfde als antropologie?" heb gehouden op maandag 13 april 1992 in Sint-Martens-Voeren. 

1. Een antropoloog zal kunst ook heel anders bestuderen dan bij voorbeeld een kunstcriticus. Terwijl de laatste vooral het kunstobject bestudeert en beoordeelt, concentreert de antropoloog zich meer op de produktie van kunst. Een antropoloog zou zich de vraag kunnen stellen: welke politieke, economische en culturele voorwaarden bepalen het succes of falen van kunstprodukten? Om die vraag te kunnen beantwoorden, dienen weer andere vragen te worden beantwoord: onder welke politieke constellaties gedijen welke kunstvormen en waarom? (Denk aan het dadaisme dat ten tijde van het fascisme als "entartete" kunst werd beschouwd; of aan het realisme dat hoogtij vierde onder het Sovjet-regiem.) Welke kunstenaars hebben toegang tot welke galeries en musea en welke mogelijkheden hebben deze om de kunstprodukten te promoten? Wat is het kunstbeleid van een regering, welke kunstvormen en -stromingen worden wel en niet gestimuleerd? Kennen sociaal-demokratische regeringen een ander kunstbeleid dan christendemokratische of liberale?

 2. Ideologie en religie hebben veel overeenkomsten maar zijn niet hetzelfde. In een religie staat de relatie tussen God en mens centraal, in een ideologie de relatie van mens tot mens. Niet alle ideeënsystemen zijn even makkelijk in een van beide categorieèn in te delen. Het islamitische fundamentalisme - en eigenlijk ieder religieus fundamentalisme - is een religie die ook een politieke ideologie is geworden.

D'r Koeënwòòf nr 08 (1993/2)

Thema-nummer: NIEUW LIMBURGS ---- INHOUD:

======

OUD EN NIEUW LIMBURGS door Bep Mergelsberg ......1

OUDE 's GRAVENVOERENSE WOORDEN door Robert Brouwers...............10

ZWARTE PIET en een paar van z'n andere namen door Bep Mergelsberg........................12

TAALNIVELLERING door Jaak Nijssen...................13

PUBLIKATIES verzameld door Bep Mergelsberg.............................24

PUBLIKATIES Verzameld door Jaak Nijssen...........................24

 
====

p. 01 - 10

 
OUD EN NIEUW LIMBURGS

door Bep Mergelsberg.

Ik leer mijn kinderen Limburgs. Nu is me daarbij opgevallen dat ik hen een ander Limburgs leer dan ik vroeger thuis geleerd heb. Veel woorden heb ik in de loop der tijd vervangen door andere woorden die vrijwel allemaal een gemeenschappelijk kenmerk hebben, n.l.: de nieuwe woorden lijken veel meer op de Algemeen Nederlandse woorden dan de oude Limburgse woorden.

 Mijn ouders zijn afkomstig uit Montzen (moeder) en Kelmis (vader). Dit verklaart de niet-Noorbeekse woorden die in mijn vroegere thuistaal voorkwamen.

 Ikzelf ben geboren in 1957 in Noorbeek, een dorp van ongeveer 1000 inwoners in Nederlands Zuid-Limburg, grenzend aan de Voerstreek. Ik ben daar ook opgegroeid.

 Ik schijn tegenwoordig onbewust nogal veel typisch Sint- Martensvoerense klanken in mijn taal te gebruiken. Noorbekenaren maken mij hier wel eens op attent. De woorden waarin ik enkel de klanken veranderd heb nadat ik in Sint- Martensvoeren kwam wonen zijn niet in de lijst opgenomen.

 
De woordenlijst.

 Ik heb niet gestreefd naar volledigheid maar ik meen dat de onderstaande woordenlijst toch een idee geeft van de omvang van de gelijkschakeling van mijn Limburgs aan onze standaardtaal.

 

Allereerst som ik hieronder een aantal Limburgse woorden op die ik vroeger thuis en in de omgang met andere Noorbeekse mensen leerde. Ernaast volgen de nieuwe Limburgse woorden, of misschien moet ik zeggen, verlimburgste Algemeen Nederlandse woorden. Dan volgt de vertaling in onze standaardtaal.

 

OUDE EN NIEUWE LIMBURGSE WOORDEN.

 

De woorden heb ik ondergebracht in een aantal groepen.

De eerste groep bestaat uit werkwoorden, de tweede uit zelfstandige naamwoorden en de derde en laatste uit bijwoorden.

 

 

WERKWOORDEN.

 

De vervoeging van de sterke werkwoorden staat tussen haakjes onder de betreffende werkwoorden. De andere werkwoorden zijn zwak en worden allen als volgt vervoegd: o.v.t, enkelvoud en meervoud = stam + de / v.v.t. = ge + stam + d.

 

 

kaore preuve (proeven)

käöre aaie (aaien)

 

piepe ròke (roken)

 

(piep - paeëp - gepaeëpe) "Neet alling piepe me òch sigerètte

waoërte gepaeëpe".

tappesere behange (behangen)

 

De "ge-" van het voltooid deelwoord "getappeseerd" valt in

mijn taal enkel weg in de vorm "De kamer is tappeseerd

waoëre".

 

sjtrikke breie (breien)

hekele haoke (haken)

de sjòttele waesje aafwaesje (afwassen)

 

(waesje - woosj - gewaesje / aafwaesje - woosj aaf -

aafgewaesje)

 

bagere verhuze (verhuizen)

 

De "ge-" van het voltooid deelwoord "gebageerd" valt in mijn

taal enkel weg in de vorm "De meubels zeunt bageerd waoëre".

 

uzere piekere (piekeren)

sjtute òpsjuppe (opscheppen)

 

(sjtute - sjtaoët - gesjtaoëte)

 

"Väöl beheij make" en "Zich get van z'ne Jaan make" hebben

dezelfde betekenis. "'ne Beheijdspiemel" en "'ne sjtutert"

zijn synoniemen, zijn vervangen door "'ne òpsjùpper" en

betekenen "een opschepper".

 

zaege zeure (zeuren)

gebiere op lètte (notie nemen van*)

Ik gebruikte "gebiere" enkele in een ontkennende zin,

bijvoorbeeld: "Dao mòs-te neet nao gebiere".

(* vertaling uit: "Groéselder Diksjenär")

 

gewaeëre laote mèt rùs laote (met rust laten)

 

(laote - loot - gelaote)

 

wase greuje (groeien)

 

(wase - woos - gewase)

 

baoëke kriesje (huilen)

 

(kriesje - kraeësj - gekraeësje)

("Kriesje" is een van de enige woorden die ik ben gaan

gebruiken nadat ik in Sint-Martensvoeren kwam wonen.)

 

zich verviere zich versjrikke (schrikken)

 

(verviere - vervierde - vervierd)

 

(zich) versjtaeëke (zich) versjtòppe (z. verstoppen)

 

(versjtaeëke - versjtook - versjtaoëke)

 

zich verdaole zich vergisse (z. vergissen)

 

(verdaole - verdaolde - verdaold)

 

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.

 

De zelfstandige naamwoorden heb ik onderverdeeld in kleinere

groepjes van woorden. De betekenis van de woorden was daarbij

het uitgangspunt. Woorden die vanuit deze invalshoek geen

verband hebben met de anderen zijn dan ook gerangschikt onder

de sub-titel "anderen".

Onder elk woord is steeds ook de meervoudsvorm vermeld.

 

Allerlei doekjes.

 

d'r plagk de sjaal (de sjaal)

de plagke de sjaaltjes (de sjaaltjes)

 

Een zijden of nylon vierkanten hoofddoek voor vrouwen, dat

eerst in een driehoek gevouwen werd om het vervolgens met een

knoop onder de hals vast te knopen. Later, een dertigtal jaar

geleden, toen het dragen van een hoofddoek uit de mode raakte,

werd "'ne plagk" gebruikt als halsdoek. Het doek was een

accessoir dat hoorde bij de overjas die men droeg.

 

d'r sjroeblòmmel d'r dweel (de dweil)

de sjroeblòmmele de dwele (de dweilen)

 

d'r sjnutesplagk d'r zakdook (de zakdoek)

de sjnutesplagke de zakdeuk (de zakdoeken)

 

Opmerkelijk is dat ik wèl nog het woord "d'r sjòttelsplagk" -

"de sjòttelsplagke" (vaatdoekje) gebruik.

 

Kleding.

 

d'r sjtivvel d'r laars (de laars)

de sjtivvele de laarze (de laarsen) d'r sjtievel (de rubber- de sjtievele laars-en)

de bloes (sleeptoon) de bloes(stoott.) (de blouse)

de bloeze de bloeze (de blousen)

 

de sallòpèt d'r aoëveral (de overal)

de sallòpètte de aoëverals (de overals)

 

d'r pisjamma d'r pijama (de pijama)

de pisjammas de pijamaas (de pijama's)

 

d'r trikò d'r trui (de trui)

de trikòs de truie (de truien)

 

't nachsklèèd d'r pijama (de nachtjapon)

de nachsklèjer de pijamaas (de nacht- japonnen)

 

d'r zeverlap d'r sjlabber (de slabber)

de zeverlep de sjlabbers (de slabbers)

 

de sjäöts d'r ròk (de rok)

de sjäötse de rùk (de rokken)

 

Ons lichaam.

d'r bagktaand d'r kies (de kies)

de bagkteng de kieze (de kiezen)

 

't bakke de wang (de wang)

de bakke de wange (de wangen)

 

de vaeërsj de hiel (de hiel)

de vaeërsje de hiele (de hielen)

 

de nerf de zenuw (de zenuw)

de nerreve de zenuwe (de zenuwen)

 

Meubels of delen ervan.

 

't sjaab de kas (de kast)

de sjaper de kaste (de kasten)

 

't sjòt de laaj (de la)

de sjòtter de laaje (de laden)

 

't kakkesjtùlke d'r keendersjtool (de kinderstoel)

de kakkesjtùlkes de keendersjteul (de kinderstoelen) Huishoudmachines.

 

't sjòttelmesjieng 't aafwaesjmesjieng (de vaatwasser)

de sjòttelmesjienger de aafwaesjmesjienger (de vaatwassers)

de essereus de centrifuusj (de centrifuge)

de essereuze de centrifuusje (de centrifuges)

 

Beddegoed.

 

't sjloppelèg 't lake (het laken)

de sjloppelège de lakes (de lakens)

 

de kusteek de sjloob (de sloop)

de kusteke de slope (de slopen)

 

d'r puus de matras (de matras)

de puze de matrasse (de matrassen)

 

't Toilet.

 

't huuske de WC (de ('t) WC)

de huuskes de WC's (de WC's)

 

't huuskespapier 't WC-papier ('t WC-papier)

(dit woord gebruik ik nooit in het meervoud)

 

de sjas d'r sjtòrtbak (de stortbak)

(dit woord gebruik ik nooit in het meervoud)

 

Groenten.

 

de roeëj kroot de rode biet (idem)

de roeëj krote de rode bietjes (idem)

 

de moeër de wòrtel (de wortel)

de moeëre de wòrtele (de wortelen)

 

de sjlaat de sjlaai (de sla)

(ook dit woord gebruik ik nooit in het meervoud)

 

de sjikoree 't witlòf NNL (het witlof) ZNL (het witloof)

(geen meervoud)

 

Etenswaren.

 

d'r vlaam d'r vlaai (de vla, de d'r vlaai)

de vlame de vlaaie (de vlaaie)

 

d'r kòffetuur d'r zjem (de jam)

(geen meervoud)

 

't gekrùsj 't hùjtvlèèsj (de hoofdkaas)

(geen meervoud)

 

't greun moos oonderèè sjtaampòt (stampot)

(geen meervoud)

 

d'r poetes d'r bloodwaoërsj (de bloedworst) de bloodwäöersj (de ...worsten)

 

Andere.

 

d'r bidòng (wordt niet meer gebruikt)

de bidònge

 

"'ne Bidòng" was een blikken, platte fles met een sluitdop

zoals men die vroeger ook aantrof bij limonadeflessen. De dop

was met een dikke ijzerdraad vastgemaakt aan de fles en was

voorzien van een gummy ring.

Vaak had deze ring een rode kleur. "d'r Bidòng" werd

's morgens gevuld met koffie en suiker en werd dan door vader

meegenomen naar het werk. Als hij 's avonds terug kwam was de

rest koffie nog lauw en had een heel speciale smaak gekregen.

de pavèj d'r sjtoeb (de stoep)

de pavèje de sjtuub (de stoepen)

 

de sjtaof de kachel (de kachel)

de sjtaove de kachele (de kachels)

 

de loetsj de tut (ZNL. de tut) (NNL. de speen)

de loetsje de tutte (de tutten) (de spenen)

 

 

't gaan 't gare (het garen)

(ik gebruik van dit woord nooit het meervoud)

 

d'r vaam d'r draod (de draad)

de vaem de dräöd (de draden)

 

't fieëber de koorts (de koorts)

(geen meervoud)

 

de sjòòt de sjùùld (de schuld)

de sjòte de sjùlde (de schulden)

 

de waesjpitsj de waesjpin (de was- knijper)

de waesjpitsje de waesjpinne (de was- knijpers)

d'r toebak d'r sjek (de shag)

(geen meervoud)

 

de sakòsj de tesj (de handtas)

de sakòzje de tesje (de handtassen)

 

de mal de tesj (de boodschappentas)

de malle de tesje (de boodschappentassen)

 

 

Een voorbeeld van "taalverarming".

 

d'r pòrtmòne de beursj (de beurs)

de pòrtemònès de beurzje (de beurzen)

 

de aoërte de reste (dàt, wat overblijft na de warme maaltijd.)

 

Dit woord gebruikte ik nooit in het enkelvoud.

"De aoërte" waren voor de kat."

 

't getuug 't gerèèdsjap ('t gereedschap)

(geen meervoud)

 

d'r kuul d'r sjtek (de stok)

de kule de sjtekke (de stokken)

 

de kròddel de pad (de pad)

de kròddele de padde (de padden)

 

't klunkske de vroedmeesterpad (idem)

de klunkskes de vroedmeesterpadden (idem)

 

"'t klunkske" is misschien een onomatopee, een woord dat een

klanknabootsing is van het geluid dat deze paddensoort

voortbrengt.

 

de hoesdäör de väördäör (de voordeur)

de hoesdäöre de väördäöre (de voordeuren)

 

Vroeger hoorde bij vrijwel elk huis een stal. Men maakte dan

ook een onderscheid tussen de deur van "'t hoes" (de woning)

en "de sjtaaldäör" (de deur van de stal).

 

dùùreg de achterkaoëke (de achterkeuken) de achterkaoëkes (de...keukens)

 

de huuf d'r knikker (de knikker)

de huuve de knikkers (de knikkers)

 

de tòwsjpring de sjpringtòw (het springtouw)

de tòwsjpringe de sjpringtòwwe de ..touwen)

 

e baeske e poeneke (een kus)

de baeskes de poenekes (de kussen)

 

't liemtèke 't lidtèke ('t lidteken)

de liemtèkes de lidtèkes (de lidtekens)

 

BIJWOORDEN.

 

Het bijwoord "flòt kan ook als bijvoegelijk naamwoord gebruikt

worden.

 

voet weg (weg)

ùmmer altied (altijd)

noeëts nooit (nooit)

òppedaod,lùts, derek, sjnak dalek (dadelijk)

 

Naar mijn persoonlijk gevoel was "derek" sneller dan

"òppedaod", "òppedaod" sneller dan "sjnak" en dit laatste was

weer sneller dan "lùts". "Lùts" was wel eerder dan "sjtrak"

(straks).

 

flòt gauw, sjnel (gauw, snel)

(oeë) e-ba (oeë) heen (waar)(naar toe)

bès tut (tot)

heversj nao häèm (-t-huiswaards)

 

WAARDERING VAN HET LIMBURGS.

 

Verschillende mensen waarderen het Limburgs verschillend. Deze

waardering verschilt al naar gelang ervaringen en vorming.

Niet iedereen is zich bewust van zijn waardering ten aanzien

van deze taal of van het daaruit voortvloeiende gedrag ten

aanzien van mensen die deze taal spreken.

 

Een voorbeeld:

 

Een kind van twee jaar dat door zijn moeder in het Limburgs

wordt aangesproken is ééntalig Limburgs. Als dit kind in het

Nederlands een vraag gesteld wordt zal het vrijwel altijd

aarzelend, al gissend antwoorden. Meestal niet omdat dit kind

het antwoord niet weet, maar vaak wel omdat het niet precies

kan verstaan wat de vraag nu juist is.

Mensen die enkel Nederlands spreken en willen praten met

kinderen, die nog niet naar school gaan en wiens thuistaal het

Limburgs is, zullen er zich bewust van moeten zijn dat het

aarzelende, onzekere gedrag van zo'n kind meestal alles te

maken heeft met de taal die in zo'n gesprek gebruikt wordt.

Realiseren zij zich dit niet, en dit is over het algemeen het

geval, dan zullen ze bewust of onbewust gaan zoeken naar

andere verklaringen voor dit vreemde gedrag. Verklaringen die

nogal uit de lucht gegrepen zijn, maar die wel een bijdrage

leveren aan het verkeerde beeld dat deze mensen zich vormen

over deze kinderen.

 

Een kind van twee jaar dat door zijn moeder in het Nederlands

wordt aangesproken is ééntalig Nederlands. Ik denk dat geen

enkele Limburgsspreker het in zijn hoofd haalt om dit kind een

vraag in het Limburgs te stellen, want dat zou dit kind

waarschijnlijk ook niet verstaan.

 

Een tweede voorbeeld.

 

Een kind van drie gaat naar de kleuterschool. Haar thuistaal

is het Limburgs. De schooltaal is het Nederlands. In school

mag in Vlaanderen geen Limburgs gesproken worden, dat is

wettelijk zo geregeld. Dit verschijnsel noemt men taaldwang.

Het kind voelt, leeft en denkt in het Limburgs en is dus om

zich uit te drukken afhankelijk van die taal. Op school mag ze

deze taal plots niet meer gebruiken en we hoeven ons dan ook

niet te verwonderen als dit kind letterlijk met haar mond vol

tanden staat. Haar taalvaardigheid (in het Nederlands) zal

minnetjes zijn en haar woordenschat (in het Nederlands) klein.

 

Daarnaast heeft het negeren en afkeuren van de thuistaal ook

gevolgen voor de ontwikkeling van het zelfvertrouwen van

kinderen, voor het vertrouwen van die kinderen in hun ouders

en voor de verhouding van die kinderen met hun leerkrachten in

het bijzonder en de school in het algemeen.

 

Nederlands leren is natuurlijk belangrijk, maar dit kan ook

samen gaan met respekt voor de thuistaal van sommige kinderen,

het Limburgs. Vanuit opvoedkundig perspektief lijkt mij dit

zeker de beste weg.

 

Nederlands leer je natuurlijk niet als je enkel Limburgs

spreekt. Ik denk echter dat je net zo goed Nederlands leert

als men al het Limburgse taalgebruik van kinderen die menen

Nederlands te spreken niet als fout benoemd maar als Limburgs.

Dan erken je meteen ook de thuistaal en de tweetaligheid van

deze kinderen. Op die manier doe je tegelijkertijd iets aan de

negatieve beeldvorming over Limburgsspekenden.

 

Het bovenstaande klinkt heel eenvoudig, maar op het eerste

zicht blijkt dit in de praktijk niet zo te zijn, alhoewel?

Veel leerkrachten in de Voerense scholen kennen het Limburgs

zoals dat in Voeren gesproken wordt niet, laat staan dat ze

mijn NederlandsLimburgs Limburgs kennen. Het is dus voor deze

leerkrachten zeker niet eenvoudig om het onderscheid tussen

Limburgs en fout Nederlands te maken. Het is vanzelfsprekend

dat je niet mag verwachten dat zij steeds weer de taal van de

streek gaan leren alvorens zij ergens les gaan geven en dit

hoeft ook niet.

Deze leerkrachten kunnen wel aan hun leerlingen uitleggen dat

zij de taal van Voeren niet kennen en dat ze dus alles wat

niet-Nederlands is fout zullen moeten noemen. Ook als het om

Voerense woorden gaat die niet fout maar Voerens maar dus geen

Nederlands zijn. Ik denk dat zo'n verhaal in hooguit tien

minuten vertelt kan zijn.

 

De moeilijkheid van dit tien-minuten verhaal is dat er nogal

wat leerkrachten zijn die al lang in Voeren wonen. Zij zouden

aan de leerlingen duidelijk kunnen maken waarom zij geen

Voerens hebben leren spreken.

===

p. 10 - 12

 

 

OUDE 's GRAVENVOERENSE WOORDEN.

door Rob. Brouwers

 

bajere (gaiste met ba:je:re) = pootje baden.

 

comlesere < communiceren = te kommunie gaan.

 

van daig (doeg dat van daig) = te zens = zoals het hoort, fatsoenlijk.

 

döppe (wat e döppe) = onhandig meisje (nooit bij een jongen) (oorspronkelijk is döppe een stenen potje. "öpke, döpke, roeëzesöpke enz.)

 

enne döppe-sjörger (letterlijk: enne potjes-kramer) = een onhandig iemand. (te vergelijken met enne hoddeler en enne taperer)

 

aiveldig = kinderachtig (dat is enne "aiveldige" = dat is iemand die zich meer meent dan hij in werkelijkheid is, dus bij misplaatste trots)

 

e fieke = een (lief) klein jongetje

 

e feijke = een (lief) klein meisje

 

en floetsj (wat en floetsj va(n) e vraomiensj) = een vrouw die niet veel in heeft, niet erg werkzaam is.

 

de flem (ich heb de flem huuj) = een inzinking, niet veel zin hebben, niet gemotiveerd zijn.

 

e(n) oongeraaje keend = een gebrekkig, gehandicapt kind.

 

e geraaje keend = een normaal kind.

 

Hanskroef = verouderde benaming voor Zwarte Piet.

 

hüf op =obbenoews = overnieuw = opnieuw.

 

jane = hersenen/hersens.

 

koezze (e vairke koezze) = slachten.

 

kimme (roei kimme) = wangen.

 

klabberdows (- dao laog ich) = plots lag ik daar.

 

kwettele (en kapotte kat met de kwettele oet) = ingewanden.

 

enne kruewel = 'n klein gedrocht.

 

enne kavejjer = een kwajongen.

 

enne loesj = een "duister" figuur, een onverzorgd iemand. (en loesj, de loesje = de oogkleppen van een

paard)

 

mallig (mallig de hellef) = ieder, elk de helft.

 

en masjottel = ouderwetse juffrouw, kwezel.

 

nujjernoeëts (ich wait ét nujjernoeëts) (lett. nauwernoods) = ik weet het ternauwernood, ik weet er feitelijk

niet veel van af.

 

opwassentige keender = kinderen in de groei.

 

enne peenkslummel = een hovaardig iemand.

 

pollevieje (dat löpt op pollevieje) = hoge hakken.

 

'et raozeknuuëkske = elleboogtopje.

 

sjlavrik = ijsbaan (sjlavrikke = glijden op de ijsbaan)

 

en sajel (en sajel van 'en vrow) = te trage vrouw (sajelle = drentelen)

 

enne sjienaos = enne deugniet, rotzak.

 

e sjuerket = onderrok

 

'en sjloeëj = 'n vuile vrouw, een slons.

 

taanke toe = ummertoe = immer, steeds.

 

zaiig (ich bi(n) zaiig a(n)...) = ik ben gevoelig voor, allergisch voor.

 

sjtomme weer = stomme kerel (weer = gekastreerde schaapsbok)

 

wegketse = hard weglopen.

===

p. 12 - 13

 

 

ZWARTE PIET en een paar van z'n andere namen

door Bep Mergelsberg

 

In Montzen noemde men Zwarte Piet een vijftigtal jaar geleden "Hans Moef". Kinderen van een Montzener gezin uit die tijd, waarvan een grootmoeder enkel Waals en dus geen Limburgs kende, noemde deze boze begeleider van Sinterklaas "Haos Kroef". (Joséphine Mergelsberg - Spee, 1934) Een oude 's Gravenvoerense naam is "Hans Kroef" (zie: bijdrage R. Brouwers) en in Noorbeek gebruikt men zeker sinds 30 jaar de naam "Zjwarte Piet".(BM)

 

In Mheer is zeker sinds 70 jaar het woord "Zjwarte Piet" gebruikt (J.Senden 73 jr.).

Een mevrouw van 70 jaar, woonachtig in Eijsden vroeg (vlak na Sinterklaas 1992) aan haar kleindochter of "Hans Kroef" kadootjes gebracht had en mijn moeder (afkomstig uit Waubach) vertelde dat mijn oma vroeger wel eens het woord "Hans Moef" gebruikte maar mijn moeder is niet duidelijk of het dan om Sinterklaas of om Zwarte Piet ging (Wim Senden (40) , Mheer).

 

In het "Venrays woordenboek" vinden we "Hans Mof: oude in onbruik geraakte benaming voor een Zwarte Piet die anders gekleed is dan normaal".

"Groéselder Diksjenär" kent dan weer een "Hanskasper: benaming voor Zwarte Piet. (verouderd)"

In het boek "Volkskunde in Limburg" van Jules Frère en bewerkt door Jaak Venken (uitgave van Stichting Mens en Kultuur, Gent.) vinden we op pag. 30 "Terwijl bij de suikerbakkers mandenvrachten speculaas werd ingezameld voor de volksjeugd, hield Hans Kroef met zijn varkensblaas de nieuwsgierigen op afstand." (Tongeren, jaren 20)

 

Vroeger droeg Zwarte Piet een zwart (pastoors)kleed, een zwarte kap met twee rode hoorntjes, de ooggaten en mond afgezoomd met rood lint. Sommige Zwarte Pieten hadden een zak bij zich, anderen een roe of een aantal varkensblazen. (Rob. Brouwers.)

 

Hieronder een kaartje overgenomen uit "Wörterbuch der deutschen Volkskunde" van Erich und Beitl. Alfred Kröner Verlag Stuttgart (1981). blz. 600

===

p. 13 - 23

 

 

TAALNIVELLERING.

door Jaak Nijssen

 

Naar aanleiding van een vraag van Bep Mergelsberg ontstond er in de workshops van de Heemkring een gesprek over de ontwikkeling van onze dagelijkse omgangstaal. Daartoe volgende bijdrage.

 

Een voorbeeld (bij het aanleggen van een elektrische verbinding): hang d'r kabel achter de kaas ee: dat zou ik gezegd hebben: hang d'r kabel ate ge sjaap ee.

 

In volgende lijst worden gegeven: eerst woorden lijk ik ze oorspronkelijk ken; dan: hoe ik meen dat ze voor 't ogenblik in opmars zijn; dan: de Nederlandse vertaling (de eind-n wordt niet uitgesproken).

Afkortingen: sgv: gezegd in 's-Gravenvoeren; smv: gezegd in Sint Martensvoeren; oostelijk: gezegd ten oosten van Teuven- Remersdaal.

 

---------------------------------------------------------

 

piëpel ; vlinder ; vlinder

aoëmezèèk ; mieër ; mier

hiëmelsje gèèt ; höjwage? ; hooiwagen (insekt)

warbòs ; horzel ; horzellarve

 

hòrrèt ; (omschrijving: e-zeu 'n diekke wèsp) ; hoornaar

kieëssmieësske ; mieësske ; koolmees

ester ; ekster ; ekster

merkef (D. Markolf) ; Vlaamse gaai ; Vlaamse gaai

dölsje (D. Dohle) ; kowke ; kauw

vuëder (vgl. F. furet, met afwijkende betekenis) ; bunzing (als de diersoort herkend wordt!) ; bunzing

mòòthövvel ; mòl ; mol

deur (sgv) ; sjteer ; stier

hamsj (Valkenburg: haamsjeut?) ; maretak, misteltoe; maretak

stachelder (D. Stechpalme) ; hùls ; hulst

fioële ; viooltjes ; viooltjes

maezeuteke ; maddelieffje ; madeliefje

sjtèfioeële ; violier ; violier

kaoverbloom ; peenksterbloom ; pinksterbloem

sint-jansbloom ; margriet ; margriet

höllender (D. Holunder, Flieder) ; fleer ("vliertee, vlierbloemen" heb ik altijd als "flerentee, fleerblome" gekend) ; vlier

 

rieraank ; bèùsjraank ; bosrank

blómpòt, blomespòt ; bloompòt ; bloempot

 

Bedreigd lijken mij ook: wòrbele (D. Waldbeere) = bosbessen;

brommele (D. Brombeere) = braambessen; kòlblome = klaprozen.

 

NB: men leert de planten en de dieren niet meer kennen uit de

wekelijkheid maar uit de boeken, en kijkt dan of men ze in de

werkelijkheid vindt.

 

vlaam ; vla ; taart, vlaai (Zuidned.)

krütsje ; sjroeëp ; stroop

poetes, trip ; bloodwaoësj ; bloedworst

gekrusj, kippes, hù(j)tvlèèsj (= hoofdvlees) ; kipkap ; kipkap (Zuidned.)

moeër ; wòrtel ; wortel (groente)

zjat (Waals jatte) ; tas ; kok (koffie)

sjaap (Ned. schab) ; kaas ; kast

sjòt ; la(aj) ; la(de)

zjwaegele (vgl zwavel) ; luussefers ; lucifers

luëter (vlg loog) ; zèèpsòp ; zeepsop

koëkmaal ; moeër ; waterketel

hoeshòddel (n ), hoeslómmel ; dwel ; dweil

lómmel (D. Lumpen) ; vòd (gelijkluidend, op de tonaliteit na, met vòt = kont, aars, e. d.) ; vod

stivvle (D. Stiefel) ; bòtte ; laarzen

sjnutesplak ; zakdook ; zakdoek

sjtegel ; drieën-hek ; draaihek

baj ; aafrastering ; afrastering

gaar (vgl. D. Gatter) ; hekske ; hekje

koeëllef (koolhof) ; töjn ; tuin

sjloont (D. Schlund) ; dibde ; laagte in het terrein

goemmie (D. Gummi) ; gom ; gom

huuf ; knikker ; knikker

kamaow / kamoek ; fùt ; fut

noon... (Ned. noen) ; middaag ; middag

kreeg (D. Krieg) ; oeërlòg ; oorlog

besjlaag ; hersenbloeding ; hersenbloeding

taeëring ; tee-bee-see ; tbc

vrattel ; vrat ; wrat

koonzert ; toneel ; toneel

veel (N. vedel) ; vioeël ; viool

 

- Scheldwoorden: flab, lèùres (uit laureaat?), faoënes, foënes

(faon, ten N van Maastricht = penis), lùbbes (lubben =

kastreren), toeppes (D. Tölpel), driekkes (Hendrik), hannes

(Johannes), kwiebes (Latijn quibus = aan wie, door wie), kurèj

(Waals?) = kreng, sjinaos (D. Schindaas, uit schenden en aas =

dood dier), appelkloeëte-zuvve, laejbek = aansteller

(beamte)... lijken wel te verdwijnen, tenzij ze een

Nederlandse tegenhanger hebben: lummel ...

 

bekalle ; (men gebruikt een omschrijving) ; kwaad spreken

aafkalle, z'ch get ; aafsjpraeëke ; afspreken

bagere ; verhoeze, verhuuzze ; verhuizen

tapessere ; behange ; behangen

sjtrèùpe(s) goeë ; lòpe goeë ; gaan lopen

kriegge, z'ch - ; neme ; nemen

kriegge, z'ch - ; beginne te vechte ; beginnen te vechten

bekèùkele ; umkalle, umpraote ; bepraten

sjunmake ; poetse (volgens een op school aangeleerd Brabantisme) ; schoonmaken (huis)

 

klaene, e-weg -, voett-lòpe ; e-weg lòpe ; hard weglopen

kalle (vgl. Eng. to call) ; sjpraeëke ; spreken, praten

gaele ; kòpe ; kopen

vervieëre, z'ch ; sjrèkke ; schrikken

brüjje, klaene ; werpe ; werpen

broeke ; gebroeke, gebruke ; gebruiken

griemmele ; grejnslache ; grijnslachen

sjpiet doeë ; plaoge ; plagen

moetse ; (omschrijv.) ; mokken

taentele, z'ch ; peste ; pesten (wederzijds)

käöre (vgl. Nl.: lief"kozen") ; aaie ; aaien

kaore (vgl. D.: kosten) ; preuve ; proeven

lèpere ; (omschrijv.) ; (van kleren: ongewenste plooien vormen)

weensjele, z'ch ; (omschrijv.) ; zich onrustig wentelen in bed

döere (D. dürfen) ; maoge ; mogen

koeze ; sjlachte ; slachten (varken)

kriesje, grienge ; wene ; wenen

lore (sgv) ; kiekke ; kijken

kriettesj ; (omschrijv.) ; ongenaakbaar

krùtteltig ; kòrzelig ; korzelig

besjloejjerd ; verwelkt ; verwelkt

sjrao ; vies ; lelijk

fie ; sjun ; mooi

èveld'g (D. einfältig) ; aanstellerig ; onnozel-

aanstellerig

sjnak ; direk(t) ; op staande voet (tijdstip)

bao (vgl. D. bald) ; benao, bekaans ; bijna

kòòm (D. kaum) ; nauwelijks ; nauwelijks

waeme, (vragend) (= wiemand?, vgl. (n)ieëmme(s) = (n)iemand ; wae ; wie

voett, e-weg ; weg ; weg (-lopen bv.)

piess (D. bis) ; tòt ; tot

e góng oett ; .. nao boette(s) ; naar buiten

de däör ès òp ; .. ès aoëpe ; .. is open

hèèvesj (heim-waarts)/ nao hèèm ; nao hoes ; naar huis

hèèm ; toes ; thuis

 

lùts (vgl. luttel), òppedaot ; sjtraks, direk(t) ; straks (= na kort tijdsverloop)

sjtrak ; sjtraks ; straks (= na iets langer tijdsverloop)

zus (vgl. D. sonst) ; want ; want

one (D. ohne) ; zónder ; zonder

 

gaar neet, gaaroet neet ; hiëlemaol neet ; helemaal niet

èges ; zelf ;zelf

ègeste, d'r - ; zelfde, d'r - ;dezelfde

näölekes ; nauwelijks ; nauwelijks (bv. aanraken)

noeëttref (vgl. nooddruft) ; nowwweleks ; nauwelijks (bv. ergens toegekomen zijn)

 

grammatika:

 

- pluralis:

hón (D. Hunde) ; hun ; honden

sjeunsjere ; sjeunsjes ;schoentjes

 

- werkwoordvormen:

e taot ; e tèlde ; hij telde

gevraod ; gevrogd ; gevraagd

 

- teruggang van de "zes", de participia zonder ge-: braat,

kaome, kraege, voonde, waoëde, vraeëte; men hoort nu wel eens:

gebrach, gekaome, gekraege, gevoonde, gewaoëde, gevraeëte

(gebracht, gekomen, gekregen, gevonden, geworden, gevreten).

 

- teruggang van de konjunktief:

kieëm e mer! (D. käme) ; kaom ... ; kwam ..

'ch gung ... ; ... góng ; .. zou gaan

ze zage, ze keuste neet (D. könnten) ; .. kooste ; .. dat ze niet konden ...

- de gerundivum: lòpenterre ... terwijl hij/zij/het liep)

 

- daarentegen houdt de vorm met "e dèèt" ... stand: "da dón

'ch laeze" in plaats van "da laees 'ch".

 

Zegswijzen geraken in onbruik:

 

toeërrt('nt)? ; of neet? ; nietwaar?

an-èn-a ; a-n è sjtùk ; zonder onderbreking

 

't wäedt kaod-a ; 't begint kaod te waeëde ; het begint koud te worden

dis ander waeëk, 'n nüj waeëk, 'n nüj jaor ; vòlgend ... ; volgend...

antaeëge goeë (vgl Nl. ont-moeten, D. ent-gegen) ; tegemoet goeë ; tegemoet gaan

 

in 't dwaeësj (of 'ntwaeësj?, als ontstaan uit "ont-dwars",

zoals ont-moeten)

van oeë gèès-te ; lans oeë ; langs waar ...

 

Hieër m'ne Gòd van Aoke, wie zit dat keend die bè !: gewoon

een uitbreiding van "mijn god!"; e-zeu gek es pieërrlasvòt..

en zovele andere ...

 

Men vraagt zich af of de grens verschuift, naar het oosten

toe, van:

- voof ; vief ; vijf

- ha ; hùbbe ; hebben

 

Hier nog enkele woorden die ik als kind reeds ouderwets vond,

of die ik pas later geleerd heb

aensjele, z'ch ; jenne ; jennen (wederzijds)

lange ; gaeve ; aanreiken

acht ; gùt ; goot.

 

Duitse invloed gaat achteruit, omdat er nu eenmaal nogal wat

in onze taal zit, dat eerder naar het Duits dan naar het

Nederlands verwijst.

 

Oudere vormen van dorpsnamen worden vervangen:

- Rimmelsde(r) ; Rimmesjtel ; Remersdaal

- Welkete, Welkender ; Welkenraad ;

Welkenraad

 

Men heeft de neiging om namen van plaatsen die in officieël

Waals gebied liggen, in het Frans uit te spreken:

- Kapel ; Haori-Sjapel ; Hendrik-Kapelle (F. Henri -Chapelle)

- Waeësj ; Warsaasj ; Weerst (F. Warsage)

- Goëdsd'l ; Valdjeu ; Godsdal (F. Val-Dieu)

- Hòmmerig ; Hòboer ; Homburg (F. Hombourg)

- Waezet ; Viezè ; Wezet (F. Visé)

- Bjen (smv) Bjan (sgv) ; Bernò ; Beerne (F. Berneau)

- Straks gaan we nog "ee Plòbjaer" zeggen in plaats van "a

g'ne Bliebrig"!

 

Franse woorden worden vermeden, gezien het jongste verleden:

 

velò ; fiets ; fiets

trengg ; traejn ; trein

kamjóng ; vrachtwagen ; vrachtwagen

mòrtie (Waals) ; mòrtel ; specie

 

maddam (aanspreektitel) ; mevròw ; mevrouw

m'syeu (aanspreektitel) ; m'nhieër ; mijneer

krèjjóng ; pòtloeëd ; potlood

 

makkeljóng (F. maquignon = veehandelaar) ; makelaar ; makelaar

a velo, a mòttò, a-n òttò (vgl. F. en vélo, à pied) ; mit d'r velò ... ; met ...

a g'n aeëd (Fr. à terre) ; òp d'r groond ; op de grond

Het Engels daarentegen breidt zijn invloed uit:

vroeger zei men "plannen", nu "plent" men z'n vakantie, ook al

in het Limburgs. In plaats van "meebrengen" hoort men nu

"meenemen", wel onder invloed van Engels "to take"; "pert-

total" wordt "totel-loos"; "shit" vervangt "verdomme" of "djü"

 

Uiteraard verdwijnen woorden, waarvan het onderwerp verdwenen

is: sjpin (voorraadkamertje), naere (inkomhal), kaargelèj

(karresspoor), mòddiesst (hoedenmaakster), nieënesje

(naaister), tüngge (heg verstevigen).

 

Toch houden nog een zekere bekendheid:

kammassje ; beenkappen ; beenkappen

veunkelhòòt ; (omschrijv.) ; hout om de kachel aan te steken

roondgoeë ; (omschrijv.) ; (voor een goed doel de huizen aflopen)

um g'n däöre goëe ; beddele ; langs de deuren bedelen

karessere (oostelijk) ; kinnis ha ; kennis

hebben

baeje, z'ch ; baeje ; bidden

zaene, z'ch ; e krüts make ; een kruisteken maken

beriëte goeë, kòmmelesere ; te kòmmuunje, kòmmunie goeë ; te kommunie gaan

sjòlk (schort), kasjpoesjaer (stofjas), kammezaol (gilet),

höfke (halfliter-maat), knab-bùs (proppenschieter uit

vlierhout)

 

sjöets (rok) en jas worden vervangen door specifieke woorden

 

Beschouwingen

 

1. Tonaliteit, spelling

 

Bij het opstellen van een tekst als de bovenstaande verwondert men er zich over, is dat men bij het "nieuw-Limburgs" ook weer de tonaliteit (sleeptoon, stoottoon) moet aangeven (zie onderstaande lijst).

 

Ook was dit een goede spellings-oefening: schrijf ik nu "lache" met één of met twee a's?; "döere" toch beter met enkel-r, want öe is wel een korte open o-met-naslag, maar de ö definiëren we als kort; "blómpòt" heeft twee korte o's; "noeëttref" vraagt dubbel-t, want de oeë is een korte oe-met- naslag, in tegenstelling met "groeët", dat een lange oe heeft; "maddelieffjee": korte a en korte ie. "Piëpel" en niet "pieëppel": i staat voor korte ie in open lettergreep, maar "kieëssmieësske": ie en dubbel-s, om de zuivere korte ieë in gesloten lettergreep weer te geven; met een enkele-s zou de ieë lang zijn. Alleszins blijven er nog vragen open!

 

2. Nivellering

 

Een van de mechanismen waardoor kenmerken van onze taal vergaan is dat we, om ons aan te passen, precies het typische uit de weg (moeten) gaan. Dat doen we bewust, maar zeker ook onbewust. Het Limburgs verliest veel van zijn eigenheid. Net als alle lokale talen. Net als de standaardtalen trouwens.

 

Het is een bekend feit, dat "Luiksgezinden" in Voeren, die uiteraard minder onder de invloed van het Nederlands staan (kranten, televisie), minder de nivellering van hun Limburgs ondergaan. Hun taal bewaart de oude strukturen beter. Men noemt dit wel de "fossilisering" van de taal.

 

3. Ten opzichte van de standaardtaal, waar we uiteraard niet zonder kunnen, nemen we één van twee houdingen aan: ofwel houden we het bij het Limburgs, ofwel schakelen we over op het Nederlands (de officiële standaardtaal), of op het Frans (waarvoor de wet "faciliteiten" voorziet).

 

3. 1. Zij die aan het Limburgs, het "plat", vasthouden, houden niet aan de echte oude taal vast, maar schakelen over op Nederlands-met-Limburgse-klanken, op "slang" eigenlijk, d.i. slordig Nederlands. Neem nu: "'t zit 'r alwir òp" of "e sjròk z'ch ròt". Men vraagt zich af of het de moeite waard is om zich over die taal druk te maken!

 

3. 2. Schakelt men resoluut over op het Nederlands, dan is dat praktisch altijd Nederlands met Limburgse intonatie, met Limburgs ritme, met Limburgse mondstand, met Limburgse keuze van open en gesloten klinkers, met Limburgse uitspraak van de r en de l (bal!)... Als er dan nog Limburgismen in voorkomen krijgen ze onvervalst Huilands. Ze lopen niet dik gezaaid, zij die onberispelijk Nederlands gebruiken lijk Marcel Kerff ... en voor zover ik weet heeft die thuis Limburgs gesproken..

 

4. Pedagogisch

 

4. 1. Als men met de kinderen Nederlands gaat spreken, dan is dat om ze beter voor te bereiden op de school. M. i. terecht houdt men het erbij dat kinderen die thuis Nederlands spreken, sneller een rijke woordenschat hebben.

 

Men wijdt evenwel schoolachterstand soms aan het ontbreken van "beschaafd" taalgebruik aan huis. Maar gaat het niet veel meer om het ontbreken of het niet-gebruiken van bv. een verklarend woordenboek of een atlas?

 

4. 2. Ik zie ook twee negatieve elementen in het overschakelen van Limburgs op Nederlands.

 

- a. Ouders die aan Limburgs gewend zijn zullen op een dag tientallen keren iets niet zeggen, spontaan, omdat ze onzeker zijn van hun Nederlands. Tegenover het voordeel van de rijkere woordenschat komt dan het nadeel te staan van de schralere gedachten- en gemoedsontwikkeling van het kind.

 

- b. Het kind krijgt een indruk, dat de ouders niet oprecht zijn; "waarom spreken ze met elkaar iets anders dan met mij? Spelen ze komedie?"

 

4. 3. Wie in Voeren nu nog zijn kind naar een Franse school stuurt zonder speciale reden (vooruitzicht van verhuizen naar Wallonië bv.) doet het tekort. Straks kan het niet eens de krant lezen waarin de (Vlaamse) dekreten en honderd andere dingen staan die voor Voeren gelden.

 

5. Limburgs of Nederlands als omgangstaal

 

Er is nogal wat inspanning nodig om bewust Limburgs te gaan spreken. Zoals het destijds inspanning gevraagd heeft om in Vlaanderen, met zijn Franstalige deftigheid, Nederlands te gaan gebruiken. Het heeft jaren geduurd vooraleer ik de moed in mijn twee handen genomen heb, en in Maastricht durfde Limburgs spreken. In Rotem of Kessenich moet ik vandaag nog een echte inspanning doen... En zeggen dat onze vorm van Limburgs ten minste tot in Roermond rijkt ...

 

Door over te schakelen op standaardtaal wil men -onbewust?- op een hoger beschavingspeil komen. Ter vergelijking: zolang men in een lemen huis woont omdat men zich geen ander kan permitteren, wil men van dat huis af. Had men later dat vakwerkhuis maar terug ...

 

We bevinden ons in Voeren -en omgeving- wel in een uitzonderlijke positie: gedurende jaren heb ik in Keulen op de tram nauwelijks Keuls horen spreken: daarvoor moet men naar het kabaret, naar de Black Fööss... En in Weset hoort men nog nauwelijks Waals.

 

Woordenlijst

============

 

Bevat ca. 370 items

 

Aangegeven zijn:

- de plaats van de klemtoon / -tonen;

- de tonaliteit: L = sLeeptoon, T = sToottoon;

- zo nodig, de woordsoort (VB = verbum, werkwoord; ART =

articulum, lidwoord).

 

a g'n aeëd (T) / a mòttò (1T) / a velo (1T) / aafkalle (1T2L) / aafrastering (1T2L) / aafsjpraeëke (1T2L) / aaie (1T) / acht (T) / achter (1L) .. ee / aensjele (L), z'ch / a-n è (L) sjtùk (L) / an-èn-a (3T2L) / a-n òttò (1T) / antaeëge (2T) goeë (L) / aoëmezèèk (1L) / aoëpe (1L) / Aoke (1T)appelkloeëte-zuvve (5T1L2L) / ate (1L) .. ee / baeje (1T) / baeje (1T), z'ch / bagere (2T) / baj (T) / bao (kort,T) / bè (L)beddele (1T) / beenkappen (1L) / beginne (2T) te / behange (2T) / bekaans (2L) / bekalle (2T) / bekèùkele (2L) / benao (2T) / beriëte (2L) goeë (L) / Bernò (1T, 2e lettergreep kort) / besjlaag (2L) / besjloejjerd (2L) / bèùsjraank (1L2L) / Bjan (T) / Bjen (T) / Bliebrig (1L) / blómpòt (1T2L), blomespòt (1T2L) / bloodwaoësj (1T2L) / bloompòt (1T2L) / bòtte (1T) / braat (L) VB / broeke (1L) / brommele (1L) / brüjje (1T) / bunzing (1T) / däör (T) / dat (L)deur (T) / dibde (1T) / die (L)diekkedirek (2L) / direkt (2L) / dis ander (T) waeëk (L),djü (T) / doeë (L) / döere (1T) / dölsje (1T) / driekkes (1L) / driën-hek (1T2L) / dwel (T) / ekster (1T) / es (L)ès (L) VB / ester (1T) / èveld'g (1L2T) / e-weg (T) / e-zeu (2L?)faoënes (1L) / faon (?) / fie (L) / fietts (L) / fioële (2T, ie kort) / flab (T) / fleerblome (1T2T) / flerentee (1T3T) / foënes (1L) / foetele (1L) / fùt (L) / gaar (T) / gaar (T) neet (T) / gaaroet (2L1T) neet / gaele (1T) / gaeve (1T) / gebrach (2L) / gebroeke (2L) gebruke (2L) / gek (L)gekaome (2T) / gekraege (2T) / gekrusj (2T) / gevoonde (2L) / gevraeëte (2L) / gewaoëde (2L) / Gòd (L)Goëdsd'l (1L) / goemmie (1T) / gom (T) / góng (T) / góng (L) oett (L) / grejnslache (1T2L) / griemmele (1L) / grienge (1T) / gung (T) VB / gùt (L) / ha (L) / hamsj (T) / hang (T) VB / hannes (1TL) / Haori-Sjapel (3T1L) / hèèm (L) / hèèvesj (1T) / hekske (1L) / hersenbloeding (1t3T) / hiëlemaol (3T) neet (T) / Hieër (L)hiëmelsje (1L) gèèt (L) / Hòboer (2T) / hoeshòddel (1L2T) / hoeslómmel (1L2L) / höjwage? (1L) / höllender (1L) / Hòmmerig (1L) / hón (T) / hòrrèt (2L) / hùbbe (1T) / hùls (T) / hun (T) / hù(j)tvlèèsj (1T3L) / huuf (T) / ieëme (1L) / ieëmes (1L) / jenne (T) / kaas (L) / kabel (1T) / kalle (1T) / kamaow (2L) / kamjóng (1T) / kammassje (2T) / kamoek (2L) / kaom (T) VB / kaome (1T) VB / kaore (1T) / käöre (1T) / kaoverbloom (1T2T) / Kapel (2T) / karessere (3T) / keend (L)keuste (1T) VB / kiekke (L) / kieëm (T) e mer! / kiësmiëske (1T2T) / kinnis (1T) ha (L) / kipkap (1L2L) / kippes (L) / klaene (1T) / klaene (1T), e-weg (T) / klaproeëze (1T) / knikker (1L) / koeëllef (1T) / koeëlmieëske (1L2L) / koëkmaal (1L) / koeze (1T) / kòlblome (1T) / kòmmelesere (4T) / kòòm (L) / koonzert (1L, e niet dof) / kooste (L) / kòpe (1L) kòrzelig (1T) / kowke (1T) / kraege (1T) VB / kreeg (T) / krèjjóng (1T) / kriegge (1,T), z'ch / kriesje (1L) / kriettesj (1L) / e krüts (L) make (1L) / krütsje (1T) / krùtteltig (1L) / kurèj (1L) / kwiebes (1T) / la (aj) (T) / laejbek (1L) / lange (T) / lans (T) oeë (T)/ lèpere (1L) / lèùres (1L) / lómmel (1L) / lòpe (1L) goeë (1L) / lore (1T) / lùbbes (1T) / lucifers (1T) / luëter (1T) / lummel (1L) / lùts (L) / luussefers (1T3T) / maddam (2T) / maddelieffje (2T) / maezeuteke (1T2T) / makelaar (1L) / makkeljóng (2T) / maoge (1T) / maretak (1T) / margriet (2T) / merkef (1T) / middaag (12TL) / mieër (L) / misteltoe (1L2L, 2 kort) / mit (L) / m'nhieër (2T) / moeër (T) = waterketel / moeër (T) = groente / moetse (1L) / mòl (T) / mòòthövvel (1L) / mòrtel (1T) / mòrtie (1T) / m'syeu (2T) / nao boette (1L) / nao hèèm (L) / nao hoes (L) / näölekes (1T) / neet (T) / neme (1T) / nieëme (1L) / nieëmes (1L) / noeëttref (1T) / noon (T) / nowweleks (1L) / 'n nüj or (T) jaor (T) / 'n nüj (T) waeëk (L), oeërlòg (1L) / of neet? (T) / one (1T) / òp (L) / òp 'ne groond (L) / òppedaot (2T) / peenksterbloom (1L2T) / pert-total (3T1L) / peste (1L) / piëpel (1L) / piërlasvòt.. (3L)piess (L) / plaoge (1T) / plent (T) / Plòbjaer (2T) / poetes (1L) / poetse (1T) / pòtloeëd (1L2L) / preuve (1T) / rieraank (1L) / Rimmelsde (r) (1L) / Rimmesjtel (1L) / roondgoeë (1L) / shit (?) / sint- jansbloom (2T1T) / sjaap (L) / sjeunsjere (1T) / sjeunsjes (1T) / sjinaos (1T) / sjlachte (L) / sjloont (L) / sjnak (L) / sjnutesplak (1L) / sjòt (T) / sjpiet (L) doeë (L) / sjpraeëke (1L) / sjrao (T) / sjrèkke (1L)sjroeëp (T) / sjteer (T) / sjtèfioeële (1T) / sjtegel (1T) / sjtrak (L) / sjtraks (L), sjtrèùpe (s) (1L) goeë (L) / sjun (T) / sjunmake (1T2L) / stachelder (1L) / stivvele (1T) / 't begint (2T) kaod (L) te waeëde 't wäedt (T) kaod-a (1L) / taeëring (1T) / taentele (1L), z'ch / taot (L) VB / tapessere (2T) / tas (T) / te kòmmunie (2L) goeë (L) / te kòmmuunje (2L) goeë (1L) / tee- bee-see (3T) / tegemoet (3T) goeë (L) / tèlde (1T) / toeërrt ('nt)? (T) / toeppes (1L) / toes (L) / töjn (L) / toneel (2T) / tòt (L) / totel-loos (1T2T) / traejn (L) / trengg (T) / trip (L) / um g'n däöre (1T) goëe (L) / umkalle (1T) / umpraote (1T) / Valdjeu (2T) / van oeë (L) gèès-te (1L) / vechte (1L) / veel (T) / velò (1T) / verdomme (2T) / verhoeze (2T) / verhuuzze (2T) / verviëre, z'ch - (2T) / verwelkt (2L) / veunkelhòòt (1L2L) / vief (T) / vies (T) / Viezè (1L) / vioeël (2T) / violier (3T) / viooltjes (2T) / vla (T) / vlaam (T) / Vlaamse gaai (1T,T) / vleer (T) / vlinder (1T) / vòd (T) / voett (T) / voett (T) lòpe (1L) / vòlgend (1T) / voof (L) / voonde (1L) VB / vòt (L) / vrachtwagen (1T) / vraeëte (1L) VB / vrat (L) / vrattel (1L) / vuëder (1T) / wae (T) / Waeësj (L) / waeme (1T) Waezet (T) / want (L) / waoëde (1L) VB / warbòs (1T) / Warsaasj (2T) / weensjele (1L), z'ch / weg (T) / Welkender (1L) / Welkenraad (1L) / Welkete (1T) / wene (1T) / werpe (1L) / wèsp (L) / wie (L)wòrbele (1T) / wòrtel (1L) / zaene (1T), z'ch / zage (1T) VB / zakdook (1L2T) / zèèpsòp (1L2L) / zit (L)zjat (T) / zjwaegele (1T) / zónder (1T) / zus (L)

 

====

p. 24

 

PUBLIKATIES

verzameld door Bep Mergelsberg

 

"Sprachschöpferische Wirkungsmöglichkeiten in der Mundart" van René Jongen in "Im Göhltal" nr. 51, aug 1992, blz. 29 - 40.

 

René Jongen, prof. aan de Université Catholique Louvain-la- Neuve en de Facultés Universitaires St. Louis te Brussel, ontzenuwt in dit artikel allereerst een aantal diep ingewortelde vooroordelen ten aanzien van streektalen. Dan toont hij de rijkdom van het Limburgs (De schrijver zelf gebruikt de algemene term "Mundart" ofwel dialekt. Wil hij daarmee misschien de politieke implikaties van het uitspreken van de naam van deze streektaal omzeilen?) zoals dat gesproken wordt in het noord-oosten van de provincie Luik. Ook de tweetaligheid komt aan bod. "Nicht die Zweisprachigkeit als solche is m.E. frachwürdig, sondern der Tatbestand, dass die Hochsprache veilfach unter sprachdidaktisch ungünstigen Verhältnisse erlernt wird: im Hochsprachenunterricht auf der Schule werden die sprachlichen (=mundartlichen) Voraussetzungen eingfach ignoriert...." Een boeiend artikel.

 

"Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Kanton Voeren." door: Frieda Schlusmans. Een uitgave van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en het bestuur van Monumenten en Landschappen.

 

Een prachtig naslagwerk over de Voerense monumenten en landschappen. Verlucht met foto's, verhelderende tekeningen en kaarten. 253 pag. en ingebonden. 1400 Bfr. Verkrijgbaar bij VVV "De Voerstreek", kerkplein, 's Gravenvoeren. (041-810736)

 

"Monumenten en Landschappen", 11e jrg., nr. 5, sept./okt. 1992.

 

Het sept./okt.-nummer van dit tijdschrift is volledig gewijd aan de Voerstreek. Achtereenvolgens komen het landschap, de nederzettingen en de Kommanderie van de Duitse orde aan bod. 64 pag. 220 Bfr. Te bestellen bij Monumenten en Landschappen, Zandstraat 3, 1000 Brussel.

 

"Langs Vlaamse Wegen - Voeren." Een uitgave van de Stichting Monumenten en Landschapszorg v.z.w. in samenwerking met de gewestelijke VVV "De Voerstreek" en VTB/VAB.

 

Twee wandelingen (van om en nabij de 10 km.) door de Voerstreek zijn in dit tijdschrift opgenomen. Al de belangrijke monumenten en landschappen die men tegenkomt zijn er eveneens in beschreven. Verkrijgbaar bij VVV "De Voerstreek", 's Gravenvoeren. (041-810736)

 

===

p. 25 - 26

 

PUBLIKATIES

Verzameld door Jaak Nijssen

 

GIETIJZEREN GRAF-EN VELDKRUISEN.

 

Het ministerie van het Waals Gewest heeft zopas een boek (222 blz) uitgegeven over gietijzeren kruisen: "La fonte en Wallonie. Les Croix de nos Aãeux".

 

Een algemeen deel behandelt o.a. techniek, geschiedenis en terminologie van het ijzergieten.

 

Er wordt een overzicht gegeven van hoofdzakelijk Waalse gieterijen (dichtst bij ons: Requilé uit Luik). Ook soms veraf gelegen Franse gieterijen, terwijl Maastricht en Tongeren in de lijst ontbreken. Ook de Duitse gieterijen, die nochtans in onze streken leverden worden niet vermeld. Uit politieke overwegingen?

 

Dit gedeelte is rijkelijk geãllustreerd. Bij meerdere foto's ontbreekt echter de definitie.

 

De hoofdbrok van het werk bestaat uit een overzicht (nomenclature), van de hand van Roger Hourant, van 335 types kruisen, elk met een schets. We geven hierbij een overdruk van een veel voorkomend type. Deze studie steunt bijna uitsluitend op gegevens uit het arrondissement Luik en de streek van Doornik. Het is een defiëerwerk: met behulp van de Introduction à l'usage de la nomenclature, p. 87-89 kan men het type van een gevonden kruis op systematische wijze bepalen.

 

De auteurs geven duidelijk te kennen dat het hier slechts om een voorlopig overzicht gaat. Het is een doe-boek geworden, een aansporing tot grondiger onderzoek. Gietijzeren kruisen maken deel uit van een industriële massa- produktie, waarbij bovendien nogal wat geplagiëerd werd. Om van een bepaald kruis te weten te komen in welk bedrijf het werkelijk gemaakt werd zal nauwkeurig meten en vergelijkend onderzoek op dat niveau onontbeerlijk zijn.

 

Waarom een Waals boek over ijzergieterij? Juist in de ijzerindustrie heeft Wallonië uitgeblonken: ze hadden ijzererts, hout, kolen. Noemen we maar één naam: Nestor Martin. Vanuit het nabije Franse Charleville en het Waalse Maasland gingen de impulsen uit. Vlaanderen en Nederland volgden. Bij de studie gingen er echter impulsen uit van het noorden: Egelie, "Gietijzeren wegkruisen in Limburg" 1983.

Wat de bewaring van deze kleine monumentjes aangaat: ze verdwijnen noodgedwongen, met de honderden per jaar, omdat er op de kerkhoven plaats moet gemaakt worden. Een boek lijk dit is een belangrijke hulp bij het vaststellen van prioriteiten bij de konservering.

-------------------------------------------

Tentoonstelling: Ridders en Priesters, acht eeuwen Duitse Orde in Noordwest-Europa, Alden Biesen 12 september - 13 december 1992.

Een ruim overzicht over dit gegeven uit onze geschiedenis werd hier gepresenteerd bij middel van geschreven dokumenten, zegels, meubels, beeldhouwwerk, schilderijen ...

Uiteraard kwam hierbij ook de kommanderij van Sint- Pietersvoeren te pas. Deze tentoonstelling was zelfs aanleiding tot de ontdekking van een kaart van de heerlijkheid Sint-Pietersvoeren uit 1785. Er staan zeker niet alle huizen op, maar de kommanderie, de kerk, de molen, de pastorie staan er weliswaar onder zeer vereenvoudigde vorm op, maar ze zijn duidelijk herkenbaar. Hieruit volgt dat de overige huizen ook wel in zekere mate de werkelijke toestand in die tijd weergeven.

De kaart staat in de katalogus (299 blz.) op p. 233. Deze katalogus is op zichzelf een belangrijk werk, dat voor lange tijd de basis blijkt te worden voor elk wetenschappelijk onderzoek. Trouwens, uit de ontwikkeling van Alden Biesen verwachten we in de eerstkomende decennia een wezenlijke verrijking van onze kennis van de geschiedenis van Sint- Pietersvoeren.

------------------------------------------

Tentoonstelling Van Silex tot Chips, alles uit de aarde. Leuven, 14 oktober - 13 december 1992.

We bezochten met 5 man van onze kring deze tentoonstelling, die gewijd is aan de kennis van "de aarde", de geologie. Ze was trouwens opgezet door de afgestudeerden in dit vak. De tentoonstelling bracht op vrij bevattelijke wijze, in een prettige opstelling, illustraties over basisbegrippen en over toepassingen van produkten uit de aarde: van bouwmateriaal over water tot edelstenen. Voor de meesten onder ons was het welgekomen aanvulling van onze Gidsenkursus.